Cfs, gws, rms, mpd, sra, aas

Elaine Showalter, Hystories. Hysterical epidemics and modern culture, Columbia University Press New York/ Picador Londen, 352 blz., 365,50
Jaap van Ginneken is psychologiehistoricus en massapsycholoog
VOLGENS SOMMIGE schattingen zijn er in de Verenigde Staten honderdduizenden mensen die menen dat ze in hun jeugd in gruwelijke rituelen seksueel misbruikt zijn door satanische genootschappen, of als volwassene ‘gynaecologisch’ onderzocht door buitenaardse wezens in vliegende schotels. Moeten we dergelijke verhalen serieus nemen? Ja, zo zeggen sommige hulpverleners, en ook veel praatprogramma’s op de Amerikaanse radio en televisie. Nee, zo zeggen veel ‘harde’ wetenschappers en rechtskundigen. Het doet een beetje denken aan de wellesnietes-discussie die sinds Oude Pekela de laatste jaren ook in Nederland en andere Westeuropese landen heeft gewoed: over extreme beschuldigingen van seksueel misbruik, over herwonnen herinneringen en meervoudige persoonlijkheden.

Toch vind ik die discussies vaak oninteressant, omdat zowel de ‘subjectivisten’ als de 'objectivisten’ een wel heel erg simplistisch beeld van psychosociale 'waarheid en werkelijkheid’ en van haar toetsing hebben. Het is volgens mij veel interessanter om te kijken hoe dergelijke claims gestalte krijgen in een wisselwerking tussen patiënten, autoriteiten en de bredere cultuur.
Dat probeert Elaine Showalter te doen in haar boek Hystories, over Hysterical epidemics and modern culture, zojuist gepubliceerd door Columbia University Press in New York, en Picador in Londen.
Showalter is hoogleraar Engelse letteren aan de prestigieuze universiteit van Princeton, en geïnteresseerd in de manier waarop losse anekdotes en overkoepelende verhalen (oftewel 'meta-narratieven’) neerslaan in moderne folklore. Maar zij is ook een feministische 'historian of hysteria’ (oftewel her-storian of her-steria), en geïnteresseerd in de manier waarop aan allerlei vage psychosomatische klachten betekenis wordt gegeven.
De eerste helft van Showalters boek is dan ook gewijd aan de manier waarop 'deskundigen’ zoals Charcot en Freud aan het eind van de negentiende eeuw 'hysterie’ diagnosticeerden bij hun patiënten. Enerzijds werd hysterie vooral toegeschreven aan vrouwen. Volgens toenmalige medisch-psychiatrische theorieën had dat vooral biologische oorzaken, volgens latere sociaal-politieke theorieën had dat vooral te maken met geldende rolpatronen. Het zou een soort verholen protest zijn geweest tegen hun onmondige positie. Anderzijds werd hysterie aanvankelijk slechts zelden toegeschreven aan mannen. Eerst werd het meestal om- en weggedefinieerd (bijvoorbeeld als 'burnout, stress en oververmoeidheid door het werk’), later alleen onder extreme omstandigheden kortstondig erkend ('Kriegsneurose’ en 'shell shock’ na slagveldervaringen in de Eerste Wereldoorlog).
Showalter wil onderzoeken hoe aan een vaak onsamenhangend patroon van moeilijk definieerbare klachten tezamen met bepaalde 'aangewezen’ autoriteiten een welomschreven betekenis wordt gegeven - in overeenstemming met de wanen van de dag en de geldende opvattingen. Binnen een dominante cultuur die weinig nadruk legt op het spirituele en veel nadruk legt op het materiële, zal men zich dan ook niet tevreden stellen met 'geestelijke nood’, maar zoeken naar 'harde feiten’ als oorzaak van de klachten. Men zal zich niet tevreden stellen met 'innerlijke’ ontregeling, maar alleen met oorzaken 'van buiten’.
IK MOET ZEGGEN dat ik uitermate sceptisch was toen ik voor het eerst over het boek en de globale inhoud hoorde, vooral omdat Showalter het betreffende probleemgebied soms wel heel erg breed maakt. Wijdverbreid seksueel misbruik en chronische vermoeidheid zijn zonder twijfel reële zaken, waarop niet afgedongen kan en mag worden. Maar wanneer je van haar aanneemt dat ze dat ook niet wil, en zich slechts wil verdiepen in de culturele 'vormgeving’ van klachten, dan ben je geneigd haar op veel punten het voordeel van de twijfel te gunnen. Dan valt ook te billijken dat ze aan de ene zijde van het spectrum heel reële alledaagse klachten als 'chronische vermoeidheid’ in haar beschouwingen betrekt, en aan de andere kant heel fantastische buitenissige klachten zoals seksueel misbruik door satanische sekten en buitenaardse wezens.
