Chaos heerst

De Stephen Hawking-film The Theory of Everything is oogstrelend genoeg. Zachte focus, dansen met vuurwerk op de achtergrond, mooie mensen. Maar het werk dringt niet helemaal door tot het karakter van de beroemde Cambridge-wetenschapper die ontdekkingen deed over singulariteiten en zwarte gaten en hun relatie tot de oerknal.

Medium film

Vanaf het moment dat hij niet meer kan praten vanwege de slopende spierziekte als is het alsof hij uit het verhaal verdwijnt. De focus van de vertelling verschuift naar zijn echtgenote Jane Wilde en haar relatie met de muziekleraar Jonathan Hellyer Jones. Zo krijgt The Theory of Everything trekken van een melodrama over mores in het huwelijk, terwijl de man zelf – vol humor en dwarse neigingen zoals een levenslange obsessie met Star Trek – toch interessanter is.

Iets dergelijks is aan de hand met de regisseur van de film, James Marsh. Hij maakte eerder het uitstekende Man on Wire (2008), een documentaire over een man die in de jaren zeventig een uur lang illegaal tussen de Twin Towers koorddanste, en Shadow Dancer (2012), over een Ierse vrouw die tijdens de troubles tegen wil en dank een informant van de Britse geheime dienst wordt. Marsh’s vermogen kernachtig te vertellen aan de hand van emotioneel geladen beelden gaat in The Theory verloren in het al te evidente drama van een man wiens geliefde een ander heeft.

Het eerste deel van de film is het meest bevredigende: de jonge Stephen (Eddie Redmayne) op de universiteit, een klungelige student die niet erg goed is in sporten, maar toch meedoet met het roeien als pasaangever en met croquet waarin hij tamelijk goed is. In wiskunde verveelt hij zich. Hij luistert liever naar Wagner terwijl hij schaakproblemen oplost. Als hij dan toch aan zijn huiswerk gaat, dan heeft hij ongeveer een half uur nodig voor tien ingewikkelde wiskundevragen. Hij wordt verliefd op Jane (Felicity Jones), een beeldschone jonge vrouw met een onwrikbaar geloof in God. Van meet af aan is het Stephen duidelijk: als wiskundige is het voor hem niet mogelijk in een ‘bovennatuurlijke schepper’ te geloven.

Dan brengt een arts het nieuws dat Stephen nog maar twee jaar te leven heeft. Jane blijft bij hem, ze zegt: ‘Ik hou van jou.’ Stephens reactie is schitterend, hij zegt: ‘Dat is een foute conclusie.’ Zijn constatering bevat een universele waarheid. De vraag rijst: áls wetenschappelijke waarheden het menselijk bestaan dicteren, is er dan nog ruimte voor het ondoorgrondelijke, voor het mysterie van gevoel in de vorm van de romantische liefde of de liefde van een ouder voor zijn kind? Later, wanneer Stephen in Amerika is voor het promoten van zijn boek A Brief History of Time, schemert er verandering bij hem door, geïllustreerd door zijn uitspraak dat er ‘altijd hoop is zolang er leven is’. De wetenschapper houdt dus rekening met het ‘bovennatuurlijke’, maar tegelijkertijd is dit ontwijkende idee gesitueerd in de mens zelf. Terug bij af. Ook voor Jane, die God aanbidt.

Hawking heeft geen universele theorie ontwikkeld waarmee ‘alles’ te verklaren valt – daar werkt hij nog altijd aan – maar in The Theory of Everything is zo’n theorie er wél. Ik vermoed dat deze stelligheid de film fataal wordt. Er is sprake van een cirkelbeweging, een terugkerend motief, verwijzend naar Hawkings denkbeelden over het universum. En dat is nét te netjes en afgerond, zoals overigens gebruikelijk is in een goed melodrama, terwijl chaos, toeval, juist bepalend is, zelfs in deze fictieve voorstelling van het leven van Stephen Hawking.


Te zien vanaf 15 januari


Beeld: The Theory of Everything, Eddie Redmayne als Stephen Hawking (Universal Pictures International Netherlands)