Liquidatiegolf in Amsterdam

Chicago aan de Amstel

De liquidatiegolf in het criminele milieu die Amsterdam de laatste tijd heeft geteisterd, onderstreept nog eens de groeiende rol van «Joegoslaven» in de onderwereld. De politie probeert wat ze kan.

Ja, de «Joego's» kent hij wel. Althans: hij kent hun manier van werken. Paolo (niet zijn echte naam) is al jaren actief in Nederland. Als coffeeshopeigenaar, en contactman van een Zuid-Italiaanse familieclan die zo nu en dan «zaken doet» in Amsterdam. Maffia? Hij haalt zijn schouders op: «Jij zegt het. Wat noem jij maffia? Ik zie mezelf liever als ondernemer.» Paolo heeft naar eigen zeggen geen wapens en bodyguards nodig. Hij is gespierd genoeg om zich fysiek aardig op eigen kracht te kunnen redden. Hij is voor niemand bang. Behalve voor wat in zijn ogen maffia is, in de slechtste zin van het woord: de Montenegrijnen. Zo noemt hij de Joegoslaven — «Joego's» in rechercheurs- en criminelenjargon — die naar verluidt snel carrière maken in de West-Europese misdaad, met name in Amsterdam. «Het kan me niet schelen dat er ook Serven en Kroaten bijzitten. De Montenegrijnen zijn het ergst.»

Amsterdam wordt geteisterd door een liquidatiegolf in het criminele milieu. Dat is niet voor het eerst, maar tegenwoordig gaat het er bloederiger aan toe dan ooit. Waar vroeger de afrekeningen ’s nachts plaatsvonden op afgelegen plekken, gebeurt het nu steeds vaker dat criminelen op klaarlichte dag worden volgepompt met lood. Daarbij lopen nietsvermoedende burgers groot gevaar. «Het is hier geen Chicago aan de Amstel», suste burgemeester Patijn vorige week tegen beter weten in. «Er zijn altijd brute moorden geweest. We hebben de Russen gehad, nu zijn het de Joegoslaven.»

Maar er is iets veranderd: de Amsterdamse misdaad heeft zich de afgelopen tijd in hoog tempo bewapend. Sinds de eerste liquidaties zijn de machtsverhoudingen aan het schuiven; men voelt zich bedreigd. Joego slaven treden met name op als bodyguards en huurmoordenaars. Bendeleider Sam Klepper, die goede contacten onderhield met de Joego’s, had net een week voor zijn dood een Joegoslavische bodyguard aangenomen. Hij wachtte nog op een tweede die hij had besteld. Waarschijnlijk was zijn moordenaar eveneens een Joego, ingehuurd door de tegenpartij.

De Amsterdamse liquidaties lijken hun oorsprong te vinden op 22 september. Toen begon de hogerberoepszaak tegen de van wapenhandel verdachte Mink K.. De topcrimineel vertelde de rechter, en door een per ongeluk openstaande microfoon ook de buiten de rechtszaal meeluisterende pers, dat hij voor justitie werkte. Dat veroorzaakte grote onrust in de Amsterdamse onderwereld. Een dag later werd Jan Femer, een goede vriend en zakenrelatie van K., op de Haarlemmerdijk in zijn auto doodgeschoten. Dinsdagmiddag 10 oktober werd op klaarlichte dag Sam Klepper neergemaaid voor de deur van zijn appartement. Daarbij werd een bejaarde man in zijn been geraakt.

Op 27 oktober maakte de politie bekend dat bij drie invallen grote partijen wapens in beslag waren genomen, het merendeel afkomstig uit Joegoslavië. Zes mensen werden opgepakt, vijf daarvan Joegoslaven. Vrijdagavond 17 november was het weer raak. Twee Joegoslaven (30 en 28) en een Nederlandse vrouw (27) werden in het Japanse restaurant Kobe op de Nieuwezijds Voorburgwal, pal tegenover het politiebureau, in koelen bloede doodgeschoten. De schutter droeg een honkbalpet en een capuchon. Hij wandelde op zijn gemak het restaurant binnen, liep naar de tafel, schoot en verliet rustig het restaurant. Het voorlopig laatste slachtoffer, een Turkse man van 29, viel afgelopen vrijdag. Opnieuw vond de liquidatie bijna op de drempel van een politiebureau plaats.