Het eerste voorbeeld dat ze uitwerkt is CFS ofwel 'Chronic Fatigue Syndrome’. Het heet in 1984 te zijn 'ontdekt’ in een plaats bij Lake Tahoe in de Verenigde Staten, waar veel welstandige vutters wonen. Het werd door sommigen wat laatdunkend 'yuppie flu’ genoemd, het dook op in Manhattan en Hollywood en tenslotte ook in de tv-situation comedy Golden Girls. In 1996 beweerde een CFS-'deskundige’ dat er al twee miljoen Amerikanen aan leden, en dat de ziekte nu ook overal in het buitenland opdook.
Showalter zegt opnieuw nadrukkelijk er niet aan te twijfelen dat de patiënten ook echt aan de betreffende klachten lijden. Maar ze wijst erop dat de medische wereld tot nu toe geen enkele aanleiding heeft gevonden om te veronderstellen dat het gaat om een geheimzinnige aandoening of een neurologisch syndroom, zoals de media, het publiek en de patiënten lijken te willen geloven. Zij zegt het daarentegen nauwelijks verbazingwekkend te vinden dat het huidige jachtige bestaan, vooral van veel geëmancipeerde jonge vrouwen, tot chronische vermoeidheidsklachten leidt.
Onlangs sprak ik een studente die ook meende aan de aandoening te lijden. Ze voelde zich ’s morgens altijd zo moe, en had dan moeite met opstaan en studeren. Maar de artsen konden niets vinden, zo voegde ze daaraan toe. Pas veel later in het gesprek kwam naar voren dat ze enkele nachten in de week in een disco werkte, en dat probeerde te combineren met de studie. Dat lijkt mij vooralsnog een afdoende reden, maar zo ervoer ze dat niet. Ik weet in elk geval zeker dat ik onder soortgelijke omstandigheden aan dezelfde verschijnselen zou lijden. Net als veel andere burgers.
HET MERENDEEL van de klachten waarmee huisartsen worden geconfronteerd, is in oorsprong vaag. En TAT ('Tired All The Time’) is daar al sinds mensenheugenis één van. Vroeger werden soortgelijke verschijnselen ook wel neurasthenie (of zenuwzwakte) genoemd. Wat verbazingwekkend is, zo zegt Showalter, is dat een jachtig bestaan kennelijk als een onvoldoende reden wordt beschouwd om oververmoeid te zijn, en het eens een tijdje rustiger aan te doen. Er moet een fysieke reden worden aangenomen voordat men zich legitiem 'studiemoe’ of 'arbeidsongeschikt’ kan noemen.
Een ander voorbeeld ligt in het verlengde hiervan. Dat is GWS of 'Gulf War Syndrome’. Van de bijna 700.000 Amerikanen die in de Golf hebben gediend, hebben er 60.000 gevarieerde klachten gehouden. Onder de 45.000 Britten zijn het er slechts een kleine 600. Showalter twijfelt er opnieuw niet aan dat de betreffende symptomen bestaan, maar ze verbaast zich erover dat men als oorzaak opnieuw een mysterieus vergif, een virus of bacterie wil aanwijzen. Het lijdt geen twijfel dat de maandenlange opsluiting in de woestijn allerlei klachten teweegbracht en een traumatische ervaring was, vooral ook door de aanhoudende griezelverhalen over geheimzinnige massavernietingswapens waarover Saddam Hoessein zou beschikken.
Maar in eerdere conflicten, zoals Vietnam, heette GWS gewoon PTSD ofwel 'Post Traumatic Stress Disorder’. In de Tweede Wereldoorlog werd lang ontkend dat er zoiets bestond, en behandelde de beroemde generaal Patton 'zieken’ en 'zenuwzieken’ als 'lafaards’ die niet verpleegd maar afgeranseld dienden te worden. Maar in 1942 was in Amerikaanse veteranenziekenhuizen nog vijf procent psychiatrisch patiënt… uit de Eerste Wereldoorlog. In (en vooral na) die oorlog was het syndroom een tijdlang in brede kring aanvaard, maar vervolgens verdween het weer uit het zicht. Opnieuw een voorbeeld van hoe psychosomatische aandoeningen cultureel 'geboetseerd’ worden in de wisselwerking tussen patiënt, autoriteiten en maatschappij.
EEN VERDERE REEKS voorbeelden begint met RMS ofwel 'Recovered Memory Syndrome’. Het gaat daarbij om mensen die zich in therapie of onder hypnose plotseling allerlei gruwelijke details van seksueel misbruik door ouders of verzorgers herinneren. Het lijdt weinig twijfel dat seksueel misbruik van kinderen (vooral meisjes) door ouderen (vooral mannen) voorkomt, en vermoedelijk op grotere schaal dan vroeger werd aangenomen. Schattingen lopen uiteen van een op honderd tot een op vier. Het probleem is dat dit in individuele gevallen moeilijk met zekerheid is vast te stellen, zeker jaren of zelfs tientallen jaren later.
Verwarde meisjes of ontregelde vrouwen die bij hulpverleners kwamen, werden een tijdlang vanzelfsprekend als misbruikt beschouwd. Wanneer ze zich niets konden herinneren, werd het 'verhaal’ met behulp van de therapeut alsnog ge(re)construeerd. Niet zelden resulteerde dit in aanklachten of zelfs veroordelingen die achteraf onterecht bleken. Het onbewuste en het geheugen zijn notoir onbetrouwbaar: vaak worden realiteit en fantasie vermengd tot één onontwarbare kluwen. Juist in puriteinse milieus slaat de seksuele fantasie nogal eens op hol.
