Kunst - Jonas Staal in Rojava

Charlie Chaplin is een Koerd

Jonas Staal wil de kunst weer sociaal relevant maken, en daarom bouwde hij een publieksparlement in Rojava, waar Koerden een basisdemocratie opbouwen. ‘Alles wat je ziet is een politieke performance.’

Medium new 20world 20summit 20  20rojava 20 22

‘Deze revolutie is nog niet voltooid. Dit gebouw ook niet. Maar straks staat hier een publiek parlement. Zoals de revolutie uiteindelijk ook zal slagen.’ Jonas Staals brillenglazen fonkelen in de middagzon. ‘Berxwedan Jiyane’, roept hij: ‘Verzet is leven!’ De massa om hem heen klapt en joelt. Honderden trotse gezichten. Grootmoeders in traditionele dracht, kalasjnikov om de schouder. Kinderen met vroegoude koppies. Bouwvakkers op hun paasbest. Boven het cirkelvormige fundament steken de twaalf eerste stalen bogen van het parlement de lucht in. Over twee maanden is de koepel af, klaar voor vergaderingen zonder hiërarchie, ontworpen en gebouwd door Koerdische strijders, Arabische aannemers en Hollandse kunstenaars.

Die avond zitten we in de binnentuin van het hotel aan de rand van het zwembad. Het water is bruin. Toeristen zijn hier al lang niet geweest. Maar Staal voelt zich thuis. ‘Cultuur en politiek zijn hier met elkaar verweven. Hier hoef je niemand uit te leggen wat kunst te betekenen heeft.’

Hier is: Rojava, West-Koerdistan, het autonome gebied in het noorden van Syrië. In het nieuws geweest vanwege de slag om Kobane, de Yezidi’s op de berg, de vrouwelijke strijders die niet bang zijn voor IS. Maar deze week is het rustig. En zijn de dingen anders dan je verwacht. Tegen de pokdalige hellingen gaan ja-knikkers uit het Roemenië van Ceausescu roestig op en neer. Collectieve lunches worden secuur uitgeserveerd en weer afgeruimd door politiemannen, het pistool in de broekriem. In hun met zandwallen en betonblokken gebarricadeerde kazerne zitten de piepjonge strijdsters op de grond. Eentje draagt gele Sponge Bob-sokken. Die van haar buurvrouw zijn roze met teddybeertjes.

Rojava, anderhalf keer België en naar schatting een kleine vijf miljoen inwoners, is vooral een radicaal democratisch experiment. In het oog van de storm gaat het hier over buurtcommunes, winstvrije economie, een staatloze natie en totale gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. De besluitvorming gaat van beneden naar boven. Wat de boeren, buurvrouwen en vrijwilligers besluiten wordt door de bestuurders uitgevoerd. En die zijn altijd met z’n tweeën: een man en een vrouw.

Jonas Staal en zijn collega’s Younes Bouadi en Renée In der Maur hebben ons uitgenodigd om te komen kijken: 27 kunstenaars, activisten en wetenschappers uit de hele wereld, veruit de grootste delegatie die Rojava tot nu toe bezocht. Onderweg maakte ik kennis. Natalie McGarry, de kersverse Schotse parlementariër, verbaast zich over de droeve staat van Westminster: de regen stroomt er door het dak naar binnen, onder de stoelen in het parlement staan rattenvallen. Sana Soleman Elmansouri, woordvoerder van de Amazighs, het trotse woestijnvolk, is allergisch voor stof. Kunstenaar Ibrahim Quraishi stelt zich voor met: ‘Mijn naam is moslim, ik niet.’ Robert Kluijver, de Lawrence of Arabia van de kunstwereld. Quim Arrufat, de Catalaanse parlementariër, met op zijn T-shirt de campagneslogan Governemnos: laten we onszelf besturen! Laat op de avond steken we met z’n allen in een bootje de Tigris over. Honderd meter is de afstand tussen kapitalisme en basisdemocratie.

