Chaja polak

‘IK HEB LANG gedacht: zonde dat ik pas zo laat aan woorden toekwam en zo lang alleen met beelden heb gewerkt. Nu realiseer ik me dat ik veel geleerd heb van dat schilderen. Jan Sierhuis heeft ooit tegen me gezegd dat een lijn, een veeg op je doek pas goed is als die alleen maar van j¢u kan zijn. Daarom gooi ik als ik schrijf hele stukken weg waarvan ik denk: iemand anders kan die net zo goed geschreven hebben. Dan kan het leuk verzonnen zijn en aardig klinken, maar het staat te ver van me af.

Met schrijven is er niet dat directe contact zoals met een penseel op het doek: dat je een lijn kunt trekken vanaf je maag, waar het zindert, door je schouder en je arm, tot je door het penseel heen het trillen van het linnen voelt. Ook met schrijven moet ik het gevoel hebben dat ik streken zet. Daarom heb ik mijn eerste boeken met een pen geschreven. Ik schreef bladzijden honderd keer over en bleef veranderingen aanbrengen, waardoor het niet meer te lezen was. Omdat ik niet kon tikken, tikte iemand het voor me uit. In die getikte tekst ging ik weer veranderen en dat werd dan opnieuw uitgetikt. Tot ik een computer kocht. Ik heb mijn vingers op de toetsen gelegd en ben gaan tikken. Nu tik ik met tien vingers.’
‘IK HEB jarenlang uit mijn hoofd geschilderd. Bijna altijd waren dat zwevende figuren. Geliefden die het doek af dreven, niemand stond ooit met zijn voeten in de aarde. Op een gegeven ogenblik wilde ik wat anders - ik denk dat ik die voeten in de aarde wilde - en vroeg mensen voor me te poseren. Niet lang daarna ben ik heel korte verhalen gaan schrijven. Over de wereld waarin ik was opgegroeid. Ik was als het ware zwanger van die verhalen. Een enkel verhaal ging over mij, de meeste over mensen om me heen.
Ik schrijf vanuit beelden die ik voor me zie, dat is de invloed van het schilderen. Die beelden probeer ik te vertalen in woorden. Toen ik op de academie zat, werd me wel eens verweten dat ik te verhalend was, niet abstract genoeg. De wens om een verhaal te vertellen zat er toen al in. Ik ben met schilderen misschien blijven hangen in het verbeelden van verwondering en ontzetting: hoe is het allemaal mogelijk op deze aardbol? Wat doen mensen elkaar aan? Maar als schilder kun je een verhaal niet laten lopen, daar had ik woorden voor nodig.
Ik denk dat ik heel eigen ben in mijn beeldtaal, maar ik vind mijn schrijftalent groter. Schrijven en schilderen liggen niet z¢ ver uit elkaar - het verschil zit ’m in de tijd. Een schilderij overzie je in ÇÇn keer, een verhaal ontrolt zich in de tijd. Ik ben ook begonnen met verhalen van ÇÇn bladzijde, die je bijna in een oogopslag leest. Het inbrengen van de tijd, dat heeft tijd gekost.
Als ik niet had geschilderd, had ik anders geschreven. Al was het maar vanwege de zorgvuldigheid. Ook dat heb ik van Jan Sierhuis geleerd. Hij liet me schilderijen zien en legde uit dat een klein hoekje rechtsonder net zo belangrijk is als datgene waar direct het oog op valt en wat jij als hoofdzaak ziet. Die manier van kijken en werken, die aandacht voor het detail, heeft me zeker beãnvloed.’
'HET SCHRIJVEN is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Ik was een jaar of negen toen ik wist dat ik schrijver wilde worden. Dat heb ik ooit toevertrouwd aan een student sociologie, die op mijn lagere school een onderzoekje deed. Vervolgens heb ik me daar ontzettend over geschaamd: ik had mijn geheim prijsgegeven! Later is dat idee van schrijver willen worden op de achtergrond geraakt. Op alle scholen zat ik alleen maar te tekenen.
Ik heb altijd gedacht van mezelf: ik kan alles een beetje - aardig cello spelen, mooi tekenen, een redelijk opstel schrijven, maar ik ben nergens ontzettend goed in. Nog steeds ben ik onzeker, maar sinds ik schrijf, gaat het beter. Ook omdat ik als schrijver veel meer professionele erkenning heb gekregen.’
