Hillbillies for ever

Chaos die chaos voortbrengt

2 november 2016 - Een aantal recente publicaties werpt licht op de wereld van de Amerikaanse blanke arbeidersklasse. Mensen die zich buitengesloten voelen en het succes van Trump verklaren.

Medium nyc140801

Een van de populairste Amerikaanse televisieseries van de jaren zestig was The Beverly Hillbillies. Een familie uit de Appalachen, de Clampetts, werd rijk doordat op hun terrein olie werd gevonden. De pick-uptruck werd opgeladen en pa, ma, de twee kinderen en granny verkasten naar Beverly Hills, Californië, in die jaren synoniem voor rijk. Ze installeerden zich in een groot huis maar bleven in denken en gedrag blanke tokkies. Alleen het decor was gewijzigd. Granny zat nu niet meer op de veranda in de schommelstoel met haar geweer op schoot, maar onder een klassiek ogend portaal. Een gladde bankier stond symbool voor de bank die hun geld graag accepteerde, maar de Clampetts minderwaardig volk vond. Vanzelfsprekend bleken de normen en waarden van deze sympathieke hillbillies echter en oprechter dan die van hun rijke omgeving.

Het zou bedoeld zijn als een satire, maar zo ervoer ik het niet en ik denk dat dit gold voor de meeste kijkers. Het was meer zo van: je kunt de arme blanken zonder manieren wel in een andere omgeving zetten, het blijven arme blanken zonder manieren. Het televisie-equivalent van de mooie Amerikaanse uitdrukking ‘je kunt lippenstift aanbrengen op een varken, het blijft een varken’. Klasse bestaat en is herkenbaar.

In de jaren zeventig zagen we het in de persoon van Billy Carter, de broer van de president. Hij maakte een act van zijn dagelijks leven dat bestond uit het rondrijden in een pick-uptruck met een sixpack bier naast zich en twee geweren achter zich, af en toe stoppend bij collega-rednecks to shoot the breeze. Ook Sarah Palin, de kandidaat voor het vice-presidentschap in 2008, zo weggeplukt uit de rimboe van Alaska, was een herkenbaar type. Wat de elite ook van haar mag zeggen, ze is en blijft populair. Dat komt doordat de blanke arbeidersklasse, steeds meer niet-werkend of in overlevingsmodus, haar herkent. Ook zij worden uitgemaakt voor rednecks, white trash, domme zuidelijke bijbelgooiers of, als ze vrouwen zijn, bimbo’s.

Behoor je tot deze groep, dan worden je waarden en normen voortdurend geschoffeerd. Je bent hopeloos achterlijk want tegen abortus, kerkelijk en trots op je heterohuwelijk. Je begrijpt Palin als ze het heeft over de onbedoelde zwangerschappen van haar dochter, de vriendjes/vaders die geen verantwoordelijkheid nemen of daarvoor te jong, te dom of te kansloos zijn. ‘Well, the cool thing van vertrouwen op je geloof in God’, zei Palin blijmoedig, ‘is dat hij een God is van tweede kansen en derde en vierde en vijfde kansen.’

Welkom in de wereld van de blanke arbeidersklasse. Een aantal recente boeken en onderzoeksverslagen werpt licht op deze tientallen miljoenen Amerikanen. Het is belangrijke informatie want zonder inzicht in wat hen beweegt, is het fenomeen Trump onverklaarbaar en zal elk herstel van een gemeenschapsgevoel in Amerika onmogelijk zijn. Dit zijn mensen die zich buitengesloten voelen, en ze zijn met zo velen dat ze niet genegeerd kunnen worden.

De rode draad tussen deze boeken vormt de onverwachte bestseller Hillbilly Elegy, waarin J.D. Vance vertelt hoe hij opgroeide in een disfunctionele hillbillyfamilie. Hij overleefde het net, werd marinier, kwam op Yale University terecht en werkt nu als jurist in San Francisco. Behalve innemend is dit boek ook uiterst instructief. Vance’s verhaal van een gerealiseerde American Dream maakt ook duidelijk waarom die voor weinig mensen is weggelegd.

