Zomerserie: Vroegere vrienden

Ché de veroveraar

Een vermaledijde avond, wraak en weerwraak, een kortstondig evenwicht, opnieuw in elkaar haken, en nog eens. Een vriendschap met de liefde voor de meisjes als voortdurende scheidingslijn.

Medium 3

Het was kouder dan ik dacht, maar de beloning zou groot zijn. Ik zat, in een soort opklapbaar regisseursstoeltje, te spieden naar het raam op de eerste verdieping en wachtte tot Nicholas’ hoofd zou verschijnen. Wat zou hij schrikken, zijn beste vriend die daar plots met beschuldigende ogen naar de plek van het verraad zat te turen. Dat hij mijn gezichtsuitdrukking op die afstand (zo’n slordige dertig meter) nooit zou kunnen ontwaren, daar stond ik pas veel later bij stil. Eerst kwam het verrukkelijkste moment, met name het afwachten. Of, zoals ik die dag de potentiële minnaar van Marge Simpson had horen zeggen: the awaiting.

Het was half negen ’s ochtends en we hadden die nacht met een twintigtal vrienden een feestje gehad in de villa van de rijkste onder ons. Dat de ouders van Ian wel degelijk de meeste poen hadden, werd niet zozeer door het riante huis zelf bewezen, als wel door het feit dat het hun tweede woning was, die gewoon lekker handig naast de eerste stond. Kwestie van burenruzies te vermijden.

Vanzelfsprekend hadden wij, zeventien jaar, op ontdekkingstocht in onze hormonen­huishouding, onze magen volgegoten met alcohol in de hoop een minder mal figuur te slaan bij de andere sekse. Dat laatste lukte min of meer, al werd er voorlopig alleen door de reeds bekende stelletjes gezoend.

Toen kwam echter het cruciale moment van het slapengaan. Het huis mocht dan wel buitenproportionele dimensies hebben, een kamer voor iedereen was een beetje te veel van het goede, zodat we met drie à vier mensen een ruimte deelden. In elk vertrek stond een tweepersoonsbed, dat door de meeste jongens hoffelijk, met de gedachte dat het al spannend genoeg was om met een vrouwelijk niet-familielid in hetzelfde vertrek te slapen, aan de meisjes werd gelaten, terwijl ze zelf hun slaapzakken over de vloer uitspreidden. Nicholas en ik hadden echter snodere plannen.

Omdat de iets preutsere exemplaren onder de meisjes samenhokten in één kamer, waren we, samen met Toon en Lara, terechtgekomen in een grote slaapkamer. Toon, die eerder op de avond, ondanks een been in het gips, naakt op krukken door de tuin had gehobbeld, vond dat hij genoeg onsterfelijke daden gepleegd had voor vandaag en viel meteen in een dronkemans­slaap. Bleven over: Nicholas, Lara en ik, met andere woorden drie mensen voor twee plekken in het bed.

Mijn beste vriend maakte toen echter de cruciale fout om naar het toilet te gaan, zodat hij bij terugkomst moest vaststellen dat ik, die me gelukkig prees met mijn sterke blaas, al met de begeerde meid onder de dekens lag en hardnekkig veinsde dat ik sliep. Nicholas, ook toen al gezegend (of was het ‘behept’?) met een winnaarsmentaliteit, liet het er echter niet bij en wurmde zich naast me in het bed. Ik protesteerde meteen hevig, foeterend dat dit ledikant veel te krap was voor drie puberlijven, maar mijn vriend wilde van geen wijken weten.

Verder verzet had geen zin, zodat ik me opnieuw concentreerde op het gloeiende, nauwelijks enkele centimeters van mij verwijderde meisjeslichaam. Ik bewoog me, uiterst traag en voorzichtig, in Lara’s richting en meende zelfs te merken dat zij ook enige toenaderingspogingen ondernam.

Alsof Nicholas instinctief aanvoelde dat hij niet langer mocht aarzelen, begon hij tegen mijn schouder te duwen. ‘Ik kan er niet tegen om aan de rand van het bed te liggen. Dan heb ik de hele tijd het gevoel dat ik in een afgrond zal vallen.’

‘Leg je dan op de grond, zoals de rest’, zei ik geïrriteerd, maar tegelijkertijd mijn lach inhoudend omdat Nicholas er zo’n typische, van de pot gerukte reden bij had verzonnen. ‘Ik heb geen slaapzak, laat me nou gewoon in het midden liggen. Ik kan echt niet slapen op deze manier.’