De volgende ochtend worden we in vier groepen verdeeld. In busjes rijden we drie dagen lang door het kanton Cezîrê, misschien wel het best bewaakte stukje van Syrië. We zien vlak boerenland met donkere akkers, stenen woonwijken, geel van stof en slijtage, benzinepompjes met een eigen olieboor, kratten groente en fruit voor de talloze winkeltjes, rondhangende jongens, vrouwen in driedubbelgelaagde boerenjurk op de fiets. Elk van onze groepen heeft een soldaat, een chauffeur, een vertaler en een minister bij zich. Een soldaat heet hier trouwens strijder, een minister heet gids. De onze is Berivan Ghaled (27), portefeuille cultuur: een stevige, goedlachse vrouw met een jaarbudget van tachtigduizend euro. Meer is er niet: van de totale begroting gaat ruim zeventig procent naar de verdediging van Rojava.

Ghaled heeft een rijke kennis van de Koerdische cultuur. Die gaat meer dan vijfduizend jaar terug. Maar zijzelf, haar ouders en grootouders mochten het Koerdisch niet lezen, schrijven of onderwijzen. Daarom ondersteunt zij nu nieuwe scholen, culturele centra en academies voor de eerste generatie die vrij is om er te leren dansen, theater maken, poëzie schrijven, muziek maken, films regisseren – en alles in het teken van de ideologie van Rojava.

Want dit is anders leren. Janet Biehl, de Amerikaanse schrijfster die hier al eerder was en regelmatig met tranen in de ogen uit onze ontmoetingen vandaan komt, vat het samen: ‘Onderwijs in Rojava gaat niet over carrière jagen en rijk worden. Van studenten wordt verlangd dat ze zich afvragen hoe zij de samenleving kunnen verrijken. De Mesopotamian Academy, net een jaar open, is er niet op gericht professionals af te leveren maar om veelzijdige persoonlijkheden te ontwikkelen.’ Een leraar vertelde haar: ‘Wij geloven dat mensen organische wezens zijn, ze kunnen niet in stukjes worden gesneden, verdeeld over de wetenschappen.’ Dit onderwijs is allesbehalve eenrichtingsverkeer. ‘In de revolutie is iedereen leraar en leerling tegelijk’, zegt kunstenaar Manuel Beltrán. ‘Dit is een universiteit waar je niet leert van een enkeling, maar samen leert met velen. Democratie kun je niet echt onderwijzen, je moet het oefenen.’

‘Ik werd ziek van mijn eigen onvermogen om ook maar tot een verbeelding van een open samenleving te komen’

De energie en de gastvrijheid overvallen ons. Maar we stellen ook vragen. Hoe ontstaat een democratie van onderop als het model is gedicteerd door de grote leider in gevangenschap, Abdullah Öcalan? Zijn portret hangt in vrijwel alle ruimtes die we bezoeken. Wat betekent het creëren van een gemeenschappelijke samenleving (dus inclusief de Arabische, Assyrische, Yezidi, Turkmeense, Armeense en andere bewoners) als we in een rapport van Amnesty International moeten lezen dat het Koerdische leger, ypg/ypj, Arabische dorpen platbrandt en de bewoners verjaagt? Hoe kun je staan voor vrijheid van meningsuiting en tegelijk in de wet vastleggen dat elk nieuw boek eerst beoordeeld moet worden door een morele commissie? Hoe kun je zeggen dat educatie en kritiek zich tot elkaar verhouden als brood en boter, wanneer iedereen die we hier tegenkomen ons met dezelfde hartstocht hetzelfde verhaal vertelt?

Ik moet denken aan The Jaguar Smile van Salman Rushdie. In de zomer van 1986 leidden de Sandinista hem door het land dat ze op de dictatuur hadden heroverd. Hetzelfde revolutionaire vuur, dezelfde basisdemocratische idealen, dezelfde vragen. Werd hier een revolutie van iedereen langzaam naar zich toe getrokken door de nieuwe machthebbers, of was elke concessie geoorloofd zolang die revolutie van alle kanten werd belegerd? We weten hoe het afliep in Nicaragua, maar toen, na net zo’n voortjakkerende ontdekkingstocht als die van ons, moest Rushdie bekennen: ‘Voor het eerst in mijn leven besefte ik, tot mijn verbazing, dat ik een regering was tegengekomen waar ik het mee eens was, niet bij gebrek aan beter, maar omdat ik oprecht wenste dat hun missie zou slagen.’

