Chic proza

De statuur van een hoofdpersoon is mede afhankelijk van zijn verschijning. Wat dat betreft zit het goed met het debuut van Persis Bekkering (1987), dat begint met een gloedvolle entree: ‘Als een warme zandstorm verspreidde de muziek zich door het hotel. Vioolmuziek, maar niet van het kaliber Schindler’s List. Hij kroop uit ventilatieschachten, schalde door goudgeel verlichte gangen, kletterde neer op het gretig geleidend marmer – een onzalig idee om hotelgangen met marmer te beleggen – en schoof onder de goedkoop gefabriceerde deuren door.’ Midden in een broeierig Italiaanse hotellobby is hij daar opeens: Igor Goldschmeding, en hij speelt zo daverend viool dat alle gasten hun kamer uitstormen om hem te kunnen aanschouwen.

Small cropdg 1805 grote versie

Onder hen is ook Adrian Zeitblom, violist van een toerend orkest en verteller van dit verhaal. Adrian is een wat knullig maar begenadigd musicus die midden in een existentiële relatiecrisis zit. Hij is in Italië om Ein Heldenleben van Richard Strauss te spelen, maar hoewel muziek normaal gesproken zijn ‘hulpmiddel tegen de angst’ is, gaat het niet best met hem. Dat verandert wanneer hij in contact komt met Igor, waarna een onwaarschijnlijke, intense vriendschap opbloeit. Adrian wordt een muzikale mentor van het wonderkind Igor en leert hem hoe hij Strauss ‘levendig’ moet vertolken. Igor trekt Adrian op zijn beurt het leven in; hij vertelt hem meeslepende verhalen over zijn jeugd, hijst Adrian in een paar chique schoenen en overweldigt hem met de grandeur van de Eeuwige Stad, die hem nieuw leven inblaast – ‘de feestsfeer deed mijn hart bijna barsten van geluk’. Hun broederlijke ‘verbond’ wordt ten slotte op de spits gedreven wanneer Adrian wordt meegesleept op een escalerend nachtelijk avontuur, dat hem confronteert met de consequenties van zijn levenshouding.

Niet volledige perfectie, maar juist oneffen­heden maken kunstwerken memorabel

Halverwege het boek is er opeens een harde breuk: het verhaal gaat zeven jaar terug in de tijd, het vertelstandpunt verplaatst van de eerste naar de derde persoon en centraal staat nu Kiriko Meertens, worstelend kunstenaar, die in de eerste helft al voorbijkwam in een van Igors verhalen. Ze heeft net al haar oude werk vernietigd om een radicaal nieuw project te starten, waarbij ze zich als een kluizenaar opsluit in haar appartement: het ‘“Monopticum”, had ze het gedoopt – ze bedoelde zoiets als het omgekeerde van een panopticum, waar slechts één paar ogen de objecten in hun bestaan bevestigde, en zijzelf volledig buiten observatie stond’. Terwijl ze op zoek is naar ‘kunst die uit zoiets als een kern voortkwam, een innerlijk vuur, noodzaak’, dringt iemand haar cocon binnen. Op een dag wordt ze wakker naast een onbekende jongeman, die ze aan de hand van een bankpasje identificeert: ‘I. Goldschmeding. Igor “met een kleine i”, het belachelijkste wat ze ooit had gehoord, en dat had de bank zo te zien ook genegeerd.’ De geweldenaar uit de eerste helft duikt hier op als een pretentieuze charmeur, die aan het veelbelovende begin van zijn muziekcarrière staat. Net als Adrian wordt Kiriko volledig door Igor opgezogen; ditmaal leidt dat tot een romantisch avontuur vol gesprekken over kunst, familie en intimiteit. Wanneer Kiriko’s kunstproject voltooiing nadert, begint ze vraagtekens te zetten bij Igors overheersende karakter, wat tegen het einde van de roman opnieuw tot een moment van bezinning leidt.

De opzet van deze roman is gewiekst: Bekkering brengt het heldenleven van Igor in kaart, maar doet dat tweemaal zijdelings, vanuit verschillende perspectieven. Zo behoudt de held deels zijn mysterie, weet de lezer nooit precies hoe het zit, en kan de schrijver ook meteen het innerlijk leven van twee andere personages uitwerken. Bekkering breekt de roman als het ware in twee aparte, samenhangende novelles; wat niet tot verbrokkeling leidt, maar aansluit bij haar thematiek. In hun zoektocht naar een totale, zuivere kunst ontdekken de drie personages namelijk dat niet volledige perfectie, maar juist oneffenheden kunstwerken memorabel maken: de kunstenaar moet het menselijk leven dan ook in al zijn rommeligheid en discontinuïteit kunnen vangen.

Waar de vertelstructuur origineel is, zijn de premisses van de twee verhaallijnen dat niet bepaald. De bruisende mannenvriendschap, waarin twee wereldbeelden met elkaar geconfronteerd worden, is een bekend literair recept. Daarnaast doet het verhaal over een jonge kunstenares, wier radicale kunstproject en liefde voor een man haar dwingen te reflecteren op haar familie, identiteit en haar plaats in de wereld, wel heel erg denken aan de veelvoudig bekroonde en geprezen roman waarmee een andere jonge schrijfster een paar jaar terug debuteerde.

Desondanks is Een heldenleven een debuutroman die overtuigt en entertaint. Bekkering beschikt over de gave om het cliché open te breken, zo te vertellen dat de bekende verhaalpatronen hernieuwde glans krijgen. Ze blinkt vooral uit in het schrijven van zinnen die blaken van plezier: ‘Interessante mensen plakten zich, typisch voor deze diersoort, aan hem vast als die slijmhandjes waar kinderen in de jaren negentig mee speelden.’ Een heldenleven dankt zijn charme aan die gekunstelde stijl, die vol zit met grappen en kwinkslagen, en soms ook met gevatte aforismen. ‘Nee, ik ben geen Humbert Humbert, god nee’, beweert Adrian in het eerste deel. Persis Bekkering lijkt daarentegen wel een voorbeeld te nemen aan Humberts schepper: haar nabokoviaanse ‘fancy prose style’ vonkt en schittert regelmatig.