Zijn motieven waren natuurlijk al te doorzichtig, zodat ik geen duimbreed toegaf. Integendeel, ik sloeg zelfverzekerd mijn arm om Lara heen, waardoor het gemopper alleen maar toenam. Hoewel mijn hersens er zich niks van aantrokken, bleek mijn daarnet zo geroemde blaas er toch niet ongevoelig voor. Ik stelde het zo lang mogelijk uit, had mijn gezicht zelfs al in de broeierige hals van het meisje weten te leggen, maar dan moest ik onvermijdelijk kiezen tussen naar het toilet gaan of het matras onderplassen. Omdat ik weinig zin had om in een toekomstig broodje-aapverhaal te figureren, koos ik toch maar voor het eerste.

De verlossing die de hemels langdurige urine­straal op de wc me had gebracht, werd meteen tenietgedaan door de vaststelling dat mijn beste vriend zich pontificaal in het midden van het matras had gelegd. Zijn lijf lag zelfs al lepeltje-lepeltje met onze gezamenlijke prooi, die de wisseling van de wacht niet eens gemerkt leek te hebben.

Ik eiste onmiddellijk, in niet mis te verstane bewoordingen, mijn oorspronkelijke plek op, maar Nicholas bleef even Oost-Indisch doof als ikzelf daarnet. Wrokkig, mezelf verwijtend dat ik een strategische fout had gemaakt door niet als eerste te gaan plassen, bleef ik nog uren naast het vervloekte duo liggen, hopend dat Nicholas’ blaas het gauw zou begeven.

Met mijn blik voortdurend op de digitale klok gericht, telde ik de kwartieren af, maar er gebeurde niets. Nou ja, er gebeurde wel iets, want mijn vriend had zijn arm om Lara heen geslagen, nam haar borst zelfs in de kom van zijn rechterhand en begon heel voorzichtige kneedbewegingen te maken. Ik staarde Nicholas pisnijdig aan terwijl mijn buik, borsten, hoofd, ledematen zich leken te vullen met grote hoeveelheden zuurstof.

Hij grijnsde, de ploert.

Hij was wakker en wist dat ik het ook nog was.

Ik kon er niet langer naar kijken en besloot mijn krappe plek aan de rand van het bed te verlaten. Nicholas bleef bewegingloos liggen, terwijl ik, ironisch genoeg, alweer moest plassen. Door het patrijspoortachtige raampje boven het toilet zag ik dat het licht aan het worden was en besefte dat mijn kans definitief verkeken was. Het enige wat overbleef, zoals altijd aan het eind van een vriendschap, was wraak nemen.

Dat laatste was wat ik aan het doen was, hier op mijn klapstoeltje, omringd door bedauwd gras en enkele flarden ochtendmist die aan het einde van de tuin tussen de bomen verdwenen. Het afwachten verloor, mede door de kou, echter spoedig zijn charme, zeker toen er om half tien nog steeds geen enkele beweging waar te nemen was. Het huis was in diepe slaap, een wraakzuchtige idioot waakte.

In een vlaag van mismoedigheid besloot ik naar huis te gaan. De confrontatie zei me niks meer, laat staan het obligate fietstochtje met Nicholas, die op driehonderd meter van mij woonde. Het laatste waar ik aan dacht toen ik eindelijk in bed kroop, was zijn triomfantelijke hand om de tiet.

Bij onze eerstvolgende ontmoeting werd er met geen woord over de vermaledijde avond gerept. We deden normaal tegen elkaar, lachten en rebelleerden samen, vormden als vanouds het intellectuele duo dat zijn medepubers stangde met een hoeveelheid kennis die niet gezond was voor onze leeftijd. Laat staan voor onze cijfers, die we vanzelfsprekend beneden onze waardigheid achtten. Aan onze school­rapporten af te leiden, was dat gevoel wederzijds.

Eenzelfde minachting legden we aan de dag voor voornamen, want ik werd kortweg ‘Dangre’ betiteld, terwijl mijn beste vriend wegens communistische sympathieën in een grijs verleden (dat hadden we ook toen al) voor altijd de bijnaam ‘Ché’ zou houden.

Toen ik er allang niet meer op zon, kwam de wraak dan toch. Lara, het meisje dat, samen met onze instincten, de onderlinge competitiedrang had aangewakkerd, bleek plots een meer dan vriendschappelijke interesse voor mij te hebben. Die kans kon ik niet laten liggen, zodat we algauw de schoolversie van een glamourstel vormden.

Dat ik de relatie grotendeels was aangegaan als een meer gesofisticeerde vorm van borstgeroffel, werd echter pijnlijk snel duidelijk. Ik verloor, ondanks de verzengende hormonen, al na enkele weken alle interesse. Of het feit meespeelde dat Lara zich naar eigen zeggen tijdens die ene zomeravond door mijn vriend had laten bepotelen ‘louter omdat het spannend was’, weet ik niet, maar ik maakte na minder dan een maand een eind aan de verkering.