Medium new 20world 20summit 20  20rojava 20 23

hetzelfde voelt Jonas Staal voor de regering, of liever: het democratisch zelfbestuur van Rojava. En dat spreekt niet vanzelf, voor een kunstenaar die uitblinkt in lucide kritiek op elke vorm van macht. In zijn eerdere werk legde hij het mechaniek van populisme bloot. De Geert Wilders Werken (2005-2008) portretteerden de pvv-leider als een levende martelaar van de islamkritiek. Gesloten architectuur (2011) was zijn verbeelding van het afstudeerproject van Fleur Agema, ooit zijn studiegenoot, later Kamerlid voor de pvv. Zij schetste een model voor een nieuw soort gevangenis, die uitging van de maakbare gevangene. Staal ging ver, heel ver, in zijn visualisatie van een wereldbeeld gebaseerd op manipulatie en uitsluiting. Ik interviewde hem in die periode regelmatig. Hij formuleerde altijd helder en in mitrailleurtempo, maar zijn taal bleef geharnast en er hing iets ondoorgrondelijks rond die slanke, altijd in het zwart geklede jongeman. Wat dreef hem: een kille woede op de demagogie van extreem-rechts – of was hij er heimelijk toch door gefascineerd?

Pas in de kunstenaarstent van Occupy Amsterdam, op het Beursplein in 2012, bekende hij kleur. Even later startte hij de New World Summits: tijdelijke parlementen, even doordacht opgebouwd als zijn Gesloten architectuur maar nu veel opener, voor volken en bewegingen die in hun land worden uitgesloten van het reguliere parlement. Hij verbond zich aan onafhankelijkheidsbewegingen in Schotland en Catalonië, radicale en zelfs als terroristisch bestempelde groepen zoals de niet-erkende toeareg-staat Azawad in Noord-Mali en het National Democratic Front op de Filippijnen. Uiteindelijk stuitte hij op de Koerdische vrouwenbeweging en nu zit hij hier, aan de rand van het bruine zwembad in Rojava: ontspannen, zonder harnas, in zijn element.

‘Ik begon met de provocatie, door het ultranationalisme van Wilders en co te spiegelen. Mijn strategie: louter tonen, niets uitspreken, om niet als activist te worden weggezet. Want dat zijn de ongeschreven regels van het kunstbedrijf. Ik voelde een honger naar een politiek alternatief, om me heen voelde ik die ook, maar de kunstwereld bleef hangen in eindeloze analyses. Kritisch misschien, maar tandeloos. Ik werd ziek van mijn eigen onvermogen om ook maar tot een verbeelding van een open samenleving te komen. Tot aan de eerste New World Summit in Berlijn, 2012. In plaats van het zoveelste kunstwerkje in de zoveelste residency kreeg een werk van mijn hand opeens de vorm van een organisatie die structurele solidariteit mogelijk maakt, waarin mijn collega’s en ik zelf onze kaders en samenwerkingspartners kunnen bepalen.’

Staal gaat het erom de kunst weer sociaal relevant te maken. In het Westen, zegt hij, heeft de kunstenaar zijn vrijheid verkwanseld aan ‘de hysterische economie van de consumptiemarkt’. In wat voor samenleving wil je functioneren als kunstenaar, vraagt hij zich af: ‘In de onze, een maatschappij zonder politiek verbeeldingsvermogen – of hier, waar iets heel fundamenteels aan het schuiven is, waardoor een veelheid van belangen hun hoop projecteert op dit democratische experiment, zodat er een explosie ontstaat van inzicht, hoop en creativiteit?’

