Jumpin’ Jack Flash was het omslagpunt in de carrière van The Rolling Stones. Op die single uit 1968 veranderde het Londense vijftal van een popgroep in een rockgroep. Voor het eerst werd duidelijk dat de basis van het groepsgeluid, de groove, grotendeels te danken was aan de interactie tussen de gitaar van Keith Richards en de drums van Charlie Watts, en niet zoals gebruikelijk het samenspel van de ritmesectie. Die onmiskenbare groove vormde de kern voor ontelbare Stones-klassiekers, van Honky Tonk Woman tot Start Me Up. Op het toneel hoefde Watts alleen Richards te horen om de song voort te stuwen.

Als je goed naar Jumpin’ Jack Flash luistert, dan hoor je dat Watts geen enkele roffel speelt. Hij slaat strak, met swing, net achter de beat, met de snaardrum als belangrijkste wapen. Het was een techniek die hij had meegenomen uit zijn jazzdagen voordat hij in 1963 instemde om mee te spelen met een clubje jongelui die gegrepen waren door de blues en rock-’n-roll en zich The Rolling Stones noemden.

Charlie was ouder dan Keith Richards en Mick Jagger. Als zoon van een vrachtwagenchauffeur groeide hij op in een noodwoning in het Londense Wembley. Het naoorlogse Engeland was een zwart-witwereld van bezuinigingen, voedselbonnen en bomkraters. Het was aan de nieuwe generatie om het leven kleur te geven. Dat deden ze: er ontlook een wereld van jazzclubs, koffieplekken en kledingwinkels, enerverend beschreven door Colin MacInnes in zijn roman Absolute Beginners uit 1959.

Soho was de plek waar het gebeurde, met Ronnie Scotts jazzclub en de koffiebar Bar Italia. Iets verderop, op Shaftesbury Avenue, was Austin’s Clothes Shop, met een eigen couturier, Dougie Millings. Hier, zo gaat het verhaal, gaf Charlie op een gemiddelde vrijdagavond een maandsalaris uit aan kleren. De jongeren lonkten naar Amerika, naar de zwarte jazzmuzikanten. ‘We kleedden ons als Miles (Davis)’, zei Watts in een interview met collega-drummer Chad Smith. Hij zou zijn hele leven lang onberispelijk gekleed gaan, met een voorkeur voor driedelige kostuums. Zijn haar zat altijd keurig in model. ‘Alle muzikanten die ik bewonder zien er prachtig uit’, zei hij. Charlie was een dandy, een exponent van een Londense, klassenloze ‘chic’, die je terugzag bij East End-gangsters, hippe aristocraten en de arbeideristische jongeren die zich mods noemden.

Watts had een feilloos gevoel voor rock-’n-roll, ook al bleef hij in zijn hart een jazzdrummer

Jazz was Charlies obsessie. De openbaring was Flamingo van de Amerikaanse saxofonist Earl Bostic. Daarna kwam Gerry Mulligan met Chico Hamilton op drums. Vervolgens Thelonious Monk, Miles Davis en Charlie Parker. Samen met zijn buurjongen kocht Watts stapels 78-toeren-platen. Hij was the ace – hij had de grootste verzameling, kende de namen van alle muzikanten die meespeelden in Louis Armstrongs Hot Seven. Hij was een wandelende jazzencyclopedie. Drummen leerde hij door te luisteren, naar mannen als Art Taylor, Joe Morello, Buddy Rich en de ‘ongelooflijke’ Roy Haynes.

Zoals veel van zijn tijdgenoten ging Charlie naar de kunstacademie, destijds een vergaarbak voor arbeiderskinderen die tijdens of vlak na de oorlog waren geboren en waar niemand raad mee wist, de ‘boomers’. Alle beroemde Britse bands – The Kinks, The Who, The Beatles, The Yardbirds – en ook David Bowie en Elton John hadden hun wortels in de kunstacademie. Die van Watts bevond zich in Harrow, Noord-West-Londen. Hier maakte hij voor het eerst kennis met hasj. Het deed hem niets. Maar veel later, in de jaren tachtig, zou hij, net als zijn jazzvoorbeelden Parker, Davis en Mulligan, een tijdje aan de heroïne verslaafd zijn. Een geval van ‘a midlife thing’, verklaarde de man die zijn hele leven met dezelfde vrouw getrouwd bleef.

In 1961 trad hij toe tot Blues Incorporated, de band van Alexis Korner. Voor Watts was ‘blues’ ‘Charlie Parker, langzaam gespeeld’. Fout. Hij moest Muddy Waters-nummers leren, hem onbekende muziek. ‘Ik had geen enkel idee van wat ik speelde’, vertelde hij Smith. Maar Blues Incorporated werd de hottest band in sleepy London town – zij maakten wilde muziek voor wilde jongeren. Keith en Mick waren fans. Het was hun pianist, de ‘zesde Stone’ Ian Stewart, die er bij hen op aandrong Watts bij de onlangs opgerichte band te halen. In januari 1963 stemde Watts aarzelend in. Hij had geen affiniteit met de muziek. ‘Keith leerde me over rock-’n-roll’, zou hij later zeggen. Valse bescheidenheid: Watts had een feilloos gevoel voor rock-’n-roll, ook al bleef hij in zijn hart een jazzdrummer, links losjes uit de pols. Zijn taak was om de roll in de rock te brengen, die fractie achter de beat.

In vrijwel alle necrologieën wordt de anekdote uit 1984 opgerakeld, met een beschonken Jagger die in een Amsterdams hotel om vijf uur ’s ochtends Charlie belt en vraagt waar ‘mijn drummer’ is. Watts kleedt zich aan, klopt op Jaggers deur en geeft hem een rechtse hoek. Een beetje zoals Miles Davis zou hebben gedaan als iemand hem ‘boy’ zou hebben genoemd. Maar Jagger was dol op Watts. Op het livealbum Get Yer Ya-Ya’s Out uit 1969 sluit hij Little Queenie trots af met de woorden ‘Charlie’s good tonight, ain’t he’. Het is de enige Stones-plaat met alleen Watts op de voorkant. Links sjokt een ezel met een drumset op zijn rug en daarnaast Charlie met een rood-wit gestreepte hoed, die hij van Jagger had geleend. Hij springt lachend in de lucht, met twee gitaren in zijn handen. Hij gaat gekleed in witte sokken, witte broek en een wit T-shirt met vrouwenborsten. Relaxt en onbekommerd.