Zijn grootouders en vele anderen trokken in de jaren vijftig en zestig weg uit de hollers, de doodlopende valleien van de Appalachen, naar industriestaten als Ohio, Indiana en Illinois. Ze creëerden daar hun eigen hillbillygemeenschappen, rommelig, luidruchtig, ongedisciplineerd, maar meestal met werk in een goed betalende industrie. Ze leefden de blue collar-droom tot eind jaren zeventig de industrie vertrok. Gepensioneerden, zinkende middenklassers en werklozen bleven achter in wijken die geleidelijk verloederden, al was het maar omdat, zoals in al dit soort getto’s, de meest initiatiefrijke mensen zich uit de voeten maakten.

Vance’s Middletown, Ohio, is typerend voor honderden Amerikaanse steden, niet alleen in de Rust Belt maar ook in het Westen en Californië. Begin jaren tachtig had Main Street nog winkels en restaurants die er al vijftig jaar zaten, bars waar de staalarbeiders een biertje haalden. Er was een kleine strip mall met een Kmart en een supermarkt met een familienaam. Er waren twee grotere malls aan de rand van de stad. Nu is het centrum dichtgetimmerd, de strip mall staat grotendeels leeg. Een van de grote malls is gesloten, de andere functioneert als wandelgebied voor bejaarden. Wat resteert zijn wisselende fast-foodketens. Het demoraliserende effect van verval in je leefomgeving is niet te onderschatten. De ellende is groot, de bitterheid haast tastbaar.

En zeker zichtbaar. Uit East Liverpool, Ohio, waar de laatste dertig jaar het aantal inwoners halveerde, komt een van de meest schokkende foto’s van dit jaar. Je ziet een auto met voorin een man en een vrouw, uitgeteld achterover hangend. Achterin zit een kind in een stoeltje. Het stel was aangehouden toen ze slingerend hun weg zochten, de vrouw was al buiten bewustzijn, de man volgde toen de auto stilstond. Ze hadden net heroïne gesnoven. In Ohio sterven per week 23 mensen aan heroïne en pijnstillers, gemiddeld acht mensen per dag nemen een overdosis.

Begin jaren tachtig veroorzaakte de crackepidemie enorme schade in de zwarte gemeenschap; nu zijn het blanken die lijden onder een drugsepidemie. Eerst alleen op het platteland en in kleine stadjes waar crystal meth tienduizenden levens vernietigde. De afgelopen jaren raakten miljoenen Amerikanen verslaafd aan pijnstillers en heroïne, een gigantisch probleem onder blanken in conservatieve staten als Texas, Oklahoma, Missouri en Indiana. Het drugsgebruik is een symptoom van de erosie in de wereld van blanke arbeiders en mijnwerkers die tot voor kort een middenklassenbestaan leidden. Ze zoeken verdoving.

Vandaar de schokkende onderzoekscijfers die tonen dat blanke Amerikanen van middelbare leeftijd, 45 tot 54 jaar oud, kampen met stijgende mortaliteit. Niet wegens hartkwalen en diabetes, maar door alcoholisme en overdoses heroïne en opiaten in pilvorm. De onderzoekers denken dat een pessimistische kijk van blanken op hun toekomst, financieel en anderszins, een deelverklaring vormt. Hun klachten over ‘chronische pijn’ waren enorm toegenomen: veel mensen claimden dat ze daarom niet konden werken.

Amerika was nooit een klassenloze maatschappij. In haar historisch onderbouwde White Trash maakt Nancy Isenberg korte metten met dat fabeltje. De Engelsen stuurden indertijd hun tuig naar Amerika. Veel Schots-Ierse immigranten die de Appalachen en het zuiden bevolkten waren notoire dwarsliggers. Klasse lag nooit zo vast als in Engeland, maar sociale klasse was altijd makkelijk herkenbaar. Politici weten dat. Ze maken gebaren naar deze achterban.

Wanneer precies ‘blanke-arbeider-kiezers’, het derde deel van het electoraat met maximaal high school, werd omgedoopt in lower middle class is niet duidelijk. In Sleeping Giant, haar hoopvolle maar niet altijd overtuigende betoog dat de arbeidende klasse zichzelf zal heruitvinden, noemt Tamara Draut het misleidend. ‘Ongeschoolde arbeiders’ vindt ze ook niets, ze weet uit ervaring hoeveel vaardigheid nodig is om in de horeca of andere diensten te werken. Ze heeft geen goed alternatief in terminologie.