Is er iets wat hem, de control freak van minutieus vormgegeven installaties, artistiek aantrekt in dit land van donkere akkers, roestige ja-knikkers en stoffige laagbouw? ‘Ja, ik ben gefascineerd door de sociale choreografie van deze gemeenschap. Van de kale zitkamers en hoe iedereen daarin zijn plaats vindt. En van de zes pijlers waarop de revolutie steunt: democratisch confederalisme, gendergelijkheid, secularisme, zelfverdediging, communalisme en sociale ecologie. Los van elkaar hebben ze geen waarde, alleen samen zijn ze functioneel.’ En zijn kunst creëert daarvoor een nieuwe beeldtaal, ‘in een vorm die de democratische instrumenten beschikbaar maakt voor het hele volk’. Kijk naar het publieksparlement in aanbouw: de ronde betonnen vloer met cirkelvormige banken is het equivalent van die kale zitkamers, op de stalen bogen staan de namen van de zes pijlers van de revolutie, de gelaagde vlakken van de koepel dragen de kleuren en symbolen van alle groepsbelangen waaruit Rojava is opgetrokken.

Zijn we ongevraagd zetstukken in de nieuwste, expliciet geëngageerde installatie van Jonas Staal?

In 2010 schreef Staal het boek Post-propaganda. Hij wilde voorbij aan de impasse die hij in Nederland ziet tussen kunst en politiek: ‘Het kunstinstituut weigert zijn vermeende autonomie ter discussie te stellen en zijn functioneren te beschouwen vanuit politiek-ideologische belangen. Omgekeerd weigert de politiek haar onhoudbare neutrale positie ten opzichte van de kunsten op te geven, en blijft zij – ondanks vergaande directe financiële en inhoudelijke bemoeienis – het ideaal van een “vrije” en “onafhankelijke” kunst in stand houden.’

Vijf jaar later stapt hij in Rojava over die kloof heen. Zijn werk maakt integraal deel uit van de politieke visie hier. Het publieksparlement, waarvan de beelden de wereld over gaan, mag je propaganda noemen. De strikt geregisseerde reis die onze delegatie maakt ook: de nauwkeurige voorbereidingsbrief, de keuze van de locaties, ons reisgezelschap, het internationale cachet dat we geven aan het parlement in aanbouw – vanaf het moment dat we voet zetten op de rotsige oever wijken we geen millimeter af van het verhaal dat Rojava naar buiten wil brengen. Zijn wij ongevraagd gepromoveerd tot ambassadeurs van deze ideologie, zijn we zetstukken in de nieuwste, expliciet geëngageerde installatie van Jonas Staal?

De man in zwart glimlacht. Maar achter die brillenglazen vlamt er iets op. ‘Nee. Ik werk momenteel aan een promotie-onderzoek over kunst en propaganda. Mijn definitie in het kort: propaganda vormt de expressie van een machtsmonopolie. Naarmate politiek, media en economie dichter naar elkaar toe trekken worden de waarden normatiever. In mijn onderzoek vraag ik me af of er ook andere vormen van machtsmonopolies kunnen bestaan. In Rojava ontstaan er nu in zo’n hoog tempo nieuwe organisaties en academies dat ze vaak niet eens van elkaars bestaan weten. Dat kan onpraktisch werken, maar het is ook intelligent. De autonomie wordt tot het uiterste doorgevoerd. De macht die er is krijgt de kans niet zich te concentreren. Bovendien…’ Zijn stem daalt. Hij kijkt me aan. ‘Besef je wel goed dat we hier in een oorlogsgebied zitten?’

Het is waar. En dat maakt veel vragen onzinnig of in elk geval prematuur. De vrolijke strijdsters die hun kalasjnikovs wegzetten voordat ze de zoveelste selfie met ons maken staan volgende week weer aan het front met IS. Iedereen die we hier tegenkomen heeft iemand verloren. Van de minister krijg ik een speldje, zoals je er hier talloze hebt, van haar pas omgekomen neef. Zonder ernaar te zoeken kom je vanzelf op begrafenissen of herdenkingsbijeenkomsten terecht. Gisteren vielen er nog drie doden bij een zelfmoordaanslag in Qamishlo, de hoofdstad van het kanton. Op de platte daken staan soldaten, hun silhouet heroïsch tegen de ondergaande zon, op de uitkijk naar brommers met bommen. Het weer is zacht, maar zodra de avond valt gaat iedereen naar huis.