Een aansluitend voorbeeld is dan ook MPD ofwel 'Multiple Personality Disorder’, tegenwoordig ook wel DID ofwel 'Dissociative Identity Disorder’ genoemd. Men ging ervan uit dat het onvermogen om bijvoorbeeld een verkrachting als kind te verwerken, ertoe leidde dat delen van de persoonlijkheid zich als het ware 'afsplitsten’ en een eigen leven gingen leiden. Een soort Dr. Jekyll en Mr. Hyde. Maar in de halve eeuw tussen 1922 en 1972 werden er in de hele medische literatuur minder dan vijftig van dergelijke gevallen gemeld. Rond 1990 waren er echter alleen al in de Verenigde Staten 20.000 nieuwe gevallen gediagnosticeerd.
De media besteedden er veel aandacht aan, bijvoorbeeld toen de hoofdrolspeelster van de tv-serie Roseanne meldde aan dergelijke verschijnselen te lijden. Mensen schreven alles wat in hun leven verkeerd ging aan dergelijke oorzaken toe. Serial killers beriepen zich er in processen op dat de misdrijven door hun 'alters’ waren begaan, en niet door henzelf. Hoewel verwante verschijnselen in allerlei culturen lijken voor te komen (bijvoorbeeld in de vorm van 'bezetenheid’ door een geest), zijn de werkelijk goed gedocumenteerde gevallen van MPS in ieder land op de vingers van één hand te tellen. Voor de media, het publiek en de patiënten leek het echter te gaan om een zeer courante aandoening.
In het verlengde hiervan is er de al in de opening genoemde kwestie: die van SRA ofwel 'Satanic Ritual Abuse’. Op een internationale conferentie over MPS/DID in Chicago, zo'n tien jaar geleden, werd gemeld dat niet minder dan een kwart van alle patiënten zei misbruikt te zijn in satanische rituelen van geheime genootschappen. De verhalen over babyoffers deden sterk denken aan het bekende boek Rosemary’s Baby en aan de gelijknamige film van Roman Polanski (kort voordat zijn vrouw door de duivelssekte van Charles Manson werd vermoord). Ze deden trouwens ook denken aan de antisemitische fantasieën die vroeger in orthodox-christelijke kring over joden werden verteld.
Inmiddels is er zowel in de Verenigde Staten als in Groot-Brittannië door politie en justitie zeer grondig onderzoek naar dergelijke beschuldigingen gedaan. Er zijn wel groepen die zich 'satanskerk’ noemen, maar die beperken zich meestal tot kinky spelletjes onder volwassenen, en er zijn daarbinnen nauwelijks gevallen van systematisch kindermisbruik gevonden. Omgekeerd zijn er wel netwerken voor kindermisbruik, maar die hebben op hun beurt nauwelijks te maken met dergelijke vreemdsoortige pseudo-religies. Ook in Nederland en België zijn deze beschuldigingen voortdurend door de media herhaald (een tijdje geleden nog met grote stelligheid door Netwerk, het actualiteitenprogramma van Nederland 1), maar altijd op basis van horen zeggen en zonder enige feitelijke onderbouwing.
Het laatste voorbeeld is hier weer een variant op: het 'Alien Abduction Syndrome’ of AAS. In de Verenigde Staten is er een groeiend aantal mensen dat beweert ooit door buitenaardse wezens ontvoerd te zijn, gynaecologisch onderzocht en gebruikt. Volgens de literatuur is het aantal 'gedocumenteerde’ gevallen inmiddels opgelopen tot 1500, maar volgens sommige 'AAS-deskundigen’ zou het in totaal wel om een miljoen mensen kunnen gaan. Het probleem is dat de vliegende schotels meestal kwamen wanneer het slachtoffer half sliep en er geen getuigen in de buurt waren. Toch gaan de media, het publiek en de gelovers vaak met deze claims om alsof het om 'vaststaande feiten’ gaat. En ook een klein aantal 'deskundigen’ dient zich altijd aan.
De auteur spreekt in dit verband dan ook van 'Showalter’s Law’: hoe bizarrer de hysterische verhalen, hoe indrukwekkender de experts. Ik denk dat ze met Hystories een aantal interessante verschijnselen heeft gesignaleerd: enerzijds de 'culturele vormgeving’ van klachtenpatronen, óók (en juist) in de moderne maatschappij vol wetenschap en techniek; anderzijds de onkritische aandacht voor 'wilde verhalen’ in de media die moeten scoren met emotie.
In veel gevallen monden die uit in een 'komplottheorie’: de hoogste autoriteiten wéten daarin allang hoe het zit, maar houden het zorgvuldig voor ons verborgen. Ze signaleert in dit verband dat 'paranoia’ in de Verenigde Staten de overheersende massahysterie is van het naderende millennium, met de bomaanslag in Oklahoma als slechts één opvallende uiting. Dat is zeker iets om - ook in Europa - bij stil te staan.