INTERVIEW: Henk te Velde

Chaos in de VVD: een repeterende breuk

Deze maand hield historicus Henk te Velde zijn oratie bij het aanvaarden van de vermaarde leerstoel Vaderlandse Geschiedenis aan de Leidse universiteit. Een gesprek over de aloude liberale worsteling met het nationalisme, de politieke stijl van «volkstribuun» Verdonk en de hernieuwde strijd om de Grondwet.

Hij voelt zich in het contact met de televisie wel eens een beetje een dr. Clavan, de door Van Kooten en De Bie opgevoerde Oost-Europa-deskundige. «Dan denk je: ik zit hier enkel omdat ze iemand nodig hebben met een bepaalde positie. Ze weten al precies wat ik moet gaan zeggen.» Dat is geen reden voor historicus Henk te Velde (46) om de media te mijden. Hij beschouwt het wel als de opdracht van historici om niet te gemakkelijk mee te gaan in de vraag van het brede publiek. Dat ziet volgens Te Velde het liefst het heden verklaard vanuit het verleden, met heldere lijnen en verbanden «en dan het liefst met een mooie boodschap erbij voor de toekomst». Henk te Velde: «Ik vind het spannender om het verleden te problematiseren. Het is de taak van historici om het publiek te prikkelen. Dat is een lastige boodschap, want vaak willen mensen liever horen dat Nederlanders altijd al zo en zo zijn geweest.»

Het is een opvallende overtuiging voor iemand die sinds een klein jaar de Leidse leerstoel Vaderlandse Geschiedenis bekleedt, de plek waar illustere liberaal-nationalistische historici als Fruin en Blok hem voorgingen. Maar Te Veldes weerstand tegen «afgeronde», vaderlandse geschiedschrijving waarbij het «toen» wordt gereduceerd tot een voor het «nu» relevante voorgeschiedenis, klinkt in zijn hele werk door. Dat begon al met zijn dissertatie, over liberalisme en nationalisme in de negentiende eeuw. Het is het verhaal van een hevig verontruste liberale elite die het idee van een nationale gemeenschap omarmt als middel tegen de overal door haar waargenomen verdeeldheid, polarisatie en een gebrek aan gemeenschapszin en plichtsbesef. Te Velde: «Liberalen dachten dat het liberalisme een algemene, moderne levenshouding was die eigenlijk voor iedereen zou moeten gelden. Behalve dan voor de mensen die nog niet hadden begrepen dat het die kant uitging. Op het moment dat er ineens allerlei groepen – antirevolutionairen, socialisten – opkomen die vinden dat de geschiedenis een andere kant op moet gaan, komt dat denken onder druk te staan.»

Het liberalisme verloor zijn dominantie vanaf 1870. Het probleem van de eenheid van de natie kwam vanaf dat moment in het centrum van de belangstelling te staan. Te Velde: «De natie versplintert, dat was het gevoel van de liberale elite. Ik heb in mijn boek een aantal terreinen onderzocht waarop die elite vervolgens probeerde toch iets van nationale eenheid tot stand te brengen of te behouden. Een voorbeeld daarvan is het aan het eind van de negentiende eeuw opkomende orangisme. Dat was niet alleen folklore, maar had ook een duidelijke politieke lading. De monarchie werd niet alleen door orthodoxe protestanten gedragen, maar vooral door een conservatieve, liberale groep die haar gebruikte als een middel om de maatschappij bij elkaar te houden. Koninginnedag is een uitvinding uit die tijd.» Een ander voorbeeld is de vurige solidariteit met de strijd van de Boeren in Zuid-Afrika; echte mannen die nog niet verweekt waren door de moderne maatschappij. Te Velde: «Liberalen hoopten dat de Boeren een inspiratiebron voor Nederland zouden zijn. Zij hadden nog iets puurs, waren onaangetast door de decadente cultuur die in Europa had toegeslagen.» Die solidariteit met «stamgenoten» betekende wel een breuk met de liberale traditie van geestelijke verlichting boven fysieke kracht, van ratio boven exclusief romantisch-nationalistisch denken.