‘Dit is een speculatieve werkelijkheid’, zegt Staal. Alles kan zomaar voorbij zijn. Hoe wapen je je tegen het onvoorspelbare? Rojava doet het door collectief te geloven in een samenleving die er nog niet is. ‘Voormalige theaters worden nu gebruikt als vergaderzalen. Alles wat je ziet is een politieke performance. Er is nog geen systeem, maar je speelt dat het er is. Door ernaar te handelen schep je stap voor stap een nieuwe realiteit.’ We zien het gebeuren tijdens de New World Summit, in een afgeladen oude theaterzaal met een kakelbonte dwarsdoorsnede van de bevolking. De grijzende commandant met de kaaklijn en laconieke grijns van George Clooney, de statige co-gouverneur in glitterjurk, de man van de wetgevende macht met tulband en strenge snor, de charismatische oud-strijdster die nu co-minister van Buitenlandse Zaken is in een land dat door niemand erkend wordt, de activisten en vertegenwoordigers van andere statenloze organisaties uit de Filippijnen, Catalonië, Amerika, Schotland, Zweden en Libië – de toespraken zijn lang en vurig, op het podium ontstaan visueel onwaarschijnlijke combinaties van sprekers, in dit politieke theater krijgt alles de glans van het geënsceneerde.

Het mooiste ongerijmde beeld krijgen we in het theater van Qamishlo. De Rojava Film Commune organiseert de eerste filmvertoning sinds het begin van de oorlog. Op het programma: The Kid van Charlie Chaplin, met Koerdische tussentitels. De zaal zit vol kinderen die nog nooit naar een bioscoop zijn geweest. Ze lachen zich een ongeluk.

En plotseling is Chaplin een Koerd. Kijk hem nu eens staan, met die grote, verwonderde ogen. Kleren versleten, gaten in de schoenen: hij zit net zo strak in het pak als de ypg in hun uniform. Maar slim is hij ook. Dakloos, geen cent op zak, de politie op zijn hielen – maar hij blijft ongrijpbaar. Telkens verzint hij op het nippertje een nieuwe list. Per ongeluk of expres, Chaplin de Koerd komt altijd op zijn pootjes terecht.

En dan is het feest. Voor het eerst mag iedereen naar het publieksparlement in Derik. Totale bouwkosten: ongeveer een ton. De helft komt uit Nederland, de helft uit het civiele budget van Rojava. Jonas Staal en Younes Bouadi hebben de begroting ter goedkeuring netjes aan alle lagen van het zelfbestuur voorgelegd. Zoveel mogelijk lokaal materiaal: veel steen komt van verwoeste gebouwen. Alleen het staal moest worden geïmporteerd, via IS-gebied. Soms moest er opeens beton worden afgestaan voor militaire versperringen aan de grens. De graafmachine was een keer weg omdat ze hem nodig hadden voor verse martelaarsgraven. Maar nu is het bouwwerk bijna af.

Straks gaan hier de communes van Rojava vergaderen. Verzet is leven! roept Staal. De band speelt Koerdische feestmuziek. Iedereen danst: bouwvakkers, kinderen, soldaten, Sana van de Amazigh, Ilena uit de Filippijnen, Janet Biehl met de tranen in haar ogen. Alleen de Spaanse kunstenaar-activist Manuel Beltrán zondert zich even af. Aan de rand van het feest staart hij naar de grond. De krullen hangen voor zijn ogen. Hij voelt de euforie, maar ook het besef van de levens die zijn gevallen voor deze revolutie.

De volgende dag steken we de Tigris weer over. Aan de overkant staat de wereld van aandeelhouders, natiestaten, billboards en flatscreens te wachten.


Beeld: (1) eerste deel van de New World Summit in Rojava, in het cultureel centrum Tev-Çand. Met vertegenwoordigers uit Rojava en van andere stateloze bewegingen, zoals uit Schotland, Catalonië, Noord-Afrika en de Filippijnen. Foto Ruben Hamelink; (2) feest bij het nieuwe publieke parlement in Derik, Rojava, West-Koerdistan. Foto Ernie Buts.