Maar het is duidelijk over wie het gaat. Draut beschrijft de nieuwe wereld van deze arbeiders. Ze hebben werk, ze werken zelfs hard, bij Walmart, in restaurants en Starbucks, en worden meestal per uur betaald. Ze hebben geen voorzieningen en verdienen niets als ze vroeger naar huis gestuurd worden omdat er te weinig klanten zijn. Hun werkschema’s zijn onzeker, wat het moeilijk maakt een oppas of andere afspraken te regelen. Het uurloon van rond de negen dollar haalt je net boven de armoedegrens als je het hele jaar lang veertig uur per week kunt werken – wat veel mensen niet halen. Een van de meer positieve ontwikkelingen de laatste jaren is de beweging om het minimumloon naar vijftien dollar op te trekken.

Het drugsgebruik is een symptoom van de erosie in de wereld van blanke arbeiders en mijnwerkers

Dertig, veertig jaar geleden werkten deze mensen in staal- en autofabrieken, zoals de grootouders van J.D. Vance. Ze verdienden serieuze inkomens en hadden goede secundaire arbeidsvoorzieningen. In zijn mooie Stayin’ Alive vertelt Jefferson Cowie hoe deze trotse blue collar-identiteit in de loop van de jaren zeventig ontrafelde. Het waren vervelende banen, dat geven de arbeiders grif toe, maar ze boden een economische zekerheid die nu niet meer te vinden is. Met de industrie verdween de arbeiderssolidariteit, de gedupeerden trokken zich terug in tribale structuren, blanke getto’s. >

Ook de mensen die nog wel redelijk verdienen, laten we zeggen meer dan vijftigduizend dollar, zijn bang. Dat beschrijft Arlie Russell Hochschild in haar meerjarig onderzoek naar wat de Tea Party-activisten motiveerde, Strangers in Their Own Land. Velen komen uit een armoedig milieu, hebben zich weten op te werken, maar zijn onzeker over de toekomst. Hun Amerikaanse droom kan zomaar verloren gaan. Ze zien het om zich heen.

De wildste verklaringen doen de ronde, maar Hochschild stelt vast dat onder al die samenzweringstheorieën een deep story ligt, een verhaal over het leven zoals zij het voelen. Het gaat zo. Ze staan keurig in de rij voor de American Dream. Maar dan zien ze mensen voordringen: zwarten, Mexicanen, vrouwen, uitkeringstrekkers. En dan zien ze Obama die de voordringers verder naar voren helpt. Was hij zelf niet een voordringer toen hij naar Columbia en Harvard ging? Hun conclusie: dit is niet onze overheid. We hebben alles gedaan zoals het hoorde, ons aan de regels gehouden en nog steeds kachelen we achteruit. Ze zoeken schuldigen.

Ze voelen zich, zegt Hochschild, vreemdelingen in eigen land. Ze willen zich bevrijden van de progressieven die hun cultuur, hun geloof, hun opinies, hun liefde voor de confederale vlag belachelijk maken. Zich bevrijden van liberals die hun vragen compassie te hebben met de mensen achter in de rij. Ze voelen zich achtergesteld. Met een elite op zich hebben ze geen probleem. Ze kijken op naar succesvolle mensen, zeker in het zuiden waar plantagehouders vroeger die rol vervulden. Links vraagt hun boos te zijn op een graaicultuur, rechts om boos te zijn op de klaplopers. Dat laatste is veel aantrekkelijker. Het is altijd fijn om omlaag te kunnen trappen.

Wat extra irriteert is dat de problemen die vroeger exclusief bij zwarten hoorden nu ook bij blanken te vinden zijn. De werkloosheid, de verloedering van buurten en de drugsverslaving. De gezinsstructuur, volgens velen de sleutel tot problemen en oplossingen, die aan verval onderhevig is. Zo werd J.D. Vance gered door zijn grootmoeder. Zijn moeder viel in het patroon van disfunctioneel familieleven dat het potentieel van menig kind in de kiem smoort: kinderen van diverse vaders, wisselende partners, huiselijk geweld, een onstabiel gezinsleven, drugsverslaving en wegzakken in een moeras van maatschappelijk isolement. Kansloze kinderen als er niet iemand is die ze vasthoudt. Chaos die chaos voortbrengt.