Mijn vriend kon zijn opluchting moeilijk verbergen, al leek het hem meer te doen om het feit dat hij míj had teruggewonnen dan dat onze gemeenschappelijke prooi weer op de vrijgezellen­markt was. Nicholas vroeg dan ook niet naar de redenen van de breuk, of naar bijzonderheden omtrent Lara’s verlangens, interesses, rondingen, het liet hem allemaal volstrekt koud.

Dat dacht ik althans.

Want mijn vriend deed zijn revolutionaire bijnaam alle eer aan en pleegde, met enige vertraging weliswaar, een coup. Mijn ex-vriendinnetje bleek een half jaar later plots zijn gloednieuwe geliefde. Op dat moment kon het me allang niet meer schelen wie de bereidwillige meid zou krijgen, maar dat veranderde toen hun relatie enige tijd begon te duren, zelfs zo solide bleek dat ze de diploma-uitreiking overleefde. Tegen die tijd had ik, door mijn medestrijder onbewust aangemoedigd om eveneens met een tegen een stoot en stormpje bestand zijnde verkering op de proppen te komen, zelf een nieuw meisje, nog wel eentje waar Nicholas ooit langdurig mee had geflirt, want qua incestueuze clubjes kon er natuurlijk weinig op tegen de laatste jaren van een gymnasium.

Na die weerwraak volgde een periode van volmaakt evenwicht. We waren als een soort schaduw aanwezig in elkaars liefdesleven, wat misschien wel heel letterlijk genomen kon worden. Wie weet krabde de een, tijdens het liefdesspel, nog wel eens een achtergebleven molecule van de ander weg, fluisterden de geliefden ons precies dezelfde woordjes in het oor. Misschien spraken de meisjes af en vergeleken ze onze bedprestaties. Misschien waren ze vroeg wijs en zwegen ze in alle talen over hun respectieve exen.

Het evenwicht was geen lang leven beschoren, aangezien mijn relatie de essentiële grens van de achttiende verjaardag niet wist te overleven. Er brak een nieuwe tijd aan, we trokken met z’n allen naar L. en zouden die studenten­stad wel eens op haar kop zetten. Nicholas en ik waren de baanbrekers, want we hadden behoefte aan meer tegenstand, de lulhannesen op het gymnasium konden we onderhand wel, met een zinnetje of twee, verbaal liquideren, zodat niemand nog wat tegen ons durfde in te brengen.

Tot onze verbazing werd dat in L. niet anders. Het niveau van onze medestudenten bleek bedroevend, zodat onze oude vriendengroep aan elkaar bleef klitten. Zo ook Nicholas en ik, al had hij een economische studie aangevat en begon ik vol goede moed mijn leven te vergooien aan de literatuur.

Onze cijfers aan het einde van het eerste jaar waren bevredigend, evenals de ontelbare dronken, in gezamenlijke hilariteit gespendeerde avonden, daar lag het probleem of verschil niet. Het was zoals altijd de liefde die de scheidingslijn vormde. Terwijl Nicholas nog steeds naar bed ging met het meisje van wie hij, drie jaar geleden ondertussen, al eens de borsten doorheen de stof van haar nachtponnetje had gestreeld, was het voor mij een turbulente, leegte op leegte stapelende tijd. De amoureuze vermogens van mijn medestudenten bleken in overeenstemming met hun intellectuele: het nulpunt kwam soms akelig dichtbij. Ik vloekte, bedronk me, schreef slechte poëzie, vormde met andere woorden het levende bewijs dat je wel degelijk nog onder nul kon gaan.

Toen het doembeeld van de twintigste verjaardag in het vooruitzicht kwam, besloten we dat het tijd werd om ons revolutionaire elan terug te vinden. Nicholas blies zijn relatie op, zij het niet zonder dat hij zich eerst honderd procent verzekerd had van een vangnet, met name een nieuwe geliefde, die reeds stond te trappelen in de coulissen. Mijn vriend was econoom en niet van het type dat crises veroorzaakte.

Zelf besloot ik, samen met zowat de voltallige oude vriendengroep, om L. te verlaten en het oude nest in B. weer op te zoeken. Op liefdesvlak had ik, al dan niet bewust, hetzelfde gedaan door verliefd te worden op een meisje van ons vroegere gymnasium.

Daarmee was er voor het eerst in ons leven een echte breuk in levensomstandigheden tussen mijn boezemvriend en mij. Nicholas bleef immers, met een geliefde afkomstig uit een ander landsdeel, als enige in L. studeren, terwijl ik met de vertrouwde kornuiten het thuisfront weer onveilig maakte. Meer nog, ik was zelfs aan een heuse roman begonnen, de studies werden verwaarloosd, de liefde bloeide.

