Chapkis

Overal in de wereld vind je Italiaanse restaurants, behalve in Spanje en Italië. In Italië is ieder restaurant een Italiaans restaurant en verliest het begrip «Italiaans resaurant» dus elke zin. Weliswaar is er in Caseres een uithangbord Trattoria te zien en in Trujillo een opschrift Pizzeria, maar dat blijken slechts plaatsen waar je een pizza kan kopen om thuis op te eten. Voor pasta, basilicum, kaas, gegrilde groente en tiramisu moet je niet naar Spanje.

Spanje en Italië hebben niet alleen een groots ver verleden gemeen maar ook een zwart recent verleden. Ze zien elkaars films zonder vertaling. Spanjaarden en Italianen hebben eenzelfde eigenaardige verhouding tot de Fransen die er vaak oorlogen voerden en tot de Engelsen die er graag rondreizen. Hun boekwinkels liggen vol met vertalingen van alle recente boeken uit het Frans en Engels.

In Rome heb ik eens een opvoering gezien van het toneelstuk Fuente Ovenuja van Lope de Vega, waarin de bevolking van het stadje Fuenteovenuja in 1476 revolutie maakt tegen een tirannieke heerser, die De Kommandant wordt genoemd, dus remden wij af bij het nu welvarende witgeverfde plaatsje met de schapenbron. Het enige hotel heette De Kommandant. De kerk boven op de heuvel zat voller dan in Spanje gewoon is. Er was een speciale missiedienst — omdat het in Nederland Hervormingsdag was? — waarbij twee kapelaans gitaren bespeelden en het hele schip liedjes meezong.

De volgende dag, ergens tussen Llerena en Serena, stond aan de kant van de weg een bord «Italiaans Kerkhof» dat naar een dorpje wees. Wij wendden het stuur. Navraag in het dorp toonde dat het bordje de verkeerde kant op wees. We moesten aan de andere kant van de weg zijn waar een vierkante hof van zestig bij zestig meter was ommuurd. Het hek zat op slot — terwijl het toch Allerzielen was — maar de muur wipte je zo over. Op het kerkhof stonden twee treurbomen en bevond zich een aantal graven van diverse makelij. Een kenner van het Spaanse en Italiaanse begraafwezen zou de chronologie sinds 1938 kunnen aanwijzen. Het oudst leken mij een paar ijzeren kruisjes boven lichte verheffingen in de grond met namen die door de roest vergaan waren. Achterin waren de schuifkasten die in Italië en Spanje heel gebruikelijk zijn. Er was ook een apart grafkeldertje met het fasces-symbool, voor de 27-jarige Emiliano Martin Enciso, vaandrig van het infanterie-regiment Castilla, die op 31 augustus 1938 zijn leven gaf voor God en Spanje, bij de slag op de Cabezuela-top. Hij was de enige van wie naam en leeftijd nog te lezen waren. Het luguberst waren een paar betonnen graven, waarin kennelijk was ingebroken. Bij een lag er een betonschilfer bovenop los. Schoof je die opzij, dan keek je in de oogkassen van een tamelijk kleine doodskop.

Het enige nieuwe van de begraafplaats was, afgezien van het hangslot op het hek, een bordje waarop het gemeentebestuur, met behulp van Europese fondsen, bekend maakte dat dit een Historische Begraafplaats van de Italianen was, waarin de sterfelijke resten lagen van degenen die uit hun land waren gekomen om de «Bando XXX» te hulp te schieten tijdens de Spaanse burgeroorlog. Een kwaaie Spanjaard had wat ik als XXX heb opgeschreven met een scherp voorwerp weggekrast.

De Spaanse politiek is even onbegrijpelijk als de Italiaanse, en de Nederlandse. Men herdenkt net dat de Spaanse socialist Gonzales twintig jaar eerder aan de macht kwam. De krant stond vol over het heftige optreden van de nieuwe Socialistische leider Zapatero in het parlement. Je zou denken dat een oppositieleider altijd flink van leer trekt, maar hier schrok iedereen op van zijn heftige woorden. Zapatero is niet alleen «schoenmaker», maar ook het woord voor een onsmakelijke want glazige aardappel. De toekomstige minister-president lijkt op Mister Bean, maar dat zien de Spanjaarden hopelijk anders.