Iraaks dagboek deel 4

Chaos en schijnveiligheid

Arabiste Kunera Korthals Altes is in de zuidelijke Iraakse provincie An Najaf, dat grenst aan het operatiegebied van de
Nederlandse mariniers, waar ze werkt voor de Amerikaanse hulporganisatie IRC. Voor De Groene Amsterdammer houdt zij een dagboek bij over haar contact met de bevolking (delen 1, 2 en 3 verschenen in de nummers 33, 34 en 35).

In de voorbije weken maakte ze onder meer mee dat Zaynab, een van haar Iraakse collega’s, werd vermoord en ondervond ze hoe de toenemende onrust in Irak wordt gevoed door het grote aantal criminelen dat vlak voor de oorlog door Saddam werd vrijgelaten.

Begin Augustus

Er worden veiligheidsmaatregelen getroffen. Om geen gemakkelijk doelwit te zijn, moeten de medewerkers van IRC in lokale auto’s rijden. Ik moet voorin: als gesluierde vrouw zou ik minder opvallen. We krijgen pech op een weg waar de VN en andere internationale organisaties niet reizen vanwege schietincidenten. We hebben geen radio of andere communicatiemogelijkheden in de auto, alleen de satelliet telefoon waarvoor je moet uitstappen en stilstaan — wat niet volstaat in geval van nood.

Maar we reizen door. Zijn we dan zo onmisbaar? vraag ik me af. Intussen horen we geruchten dat een granaat in de tuin van een Franse hulporganisatie in Bagdad is gegooid en dat in El-Koet een Amerikaanse organisatie hetzelfde overkwam. Beide organisaties hebben hun internationale medewerkers geëvacueerd.

19 augustus

De aanslag op de Verenigde Naties. Meer dan twintig doden. Het nieuws komt langzaam binnen want ik heb geen internettoegang. Dan hoor ik dat het een zelfmoordaanslag was. ’s Avonds eet ik met Andrew, een medewerker van een andere hulporganisatie, in een restaurant waar veel VN-personeel komt. Samen volgen we het nieuws op de BBC.

Sergio de Mello, hun baas, is dood. Stilte en onbegrip alom. Waarom de VN? We zijn een makkelijk doel, dat is zeker, maar het VN-gebouw opblazen? Namen van doden horen we niet. De verloofde van mijn baas heeft de aanslag overleefd. Ze deelde een kamer met zes collega’s. Twee zijn dood, twee waren buiten, zij en een ander zijn gewond. Mijn baas verlaat Irak met haar en komt niet meer terug.

Donderdag bereikt het nieuws me dat een andere hulpverlener is vermoord. Jill, 45 jaar, een fantastisch, sterk mens die de situatie van kinderen aan de kaak stelde. Ze voelde de Amerikanen aan de tand over alle kinderen die zijn opgepakt vanwege vermeend wapenbezit, wier families vaak niet weten waar ze zijn en waarom ze daar zijn. Jill wist niet wat ze na Irak zou gaan doen; ze was ongetrouwd en had genoeg van alle ellende die ze in de vijftien jaar kinderbescherming had gezien. Ze wilde een bar openen in Fiji op het strand, waar haar vrienden en familie langs konden komen als ze rust nodig hadden.

Ik weiger te accepteren dat dit gebeurt. In zes weken twee sterke vrouwen vermoord. Voor wat? Zaynab in naam van de traditie om haar «haram» gedrag. Jill in naam van een gevecht tegen de bezetter. Waarom heb ik gekozen om in dit gedeelte van de wereld te werken? Zo veel geweld in naam van een religie die naar mijn idee vredig is. Ik weiger het te accepteren maar weet niet wat te doen met mijn onmacht. Doorgaan met werken?

Blanco staar ik naar het computerscherm. Ik moet projectvoorstellen schrijven voor regio’s waar de veiligheid miniem is. Moet ik die dan ook gaan opzetten? Andrew zegt dat hij terug naar Engeland gaat als ik nog een stap in Bagdad zet.

24 Augustus

Een bom gaat af in Najaf, bedoeld voor Mohammed Saeed al-Hakim, een van de mildere sji’itische geestelijken, afkomstig uit de zeer gerespecteerde en aan de profeet Mohammed verwante Al-Hakim-familie. Hij behoort tot de sji’itische Hawza (het overkoepelend orgaan voor sji’itische organisaties) die kritisch staan ten opzichte van de Amerikaanse troepen, maar hun aanwezigheid in Irak wel accepteren. De geestelijke is gewond, maar heeft de aanslag overleefd. Drie van zijn bodyguards sterven.

Onze operations manager, Mohammed, geeft de Amerikanen de schuld: «De Amerikanen werken samen met de soennitische Irakezen en willen niet dat de sji’itische te machtig worden en het staatsmodel van Iran volgen.» Andere geven Muqtada al-Sadr de schuld, een radicale sji’itische figuur die weigert samen te werken met de Amerikanen en van Irak een islamitische staat wil maken.

Met Sayyid zit ik in de auto. Hij is onze computerexpert, erg religieus, en laat niet na anderen te wijzen op hun haram gedrag. Wanneer onze chauffeur Haydar de radio afstemt op een Arabische versie van Radio 3, begint Sayyid hard te protesteren: «Haram, haram, subhana allah!» (Zonde zonde, God verbiede het!) Haydar zet boos de radio uit. Ik vraag Sayyid naar zijn mening over de aanslag. Hij verdenkt óf resten van het oude regime óf de Amerikanen. «Sji’ieten doden niet; wij volgen de koran», zegt hij.