De nieuwe situatie leidde tot spanningen en verdeeldheid binnen het liberale kamp. Oud-liberalen wilden vasthouden aan het klassieke, Thorbeckiaanse idee van een beperkte staat. Jong-liberalen zetten in op burgerschap, uitbreiding van het kiesrecht, sociale wetgeving en onderwijs. Beide groepen zagen het belang in van een nationalistisch, moreel offensief om de boel bij elkaar te houden, maar ze verschilden van mening over vooral de rol van de staat daarin. En alle liberalen worstelden met de juiste verhouding tussen liberalisme en nationalisme. Waar hielden liberalen op liberaal te zijn? Een lastige kwestie, vindt Te Velde, want wat is liberalisme? «Het is moeilijk te bepalen waar die grens wordt overschreden. Neem nu de stroming van de vrijliberalen. Die naam geeft trouwens al een beetje het probleem aan: liberalisme gaat over vrijheid. Als je dat er nog aan toe moet voegen, is er blijkbaar al iets misgegaan. Binnen die stroming had je mensen die geleidelijk aan in de Christelijk Historische Unie belandden, omdat ze de morele dimensie zo belangrijk vonden dat ze ook steeds meer het religieuze lieten prevaleren. En je had er die afhaakten op het moment dat ook de conservatieve liberalen het algemeen kiesrecht accepteerden. Zij dreven af in antidemocratische zin.» Sommigen belandden zelfs in fascistisch vaarwater. «Die pleitten voor een autoritaire staat. Dat is ook iets waarvan je je kunt afvragen wat daar nog liberaal aan is.»

Verrassend actuele kwesties zijn het, vindt Te Velde: «Je kunt je telkens opnieuw afvragen vanaf welk moment iemand niet meer liberaal is.» Neem nu de controverse tussen Ayaan Hirsi Ali en Wiegel: «Daarin komen denk ik twee vormen van liberalisme naar voren. Hirsi Ali is een soort jakobijnse liberaal. Niet in de zin van revolutionair, maar wel iemand die mensen wil sturen en opvoeden tot verlichte wezens. De gedachte van het jakobijnse liberalisme is toch van: wij hebben de waarheid in pacht, mensen zien het nog niet, maar dat moeten we alleen even duidelijk maken. Daartegenover staat de gedachte dat liberalisme vrijheid propageert, in de zin dat je mensen de ruimte laat om datgene te doen wat ze zelf willen, zonder jouw overtuiging op te leggen.»

Van de jakobijnse variant à la Hirsi Ali en Verdonk zijn weinig voorbeelden te vinden in de Nederlandse geschiedenis. Beiden verschenen op een opvallend moment op het politieke toneel. Met de aanslagen van 11 september is een periode afgesloten waarin het liberalisme net als in de negentiende eeuw hegemoniaal was. En net als in die tijd werd na de aanslagen ineens een complete bevolkingsgroep zichtbaar die niets moet hebben van de liberale waarden. Worstelt het Nederlandse liberalisme opnieuw met de vraag hoe deze verdeeldheid bestreden moet worden? Kampt het opnieuw met een identiteitscrisis?

Te Velde: «Daar zit wat in ja. Zo zien de betrokkenen het zelf waarschijnlijk, als een crisis van de liberale maatschappij. Volgens hen zitten we in een apocalyptische situatie waarin het licht tegenover de duisternis staat en heel hard verdedigd moet worden wil het niet ten onder gaan. De vraag is natuurlijk of die reactie het kwaad niet verergert. Beveiliging van de Tweede Kamer bijvoorbeeld leidt tot de paradoxale situatie dat je een open democratie verdedigt door van het parlement een fort te maken.»