Medium nyc140811

In 1965 publiceerde de socioloog en latere senator Daniel Patrick Moynihan een spraakmakend rapport over zwarte gezinnen. Hij waarschuwde voor het uiteenvallen van die gezinnen, gaf een sociologische analyse hoe dat kwam en riep op tot maatregelen. Hoon en kritiek waren zijn deel. Het leek alsof hij culturele factoren verantwoordelijk hield voor tienerzwangerschappen, echtscheidingen, onverantwoordelijke mannen, misdaad en drugsgebruik. En in zekere zin deed Moynihan dat ook, het was een perverse cultuur van weglopen voor verantwoordelijkheid die zwarte gemeenschappen in zijn greep had, gevoed door sociaal-economische achterstanden en een erfenis van discriminatie.

Nu spelen dezelfde problemen in de allerarmste blanke gebieden van Amerika, de Appalachen, de Rust Belt van het Midden Westen, de bossen van Maine, de trailerparken in Arizona en Californië. Dat betoogt de altijd provocerende socioloog Charles Murray in zijn boek Coming Apart. De gemeenschappen van blanke arbeiders, met hun bowlingbanen, vrijwilligerswerk, kerken en complete gezinnen zijn uiteengevallen. J.D. Vance mag een privé-verhaal vertellen, hij spreekt voor een grote blanke arbeidersklasse, zeker niet beperkt tot hillbillies.

Murray is een libertarian die niets moet hebben van overheidsbeleid, maar zijn Harvard-collega Robert Putnam komt in Our Kids tot dezelfde conclusie. Putnam, die in 2000 in zijn baanbrekende Bowling Alone een krachtig beeld gaf van het uiteenvallen van die traditionele gemeenschappen, ging voor dit recentere boek terug naar het stadje waar hij opgroeide, ook in het Midden Westen. In zijn tijd was het een mengvat van klassen, nu blijkt er sprake van tweedeling. Armere kinderen beginnen met een slechtere opleiding en komen daar nooit meer van los. Op allerlei manieren en niveaus stelde Putnam vast dat het sociaal kapitaal van Amerika sterk was afgenomen, dat veel mensen gevangen zaten in een spiraal van achteruitgang. En dat de winners en de losers weinig met elkaar te maken hadden. Murray wijt het aan het verdwijnen van traditionele normen en waarden sinds de jaren zestig. Daar kun je over twisten. Uiteindelijk viel het zwarte gezin al voor die tijd uiteen. Je zou het eerder verlies van moraal kunnen noemen, verlies van toekomstperspectief, van hoop. Als er geen behoorlijk betaald werk meer is, als ontslagen arbeiders het niet over hun hart kunnen krijgen te werken voor een schijntje en thuis blijven hangen of hun pijn met pijnstillers wegwerken, als vijftigers verloren zijn in isolement, is dat dan een verlies van waarden?

Een van de raadselen die de grote blanke arbeidersgroep omringen is hun voorkeur voor de Republikeinen. Vance geeft een begin van een antwoord, dat wordt versterkt door wat Hochschild aantrof. Als tiener werkte Vance in de lokale supermarkt. Geleidelijk ging hij de afkeer delen van zijn omgeving voor de blanken die in dezelfde situatie zaten als zij maar die niet werkten, hun food stamps creatief gebruikten voor drank en drugs, toegewezen huurwoningen in no time verkrotten, kinderen verwaarloosden met als voorspelbaar gevolg tienerzwangerschappen en een volgende generatie die de armoedefakkel overnam.

Vance zoekt de keuze voor de Republikeinen niet in het einde van de segregatie, noch in het evangelische geloof of sociaal conservatisme. Hij gelooft dat de blanke arbeiders zich afkeerden van de Democraten omdat die mensen betaalden om niets te doen. Wij werken hard, zij lachen ons uit. Het ressentiment groeide. Vance valt niet in de valkuil de overheid de schuld te geven van de problemen – verre van dat – maar hij stelt wel vast dat de overheid ze niet kan oplossen. Het moet van binnenuit komen. Hij ergert zich groen en geel aan mensen uit zijn eigen gemeenschap, zoals de man die zijn baan kwijtraakte omdat hij nooit op tijd op zijn werk kwam en toen op Facebook klaagde dat het de Obama-economie was die hem werkloos maakte. ‘Als mensen me vragen wat ik het liefst zou veranderen aan de blanke arbeidersklasse’, schrijft Vance, dan is mijn antwoord: ‘Het gevoel dat onze keuzes er niet toe doen.’