Als ik de moord op Zaynab noem, zegt hij dat de moordenaars geen echte sji’ieten zijn. Dan vraag ik hem naar de moord op de geestelijke Abdul Majid al-Khoei, die door de Britse regering vanuit Londen naar Najaf werd gebracht en aldaar binnen een week werd vermoord. Khoei richtte in Londen het Khoei Centrum op, een centrum waar devote maar liberale sji’ieten samenkwamen. Khoei komt uit een familie van religieuze leiders en genoot ook daardoor (en door zijn eigen juridische kennis) respect. Maar niet het respect van Sayyid: «Khoei was een slechte jongen, hij gedroeg zich ‹onethisch› — een term die ik in Najaf meermalen per dag hoor — en daarom heeft zijn vader Khoei toentertijd naar Londen gestuurd.» Dus zijn dood wordt niet betreurd. Geen kans om zijn leven te beteren; eens een slechte jongen, altijd een slechte jongen. Muqtada el-Sadrs brigade wordt verdacht van de moord op Khoei.

Intussen hebben de Abu Hafs al-Masri Brigades, die opereren onder de vleugels van al-Qaeda, de verantwoordelijkheid opgeëist voor de bomaanslag op de VN. In een persverklaring geven zij als reden dat de VN tegen de islam zijn, dat zij een tak van het US State Department zijn, dat zij gijzelaar zijn van Bush’ gang en de zionisten. Dus inderdaad, in naam van de islam worden de Verenigde Naties opgeblazen.

Wat is het volgende doel? vraag ik me af. Ik ben veilig in Najaf volgens onze veiligheids adviseur. Andrew is razend. Veel organisaties evacueren hun internationale medewerkers uit Bagdad en het zuiden. Volgens onder meer de BBC is dit een politieke stap om de Amerikanen onder druk te zetten meer macht over te dragen aan de VN en andere staten.

Veel organisaties hebben hun internationale medewerkers nu geëvacueerd naar Amman, waar ze vanuit hotelkamers programma’s en strategieën uitdenken terwijl de situatie in Irak intussen escaleert. Enerzijds is met de bomaanslag hard bewezen hoe afhankelijk zij, inclusief de VN, zijn van de bescherming van de VS. Anderzijds heeft de coalitie de internationale hulporganisaties hard nodig om de lokale bevolking te bewijzen dat onder hun tijdelijke administratie het leven van de gewone Irakees zal verbeteren.

Maar niets is minder waar voor de gewone Irakees: het water is nog steeds niet drinkbaar, de elektriciteit hapert in de meeste delen van het land en de veiligheid is miniem. Ja, er is nu vrijheid van meningsuiting, maar wat kun je doen met vrijheid wanneer je de middelen niet hebt om er iets mee te doen? Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral; mijn gevoel zegt me dat dit hier bewezen wordt.

Irakezen horen dagelijks over meer geweld in hun land: bommen gaan af, etnische spanningen (al eeuwen oud) worden uitgevochten en krijgen onproportioneel veel aandacht in de pers, al-Qaeda schijnt operatief te zijn in Irak, de machtsstrijd binnen de sji’itische Hawza gaat door. Een angstig persoon is «more likely to shoot» dan een zeker persoon.

29 augustus

Weer een bomaanslag op een tweede lid van deze zeer gerespecteerde Al-Hakim familie. Ditmaal succesvol en wel op de belangrijkste sji’itische leider Sayed Mohamad Baqir al-Hakim. Baqir al-Hakim, die elke vrijdag predikt in de Imam Ali Moskee in Najaf, wordt gezien als een van de meest leidinggevende figuren binnen de sji’itische gemeenschap. Hij verbleef twintig jaar in Iran en werd ondersteund door het regime in Teheran. Hij was hoofd van de Supreme Council for Islamic Revolution in Iraq, maar was ook lid van de Iraqi Democratic Council, de verenigde Irakese oppositie «in exile».

Tot ieders grote verbazing besloot hij, weliswaar met kritiek maar toch, net als zijn verre neef de Amerikanen in Irak te accepteren. In zijn preken had hij het vaak over een democratisch Irak, het islamitische rechtssysteem en vrede en tolerantie voor andere religies. Hij beweerde geen islamitische staat zoals in Iran te willen opzetten in Irak. Met hem stierven tachtig anderen.

Het is een chaos in Najaf. Het schijnt dat al onze medewerkers veilig zijn, maar het is moeilijk dit bevestigd te krijgen. Sinds de oorlog werken telefoons niet. Wij, internationale medewerkers, blijven binnen en wachten 24 uur om te zien hoe de situatie zich ontwikkelt. We zijn daardoor afhankelijk van de televisie en internet voor informatie.

Duizenden mensen komen maandag en dinsdag naar Najaf voor de begrafenis van ayatollah Baqir al-Hakim; een massale manifestatie zou gemakkelijk kunnen omslaan in geweld tegen internationale aanwezigheid hier. Alhoewel ik bang ben, ben ik vooral boos. Boos op de verantwoordelijken voor deze aanslag. Wat blijft er op dit moment over van de toekomst van Irak? Voor de sji’itische Irakezen is er weinig meer over van de hoop van vlak na de oorlog. Hun politieke hoop was gevestigd op Baqir el-Hakim.

Terwijl al onze medewerkers in rouw zijn en Hakims Badr Brigade (de militaire vleugel van de International Council for the Islamic Revolution in Iraq) op Baath-restanten jaagt, kijken wij binnen naar een Arabische versie van MTV, wachtend tot de situatie rustiger wordt. «Habibi, habibi» («Liefje, liefje») galmt het uit de tv. Najaf lijkt ver weg van de Arabische wereld van muziek en vermaak.

(wordt vervolgd)