In die nieuwe situatie van een wereld op drift en oude zekerheden die onder vuur liggen, klinkt ook de roep om nieuw, stevig leiderschap steeds luider. Politiek leiderschap, als onderdeel van de politieke cultuur in het algemeen, is opnieuw een hot item. Toch was het toeval dat uitgerekend rond de opkomst van Fortuyn een boek over stijlen van leiderschap van de hand van Te Velde verscheen: «Op dat idee was ik veel eerder gekomen. Kijken naar de personen die ons het eerst te binnen schieten als we aan het politieke verleden denken, is een manier om het verhaal van de ontwikkeling van de politiek in Nederland opnieuw, op een toegankelijke manier te vertellen. Het ging mij dus eerder om die leiders als exponenten van het politieke leven, dan om leiderschap als zodanig.» Wat blijkt? De prominente rol van personen en leiders in de politiek is helemaal niet iets van de laatste tijd, zoals vaak wordt beweerd. «Het is in het verleden altijd al zo geweest dat personen het gezicht van de politiek bepaalden. Daarbij wilde ik niet de continue lijnen laten zien van bijvoorbeeld de antirevolutionaire stroming, maar eerder de tijdgebonden vormen van politiek. Het leiderschap van Drees in de jaren vijftig was heel anders dan dat van Den Uyl in de jaren zeventig, terwijl ze toch van dezelfde partij waren.»

Het boek houdt op bij Den Uyl, met een voorzichtige vooruitblik op de periode-Lubbers/Kok. De opkomst van Fortuyn maakte een einde aan dat tijdperk, weet Te Velde nu: «Kok en Lubbers waren saai. Dat wilden ze ook zijn. Lubbers heeft zelf gezegd dat de politiek onder hem saaier is geworden. Het ging om deëscalatie. De dingen moesten gewoon geregeld worden. Fortuyn daarentegen was een type charismatisch leider in de sterke zin van het woord, zoals Kuyper of Troelstra. Mensen die als het ware een religieuze band met hun achterban hadden. Niet de priester, maar de profeet; dat is de tegenstelling die Max Weber maakt, waarbij de priester degene is die de gevestigde kerk vertegenwoordigt en de profeet de revolutionaire kracht is die de boel openbreekt. Bij Kuyper en Troelstra werd dat gecombineerd met het ontstaan van politieke partijen; Fortuyn staat juist aan het einde daarvan.»

In plaats van als het archetype van de nieuwe leider ziet Te Velde Fortuyn eerder als een moment: «Al gaat het er in de politiek wel om dat dingen eerst denkbaar moeten worden gemaakt. Daarna kunnen ze telkens opnieuw worden geprobeerd. Voor 2002 dacht vrijwel niemand dat iemand als Pim Fortuyn in Nederland kans van slagen zou hebben. Opeens blijkt dat wel mogelijk. En dan zie je dat er daarna voortdurend mensen zijn die denken dat als het één keer kan, het ook een tweede keer moet lukken. Tot Verdonk aan toe, die probeert binnen te komen via de buitenwereld. Fortuyn heeft dus zeker effect gehad, maar meer op de politieke agenda dan op de stijl van politiek bedrijven, de marges uitgezonderd.»

En Balkenende? «Die is mede interessant omdat hij bij de afwikkeling van het moment-Fortuyn hoort. Balkenende symboliseert in zekere zin de huidige tijd, waarin er geen krachtige leiders zijn maar er wel een voortdurende roep is om krachtig leiderschap. De vraag is wat je daar eigenlijk mee moet. Die krachtige leiders moeten volgens de publieke opinie twee dingen doen: een heldere koers uitzetten én luisteren naar de kiezer. Het valt niet mee om dat met elkaar te combineren. Zeker niet in een situatie waarin er geen vanzelfsprekende band meer is tussen een politicus en een achterban, zoals tijdens de verzuiling.»

Ook in zijn oratie behandelde Te Velde een onderdeel van de politieke cultuur: de eeuwig verfoeide regentenmentaliteit. «Wat mij interesseerde, is wat nu eigenlijk de kritiek is die daaruit spreekt. Als de oudere historici het over regenten hebben, bedoelen ze mensen die niet fatsoenlijk besturen. Maar vanaf de jaren zestig gaat het alleen nog maar over de relatie met het publiek, over de kloof tussen politiek en burger. Daar zit eigenlijk een kritiek in verborgen op hoe vertegenwoordiging an sich werkt. Dat vind ik het riskante eraan. Mensen moeten zich realiseren dat er altijd een elite is, daar kun je niet omheen. Je moet die elite kritisch volgen, dat is democratie, maar tegelijkertijd moet je haar bestaan wel accepteren.»