Vance en Hochschild zagen hoe Obama gewantrouwd werd, gezien werd als een verrader. Vance meent dat hier geen sprake was van racisme. Daarin overtuigt hij niet, maar zijn verhaal dat de president wordt ervaren als een totale vreemde, een alien, buitenaards, was wel een eye opener. Obama ging naar Ivy League-scholen, twee zelfs. Hij is briljant, rijk, spreekt keurig Engels, is hoogleraar geweest. Hij lijkt in geen enkel opzicht op de familieleden en buurtgenoten van Vance. Obama is Chicago, barst van het zelfvertrouwen ‘dat voortvloeit uit de wetenschap dat de moderne Amerikaanse meritocratie voor hem gemaakt is’.

Voor hen bewees Obama precies het omgekeerde: die meritocratie werkt niet voor hen want alle kaarten zijn gestoken tegen blanke laagopgeleide arbeiderskinderen en vóór iemand als Obama. Wij weten dat het niet goed met ons gaat, schrijft Vance, overschakelend op het ‘wij’ dat hij meestal gebruikt – hij verloochent zijn achtergrond niet. Obama confronteert ons met onze diepste onzekerheden. Hij is een goede vader, de meesten van ons zijn dat niet. Hij draagt een pak naar zijn werk, wij dragen overalls, als we al een baan hebben. Zijn vrouw vertelt ons dat we onze kinderen bepaald eten niet moeten geven en we haten haar, niet omdat ze het verkeerd heeft, maar omdat we weten dat ze gelijk heeft. Het liefst vluchten we in een samenzweringstheorie. We geloven geen enkele nieuwsorganisatie, luisteren alleen naar talk radio en kijken alleen naar Fox News. Het is, zegt Vance, een diep wantrouwen niet alleen tegen de overheid maar scepsis over de fundamentele instellingen van de samenleving, inclusief de media en de politiek als zodanig. Trump en ook Sanders vonden gemakkelijk gehoor met hun klacht dat het systeem corrupt is.

Vance, zelf een conservatief, verwijt de Republikeinse Partij dat ze met hun afkeer en zelfs haat voor de overheid mensen niets te bieden hebben. Het verhaal van rechts helpt niet, vindt hij. Het zegt dat het niet jouw fout is dat je een loser bent, maar dat het de schuld is van de overheid. Vance verwerpt het, maar het was gemakkelijk voor Trump om een cultuur van slachtofferschap aan te boren bij blanken, zoals Democraten dat hebben gedaan bij zwarten.

Obama draagt een pak naar zijn werk, wij dragen overalls, als we al een baan hebben

Zo langzamerhand ziet iedereen zichzelf als slachtoffer. De journalist Robert Hughes schreef er al in 1994 een scherp boek over, The Culture of Complaint. Amerikanen zijn zeurpieten. Dat is een omkering van het clichématige beeld dat we meestal hebben van Amerika, dat Amerikanen beter dan de rest van de wereld in staat zijn om de fouten bij zichzelf te zoeken, ressentiment te beteugelen en de mouwen op te stropen om zichzelf te verbeteren. Net als de Amerikaanse droom is dat een mythe. Niemand neemt verantwoordelijkheid. Iedereen krijgt de schuld.

Het is natuurlijk geen toeval dat Trump een arbeiderspet draagt, grof gebekt is en zijn vuist in de lucht pompt. Deze kiezers hebben geen voeling met de Republikeinse elite die nooit iets voor hen heeft gedaan. Ze zien in Trump iemand die eindelijk namens hen spreekt. Het is een wat andere analyse dan die van Thomas Frank in zijn beroemde boek What’s the Matter with Kansas, over de vraag waarom arbeiders in vredesnaam tegen hun belangen stemden, maar deze vind ik overtuigender dan Franks stelling dat ze met social issues als abortus, homohuwelijk en schoolgebed werden verleid. De onaangename werkelijkheid is dat blanke arbeiders de verzorgingsstaat haten. Ze hebben een hekel aan de armen, aan de undeserving poor. Weldenkende progressieven schuiven ongemakkelijk bij dat concept, maar voor blanken die wonen in wijken waar misbruikers geen statistiek zijn maar een dagelijkse werkelijkheid ligt dat anders. Democraten vechten voor food stamps, voor uitkeringen, voor ObamaCare, om arme gezinnen in het huis verderop te krijgen. Het verwarmt geen harten bij de arbeidersklasse.