Hoewel het slechts een mespuntje moeite gekost zou hebben om elkaar uit het oog te verliezen, spraken we, haast elke keer dat mijn vriend in B. was, af om samen de bloemetjes buiten te zetten. Het waren vrijdagavonden waarop we teruggekatapulteerd werden in de tijd: dezelfde kroegen, dronkenschap, nooit eindigende onzingesprekken. We haakten, bij wijze van nostalgie, op de terugrit haast opzettelijk met onze fietsen in elkaar om gezwind tegen de vlakte te gaan. Je rijdt te dicht tegen me aan. Nee, jíj bent het die de hele tijd mijn kant op fietst. Je bent dronken. Jij ook. Je zou beter… En op het asfalt groeiden we weer naar elkaar toe.

Wat ook ongewijzigd bleef, was het eeuwige gepoch samen, tegen een buitenwereld die niet aan onze eisen voldeed. Meer nog, wanneer we met z’n tweeën zo’n euforische fietstocht beleefden, wisten we eigenlijk dat zelfs onze trouwe vriendengroep toch niet helemaal recht deed aan onze rijke, door elkaar almaar opgestuwde persoonlijkheden. Nee, wij hoorden te tafelen met mensen als Oscar Wilde, Gainsbourg, Churchill, dat waren tenminste waardige conversatie­partners. En wat onveranderlijk vaststond: we zouden een vergelijkbaar leven als een van die genoemde helden gaan leiden.

Het voorgespiegelde succes, dat in de puberjaren nog ingevuld werd met een Simon Garfunkel-achtig zangduo (‘maar dan véél beter’), zou zich nu echter via andere kanalen realiseren. Ché had de communistische idealen vaarwel gezegd, de vijand omarmd en was klaar om de niet-bevrijde proleten zijn zeiljacht te laten poetsen, terwijl deze jongen zo zachtjes aan had beslist zich tot één Nobelprijs te beperken.

Precies op hetzelfde moment begonnen we aan onze veroveringstocht. Nicholas verhuisde met zijn vriendin naar hartje Londen om, in de vermaarde City, voor een van de grootste banken ter wereld te gaan werken. Mijn debuutroman kwam uit en de Amsterdamse lokroep was nauwelijks nog te weerstaan.

Door de afstand waren onze ontmoetingen nu beperkt tot twee à drie keer per jaar, steevast te B., het vertrouwde en in zekere zin ook enige ‘neutrale’ terrein. Hoewel de rimpels zich, als een langzaam opgebouwd spinnenweb, begonnen te verdichten rondom onze ogen, bleven de avondjes nog steeds op haast identieke wijze als vroeger verlopen, zij het dan dat datzelfde ‘vroeger’ steeds vaker het onderwerp van gesprek werd. We waren dezelfden, maar in een andere wereld, ten opzichte van onze jeugd alleen maar een tikje succesvoller en cynischer geworden. Levensvreugde werd iets wat we steeds doel­bewuster moesten opzoeken.

Dat onze beide, door onszelf als ‘grote’ bestempelde liefdes kapotgingen, hielp er natuurlijk ook niet aan. We schepten daarna wel op over meisjes, maar stiekem wisten we beter van elkaar. We waren beiden wolven geworden die niet zoveel om honger gaven.

Later werd dat schijnbaar anders, een nieuwe grote liefde op het pad van de een, de volle overgave aan de eenmaligheid voor de ander, maar in de kern bleef alles hetzelfde. We waren twee jongetjes die beter dan de ander wilden doen, waardoor we elkaars droom voortdurend aanbliezen. Mettertijd hadden we geleerd dat die droom meer waard was dan de beginnende realisatie ervan, maar net dat besef deelden we ten volle.

De fietsen waren niet zo blinkend als gedacht, hoezeer onze woorden ze ook, die enkele keren per jaar, oppoetsten met het onvergelijkelijke blinkmiddel dat verleden heet, maar we wisten wat ze zouden doen: in elkaar haken en weten dat het onze eigen stomme schuld was.


Met zijn debuutroman Vulkaanvrucht (2010) won Yannick Dangre (1988) de Vlaamse Debuutprijs; met zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet (2011) won hij de Herman de Coninckprijs. Vorig najaar verscheen zijn veelgeprezen roman Maartse kamers


Vroegere vrienden

De Groene Amsterdammer vroeg vijf schrijvers terug te keren naar hun jongere jaren en te reflecteren op wie hun beste vrienden waren, en hoe ze die uit het oog hebben verloren. In reportage, memoir of essay gaan Gustaaf Peek, P.F. Thomése, Yannick Dangre, Shira Keller en Philip Huff op zoek naar hun vertrouweling van weleer.