'IK KEN GEEN regelmaat. Eigenlijk ben ik heel chaotisch en ongedisciplineerd. Bovendien heb ik een druk leven, ik kan alleen schrijven in de kiertjes die de tijd me laat. Maar als ik te lang niet kan werken, raak ik ontwricht en word ik ziek. Dan denk ik: dat komt goed uit! Want het zit niet in mijn aard om tegen mijn moeder, mijn vrienden en mijn kinderen te zeggen: nou, over een half jaar heb ik weer tijd voor jullie. Ik ben ook met hart en ziel moeder! Als de kinderen ziek zijn, wil ik ze onmiddellijk soep gaan brengen. Dat lijkt me op dat moment nuttiger dan een boek schrijven. Wie zit daar nou op te wachten!
Ik schrijf ook niet zulke vrolijke boeken dat ik daar de hele dag onafgebroken mee bezig wil zijn. En ik heb geleerd erop te vertrouwen dat zo'n boek, ook als ik er niet actief mee bezig ben, toch rijpt. Want onbewust ben ik voortdurend op zoek. Ik herinner me de eerste keer dat ik me dat bewust werd. Ik was aan het schilderen en draaide muziek van Josquin des PrÇs. Ik hoorde die stemmen zoeken naar ultieme harmonie. Hoe ze, terwijl ze wisten dat ze die nooit zouden vinden, toch door bleven zoeken. Dat was voor mij het antwoord op een vraag waarmee ik rondliep. Vanaf dat moment durf ik te vertrouwen op mijn associatieve manier van leven. Iemand zegt iets terloops, ik lees iets, en ik kan weer verder. Ik heb wel heel veel rust nodig, uren van niks, avonden van niks. Om de woorden te laten komen.
In Tweede vader wilde ik schrijven over het loyaliteitsconflict van een kind dat een stiefvader krijgt en niet van hem durft te houden, omdat hij denkt dat hij dan ontrouw is aan zijn eigen vader. Op een gegeven wist ik de eerste zin: “Een man wordt verliefd op een vrouw die Salka heet.” Als zo'n begin er eenmaal is, gaat het vanzelf verder. Dat wil zeggen: ik schrijf, maar dan moet ik even iets anders doen, even niks aan m'n hoofd hebben, niet met mensen praten, stilte om me heen. Dan komt het.
Het verhaal van Erwin in Zomersonate is ontstaan doordat ik erg bezig was met de afhankelijkheid van kinderen van hun ouders. Met hun eenzaamheid en hun loyaliteit ondanks alles. Dat boek is goed ontvangen en staat nu op de longlist van Libris. Maar zo'n vervelende kritiek als in Het Parool is voor mij meteen aanleiding om te denken: ik kan het niet, ik houd ermee op. Terwijl ik diep vanbinnen weet dat het een goed boek is.
Je levert als schrijver een product af, en geeft het daarmee uit handen. Als ik een tentoonstelling had, stierf ik ook duizend doden en had ik het idee dat ik naakt aan de muur hing, maar als iemand een boek van mij niet mooi vindt, ben ik het zelf die niet mooi gevonden wordt. Het is niet een stukje van mij dat schrijft; ik ben het helemaal. Misschien nog meer dan in mijn schilderijen.’
'DE LAATSTE TIJD schrijf ik meer, al blijven tekenen en schilderen een behoefte. We waren onlangs in Veneti‰, daar heb ik in plaats van foto’s tekeningen gemaakt. Terwijl ik zit te tekenen, kan ik naar muziek luisteren en gesprekken volgen. Als ik schrijf, moet er absolute stilte zijn - schrijven eist cerebraal meer van je.
Een boek is een veel langduriger proces. Je bent minder alleen, er is heel regelmatig contact met de redacteur van de uitgeverij. Hij is mijn klankbord. Ik begeef me, misschien uit onzekerheid, niet in de literaire wereld, althans zelden. Ik treed wel op voor de stichting Schrijver School en Samenleving, of ik neem deel aan een rondetafelgesprek, maar meestal ben ik in m'n eentje.
Als ik de keuze moest maken, zou ik altijd weer voor het schrijverschap kiezen. Omdat ik, zodra ik ging schrijven, een andere bron kon aanboren, een die nog dieper in mezelf stak. Mijn boeken zullen nooit de wereld veranderen, maar ik heb wel de hoop dat wat ik schrijf mensen aan het voelen zet.’