Voorzieningen voor armen leveren hun niets op – behalve nog meer ellende in de buurt. Omdat ze nauwelijks belasting betalen kost het weinig, maar het zit hen dwars. Ze hebben het gevoel, onterecht maar diep gevoeld, dat ze nooit iets terugzien voor hun belasting. Zo geformuleerd is het een universeel probleem in de westerse wereld: kun je de armen helpen – de grote opdracht van progressieven – zonder dat je de steun van de net-niet-armen kwijtraakt? Republikeinen bieden lagere belastingen, in elk geval retorisch, maar vooral bieden ze steun voor een emotionele woede tegen een overheid die niets om hen lijkt te geven. Vance vertelt uit eigen ervaring wat Isenberg en Hochschild breder trekken. Dit zijn mensen die vinden dat ze selfmade zijn, maar ze vergeten dat hun ouders of grootouders aan armoede ontsnapt zijn met hulp van de overheid. ‘Nu ze zelf veilig zijn, willen ze de ladder optrekken’, concludeert Isenberg. Alleen zijn ze allesbehalve veilig.

Toen Vance op Yale werd toegelaten, sneerde een familielid dat hij zich waarschijnlijk had moeten voordoen als zwart of progressief. De werkelijkheid was dat Vance een genereuze beurs kreeg van Yale en dat, paradoxaal genoeg, juist de duurste scholen goedkoper zijn voor studenten uit een gezin met lage inkomens. Zijn grootste probleem was dat hij niet de sociale bagage had die bij die nieuwe omgeving hoorde, niet de ongeschreven codes kende: hoe je te gedragen tijdens een banket, wat het verschil is tussen chardonnay en sauvignon blanc. De wijsheid die hij ons voorhoudt is complex in al zijn eenvoud: meer dan door overheidsbeleid zouden hogere klassen de opwaartse mobiliteit bevorderen als ze hun harten en geest zouden openen voor nieuwkomers die er niet helemaal bij horen. De elite moet haar eigen tribale gedrag veranderen.

Vance vertelt tot in pijnlijke details hoe hij moest leren niet alles op te potten in zijn relatie, niet weg te lopen bij conflicten omdat hij maar twee werkwijzes had: vechten of weglopen. Uitpraten hoorde niet bij het repertoire. Zijn advies aan zijn eigen achterban van hillbillies in Ohio en Kentucky: stop met de schuld te geven aan Obama of Bush of de onzichtbare grote ondernemingen. Vraag liever wat je zelf kunt doen om je leven beter te maken. Deze elegie, deze melancholische klaagzang over zijn diepe loyaliteit met een verdoemde klasse die hij achterlaat, gaat over meer dan zijn privé-verhaal. Via Vance krijgen we een inkijkje in Amerika als klassensamenleving.

De Hillbillies die in Beverly Hills opdoken waren rijk geworden doordat ze per ongeluk olie vonden, niet doordat ze bijzonder hard werkten of slim genoeg waren om aan hun milieu te ontsnappen. Hun olie was het equivalent van het winnen van de loterij, de favoriete geldverspilling van lagere inkomens. Het is verleidelijk de altijd opscheppende Trump, de spreekwoordelijke haan die meent dat de zon opkomt omdat hij kraait, een super-hillbilly te noemen. Het is niet eerlijk tegenover mensen als J.D. Vance, maar als we willen begrijpen wat er in Amerika gebeurt en wat er nodig is om iets te veranderen, is het zo’n gek beeld nog niet.


J.D. Vance, Hillbilly Elegy: A Memoir of a Family and Culture in Crisis (2016)

Charles Murray, Coming Apart: The State of White America, 1960-2010 (2012)

Robert Putnam, Our Kids: The American Dream in Crisis (2015)

Tamara Draut, Sleeping Giant: How the New Working Class Will Transform America (2016)

Arlie Russell Hochschild, Strangers in Their Own Land: Anger and Mourning on the American Right (2016)

Carol Anderson, White Rage: The Unspoken Truth of Our Racial Divide (2016)

Nancy Isenberg, White Trash: The 400-year Untold History of Class in America (2016)

Jefferson Cowie. Stayin’ Alive: The 1970’s and the Last Days of the Working Class (2010)

David Maraniss, Once in a Great City: A Detroit Story (2015)


Beeld: (1) J.D. Vance schrij dat de blanke arbeiders zich afkeerden van de Democraten omdat die mensen betaalden om niets te doen (Jim Goldberg / Magnum / HH); (2) Het uurloon van rond de negen dollar haalt je net boven de armoedegrens als je het hele jaar lang veertig uur per week kunt werken (Jim Goldberg / Magnum / HH)