Chasse patate

In de trein zag ik een vrouw Dit zijn de namen lezen, van Tommy Wieringa, en ik betrapte mezelf op een acute aanval van medelijden met die vrouw. O God, dacht ik, ze denkt dat ze literatuur aan het lezen is.

Ik had de gedachte in m’n hoofd nog niet afgemaakt, of ik dacht al: waar komt dát nou weer vandaan? Ten eerste mijn blik op die vrouw, het leesclubje dat ik onmiddellijk om haar heen groepeerde, de ernst waarmee ik de vragen over en weer zag gaan – waarom zou het hoofdpersonage Pontus Beg heten? Hoe kijkt de schrijver tegen religie aan? Ademt het boek optimisme of pessimisme, en waaruit blijkt dat? – het wijntje dat na negenen op tafel zou verschijnen, de conclusie helemaal aan het eind van de avond dat het over de zin en onzin van religie ging, de moeilijke gezichten die erbij getrokken zouden worden. Volgende keer lezen we hoeheetie, die dat boek over die familie heeft geschreven. Het is heel dik, maar het is toch vakantie straks.

Literatuur als huiswerk. Misschien is het dat wel, dat ik de schrijver te hard aan het werk zie als ik zijn boek lees. Ik zie voor me hoe hij een jaar lang de wekker heeft gezet om voordat zijn gezin wakker werd naar beneden te sluipen, van het haakje bij de achterdeur de schrijversmantel te pakken, een hele zware, ooit toebehorend aan een dooie Rus, een dooie joodse Rus, om vervolgens met dat gevaarte om zijn schouders in het tuinhuisje weer een paar uur literatuur te gaan zitten bakken.

Niets is zo lastig om te bepalen of iets of iemand ‘echt’ is, en toch is dat uiteindelijk het doorslaggevende element om iets wel of niet te omarmen. Of ik zeg het verkeerd: het bepalen is niet het probleem. Ik denk het altijd wel te weten, met tamelijk grote zekerheid. De kwestie is eerder het aan anderen duidelijk te maken; hoe doe je dat zonder de verdenking op je te laden een zuurpruim te zijn, een scherpslijper.

Je moet niet over Tommy Wieringa schrijven, zegt degene van wie ik aanneem dat hij het beste met me voor heeft. Het boek is al lang geleden verschenen, het heeft inmiddels een belangrijke literaire prijs gewonnen. Wat zou jij er nu nog eens mee aankomen? Wát je ook schrijft, men zal denken dat je jaloers bent.

Nee, dat moeten we niet hebben. Jaloers, moi? Bovendien, wat wil ik dán? Een roman over wielrennen en mannenvriendschap? Van een schrijver die zijn hoofdpersonage op de eerste pagina introduceert met: ‘Ik hield niet van het gezever over Reve en Lucebert en ook niet van de generatieve grammatica van Chomsky. Ik was de enige in mijn jaar die Voetbal International las.’?

En ook niet over Bert Wagendorp! wordt nu naar boven geroepen.

Ik zal de laatste zijn om iemands feestje te willen versjteren. Twintigduizend exemplaren in een paar dagen tijd! Patat. Je kunt het ook positief zien: blijkbaar bestaat er ondanks alles een grote honger naar het boek. Of is het het verlangen om allemaal hetzelfde boek te lezen? Hebben we net al die stapels Bonita Avenue…

Niet over Peter Buwalda!

Als eenmaal de boekhandelaren bij De wereld draait door die …

Niet over Nico Dijkshoorn!

Maar ik wilde niks zeggen over Nico Dijkshoorn, ik dacht aan die vier boekhandel…

Niet over De wereld draait door!

Ik wilde alleen wat over die boekh…

Niet over die boekhandelaren! Jij hebt straks ook weer een boek te verkopen! roept degene van wie ik nog steeds aanneem dat hij het beste met me voor heeft. Vermoeiend.

Terwijl ik inmiddels gewoon wat aardigs had bedacht om op te merken, over de missiedrift van de boekhandelaren. Ondanks mijn vrees dat er altijd alleen maar plaats is voor dat ene boek dat opeens iedereen denkt te moeten lezen. En dat de rest dan enigszins kan inpakken. Al die schrijvers die afgelopen weekend in het Volkskrant magazine werden geportretteerd! Ze staan te trappelen. Maar wie van hen gaat het ook waarmaken? Ik denk het te weten. Het zijn er twee, ik zou geld op ze in willen zetten als ik geld had.

Ondertussen lees ik verder in Liefde, van het Noorse fenomeen Karl Ove Knausgard. Er zit een grote sticker op dat boek: zijn boek Zoon was Boek van de maand in DWDD. Ik weet nog dat ze erover spraken, die boekhandelaren. En dat hun enthousiasme me nieuwsgierig maakte. Knausgard schrijft over domesticale beslommeringen op een manier die zich voordoet als de meest voor de hand liggende. Het is diepzinnigheid zonder pose. Zijn stijl oogt niet bedacht, en tegelijkertijd geeft hij je de sensatie nog niet eerder zulke zinnen gelezen te hebben. Zoals ik die sensatie ook ervoer toen ik De wereld van markt en strijd las, van Michel Houellebecq, en Weg van Minke Douwesz. Waarom stond Minke Douwesz eigenlijk niet op dat schrijversgroepsportret in het Volkskrant magazine? Ik heb Liefde nog lang niet uit, maar heb genoeg gelezen om te weten dat Knausgard in zijn nakie zit te schrijven.