Tegenover de regent werd in het verleden vaak de volkstribuun gesteld. «Dan hebben we het over iemand die optreedt als spreekbuis van het volk, die plebiscitaire legitimatie heeft. Verdonk is ook een volkstribuun, zoals vorige week bij de kwestie-Hirsi Ali te zien was. Verdonk zet in op steun vanuit de bevolking, waarbij ze de kritiek uit het establishment op de koop toe neemt. Ze slaat de volksvertegenwoordiging over, wat trouwens heel onliberaal is.» Waarmee we weer terug zijn bij de discussie over de grenzen van het liberalisme. Verdonk nadert die grens, denkt Te Velde: «Dat ligt trouwens ook in de rest van de vvd niet erg helder. Het gaat om het verschil tussen het rechtsstaatliberalisme en populistische vormen van, nou ja, misschien wat je het jakobijnse liberalisme zou kunnen noemen. Het debat over Hirsi Ali komt wat dat betreft op een goed moment. Het laat zien dat het eigen is aan een vertegenwoordigende democratie dat je met de regels die daar gelden, met dat spel moet kunnen omgaan. Alleen al van dat woordgebruik wordt gezegd dat we daar in Nederland van af moeten. Maar zonder die eigen regels kan de politiek niet functioneren. Dan is politiek alleen nog maar een doorgeefluik en kan er geen afweging van belangen plaatsvinden.»

Het debat over Hirsi Ali viel ook op vanwege het hoge juridische gehalte. Het was even alsof de Tweede Kamer op enkele uitzonderingen na weer net als in de negentiende eeuw uit louter juristen bestond, en politiek opnieuw vooral draaide om de correcte interpretatie van het staatsrecht. «Dat heeft te maken met het minder goed functioneren van andere brandpunten van het politieke debat: partijen en ideologieën», denkt te Velde. «Een groot deel van het politieke debat wordt nu ineens weer gevoerd op staatsrechtelijk niveau. Dan gaat het over grondrechten en de rechtsstaat.»

In dat kader valt ook de toegenomen interesse voor de grondwet te verklaren. Inmiddels is zelfs een heruitgave voor het grote publiek verschenen, ingeleid door Te Velde. «De grondwet staat ter discussie. Kijk, je kunt op twee manieren met onze constitutie omgaan. Je kunt haar zien als het fundament van een huis. Dat is iets waarop je wilt vertrouwen. Alleen als er scheuren in de muren zitten, ga je daar beneden eens kijken. Maar het mag niet zo zijn dat je iedere dag in de kruipruimte moet duiken om te controleren of het fundament nog in orde is. Een andere visie op de grondwet is dat het iets is waar iedereen wat van moet vinden, een document dat een rol moet spelen in het publieke debat. Dat betekent ook dat het iets controversieels is. Of je het leuk vindt of niet, we zijn op dit moment in die laatste situatie aanbeland. Het begon met Fortuyn en artikel 1. Ook Wilders is inmiddels daarover begonnen. Verder is de Europese grondwet hier debet aan; daardoor gingen we ons ineens afvragen wat er eigenlijk in de Nederlandse stond.»

Samen met de grondwet is volgens Te Velde niets minder dan de Nederlandse samenleving onderwerp van debat: «De hele discussie over het antidiscriminatie-artikel bijvoorbeeld gaat over wat voor soort natie wij willen vormen. Daarmee doel ik niet op kwesties of Willem van Oranje belangrijk is geweest en of we een protestantse natie zijn. Maar met een grondwet stel je wel vast wat voor soort politieke gemeenschap je met z’n allen vormt. Daarbij moet het niet gaan om de waarden die hier gelden, dat vind ik veel te deterministisch. Het is veel belangrijker dat je vaststelt wat voor regels er voor het debat gelden, op welke manier je het gesprek moet voeren.»