Chaim Levano, 1 januari 1928 - 17 februari 2016

Je kon hem nauwelijks kwader krijgen dan met dat ene knipselmapcliché: ‘Levano, de laatste dadaïst’. ‘Ik weet niet wat dat is’, monkelde hij dan. En begon over iets anders. Onderwerpen zat.

Onze ontmoeting was ter voorbereiding van een gastcollege dat hij op de Theaterschool ging geven. En we knoopten er meteen een vraaggesprek voor de Amsterdamse Uitkrant aan vast, over een nieuw project dat eraan kwam. In zijn woonkamer in de Amsterdamse Helmersstraat kreeg ik een privé-uitvoering van An Anna Blume, ‘Merzgedicht 1’ van Kurt Schwitters. ‘O du, Geliebte meiner siebenundzwanzig Sinne, ich liebe dir!/ Du deiner dich dir, ich dir, du mir. – Wir?’

Dat Wir? met het kleine, zachte stemhuppeltje, dat deed het ’m. Een stemverhoging van niks, en toch vol van alles. Hij moest het niet te vaak doen, dat stuk, zei Chaim Levano. En toch kon hij er geen genoeg van krijgen.

Dat zei hij vaker. Ook dat het in zijn aard lag een zekere rusteloosheid te koesteren, waardoor hij steeds een ander, een nieuw avontuur wilde. ‘Als ik het gevoel heb dat iets me lukt, dan vind ik het niet meer interessant.’ De les die hij bij ons op school kwam geven hield het midden tussen een waanzinnige wandeltocht langs de oeuvres van een stel ‘rare Duitsers en nog veel vreemdere Russen’, gemengd met geïmproviseerde zijstraten in de performancekunst, die hemzelf nog het meest verrasten. Zo kende hij het grafschrift dat de Britse komiek Spike Milligan voor zichzelf had verzonnen: ‘Ik zei toch dat ik ziek was’ – Chaim moest er het hardst om lachen. Die zijlijn schoot door mijn hoofd toen ik op 22 februari de eerste rouwadvertentie zag: ‘Chaim Levano is gegaan – Hoezo? Waarom? Wie zegt dat?’ Nog over het graf een schaterlach. Typisch Levano.

Chaim Levano kwam uit de mijnstreek, zat daar in de oorlog een tijd ondergedoken, woonde na de oorlog een poos in Israël, waar hij muziek studeerde (hobo en piano) en onder meer in zijn onderhoud voorzag door (in pyjama, wil de hardnekkige anekdote) om zes uur elke ochtend piano te spelen bij de ochtendgymnastiek op de Israëlische radio.

Hij keerde in 1955 klassiek geschoold naar Amsterdam terug, en werkte als solo- en ensemblemusicus, een loopbaan die hem uiteindelijk maar matig interesseerde: te saai, te voorspelbaar. Hij vond in de latere theaterregisseur en toneelschrijver Lodewijk de Boer (1937-2004) een lotgenoot en zielsverwant: deze altviolist bij het Concertgebouworkest, die zich daar kapot verveelde, koos in 1968 voor het experimentele beroepstoneel.

Hij koesterde een zekere rusteloosheid, waardoor hij steeds een nieuw avontuur wilde

Bij Levano duurde die overstap iets langer. Hij wierp zich eerst nog op als Satie-vertolker (lang voor Reinbert de Leeuw met het werk van deze componist beroemd werd). Levano was een regelmatig terugkerende solist in de privé-concertzaal De Suite in Amsterdam-Zuid. Daar voerde hij in 1970 voor het eerst de Sonate in Urlauten van Kurt Schwitters op, een even beroemd als berucht spreekstemstuk van een half uur, waarbij de klanken als het ware hun woorden zijn kwijtgeraakt. NRC Handelsblad merkte indertijd op: ‘Levano spreekt en zingt met een feilloze uitspraak en muzikaliteit. Alleen een zeer ongewone muzikant kan zich hier aan wagen.’

Levano heeft zijn eigen brug van de muziek naar de woordkunst gebouwd. Een nieuw en wijder landschap lag opeens voor hem open, dat met het begrip ‘muziektheater’, waar hij vaak bij werd ondergebracht, nogal dunnetjes is omschreven. De naam van zijn stichting was wat dat aangaat tekenend, een naam die schotten, scheidslijnen en etiketten negeerde: De Wassen Neus. Een paar jaar terug is het levenswerk van deze stichting, en van talloze andere samenwerkingsverbanden waar Levano bij betrokken was, nog eens prachtig gecatalogiseerd in een soort glossarium van het theatrale universum van de kunstenaar, Theater Levano – ook bekroond als het mooist vormgegeven boekwerk van het jaar 2013. Met een collage van filmische indrukken, gemaakt door ziels- en geestverwant Kees Hin.

Ik heb lang niet alles van hem kunnen zien – dat was bij alleskunner en veelpleger Chaim Levano ook bijna onmogelijk – maar wel veel. En ik durf, als veelkijker en theatraal omnivoor, rustig de stelling aan dat de kwalificatie ‘veelzijdig’ nauwelijks recht doet aan de oerkracht van zijn werk.

Een greep. Hij ensceneerde in de Beurs van Berlage (samen met zijn onafscheidelijke dramaturg Carel Alphenaar) wonderlijke en wonderschone choreografieën en weids gebouwde, dansante en fotografische ontmoetingen tussen mensen, amateurs en professionals. Hij heeft het werk van dwarse en vaak nauwelijks gekende of bekende kunstenaars als Daniil Charms, Velimir Chlebnikov, Gertrude Stein en Ernst Jandl voor ons ontsloten, zonder de geheimen van dat werk gemakzuchtig in de uitverkoop te doen. Hij heeft de mooiste, meest plastische en meest talige bewerking gemaakt van Bernlefs evergreen Hersenschimmen (vond ook Bernlef zelf), over het lot dat ons allen achtervolgt: het verdwalen in onszelf. En hij heeft de mooiste, meest plastische en minst statische reconstructie gemaakt van de Guernica onder de futuristische opera’s, De overwinning op de zon uit 1913 – over het vernietigen van de taal, het denken en ‘de elegance’. Geen historische reconstructie, eerder een ‘uitzaaiing van stijlen’, aldus Levano.

Al dat werk, en nog veel meer, werd volvoerd met ernst, liefde, vakmanschap, intensiteit en passie. En altijd met de relativerende knipoog en de zachte lach. Die mij ooit tot tranen toe roerde in dat serene stemhuppeltje in Schwitters’ ode aan Anna Blum: ‘Du deiner dich dir, ich dir, du mir. – Wir?’