De reeks afrekeningen en de brutale wijze waarop ze plaatsvinden zouden erop kunnen wijzen dat de Joegoslavische criminaliteit zich een plaats probeert te verwerven. De meeste criminele bendes houden zich doorgaans relatief koest, aangezien hard en openlijk optreden de aandacht van de politie trekt. Zo niet de Joego’s. Die zijn gewend te werken in een cultuur van open intimidatie. Hun wapen is de angst. Ook de manier waarop de meeste afrekeningen plaatsvonden wijst op Joegoslavische inmenging. Drive by’s zijn niet hun stijl. De meeste liquidaties in Belgrado vinden plaats in de ochtend en overdag, nooit van achteren, maar altijd recht in het gezicht van het slachtoffer. Dat daarbij publiek aanwezig is, lijkt de schutters niet te deren. Arkan, de bendeleider die zich als een geducht paramilitair ontpopte in de Kroatische en Bosnische oorlog en ook in Amsterdam actief was, kwam aan zijn einde in de lobby van een Belgrado’s hotel. De moordenaars knoopten een gesprek met hem aan, schudden zijn hand en leegden vervolgens hun machinepistolen.

Op 22 november meldde hoofdofficier Vrakking in het RTL-nieuws dat de jacht op de georganiseerde misdaad in Amsterdam een nieuwe fase moest ingaan. «Amsterdam is één van de grote internationale centra waar wapens worden verhandeld», zei hij. Volgens Vrakking kopen terroristische groepen in Nederland vooral zware wapens, zoals raketwerpers. Paul Beaver van de onderzoeksgroep Jane’s bevestigde dat. Volgens hem zouden groepen als de Real IRA, ETA en Arabische groepen zoals de Palestijnse El-Fatah in Amsterdam hun inko pen doen. Amsterdam fungeert daarbij vooral als stapelmarkt. De wapens komen uit de labiele staten van de voormalige Sovjet-Unie en de Balkan. Daar is nogal wat overtollig schietgerei sinds het afnemen van de vijandelijkheden.

De ontboezeming van Vrakking was het sein voor een tegenoffensief van de politie. Vrak king, de Amsterdamse hoofdofficier van de harde hand, stapt begin volgend jaar op. Hij zou niet graag de geschiedenis ingaan als de hoofdofficier die in zijn nadagen de greep op de Amsterdamse onderwereld verloor. Plaatsvervangend korpschef Joop van Riessen in Het Parool: «Als de kogels je in een restaurant om de oren vliegen, zit je met maffiatoestanden die we van New York kennen. Toen zeiden we tegen elkaar: we gaan er nu met alle middelen tegenaan.» Dus deed de politie in de nacht van 23 op 24 november met vijfhonderd man dertig invallen: tien in woonhuizen en twintig in horeca gelegenheden. Er werden 45 mensen gearres teerd, waarvan de helft Joegoslaaf. De wapenoogst viel echter tegen: tien machinepistolen met geluidsdempers, 21 patroonclips en vijfhonderd patronen. De Turkse onderwereld werd een paar dagen later aangepakt. Daar vielen 23 arrestaties en werden vijftien vuurwapens gevonden. Ook Turkse criminelen liquideren graag.

Maar het zijn vooral de Joego’s die de politie zorgen baren. Politiewoordvoerder Klaas Wilting: «Nu het daar wat rustiger is, beginnen ze zich hier des te meer te roeren. De wapenstroom is aanzienlijk toegenomen, en ze dein zen voor niets terug. Dat noopt tot een stevi ge aanpak — de strategie van de korte klap.»

Al sinds het begin van de jaren tachtig zijn Joegoslavische bendes in Nederland actief. De gewelddadige overval op juwelier Smit Ouwerkerk aan het Singel in Amsterdam in 1979 was waarschijnlijk de eerste misdaad van Joegoslaven in Nederland. Arkan was erbij betrokken. Maar de Joego’s zijn allang geen kruimeldieven meer. Ze zouden zich vooral bezighouden met wapenhandel. Daarnaast handelen ze in vrouwen en drugs. Naar verluidt controleren ze een deel van de prostitutie in Amsterdam. De drugs zijn vooral een afgeleide van de wapenhandel. Groeperingen die krap bij kas zitten betalen hun wapentuig vaak in heroïne of coke.

Het is de vraag hoezeer de wapenhandel met de politieacties een slag is toegebracht. Die is immers stevig geworteld. Al vanaf begin jaren negentig duiken wapens op die vermoedelijk afkomstig zijn uit Joegoslavië. In december 1993 vond de politie een enorm wapenarsenaal in Zwanenburg — naast handvuurwapens ook semtex en antitankgranaten. In 1994 waren er verscheidene incidenten waarbij Joegoslavische handgranaten werden gebruikt, en in 1998 kwamen twee Marokkaanse jongetjes om het leven doordat de handgranaat die ze hadden gevonden afging. Ook die was van Joegoslavische makelij.

Ook de Joegoslavische huurmoorden zijn niet van gisteren. In 1996 werden zware straffen uitgedeeld aan drie Joegoslaven die deel uitmaakten van een bende waarvan de leiding zetelde in Belgrado. De mannen hadden in opdracht enkele moorden beraamd en er al twee uitgevoerd, een op een Rotterdammer en een op een landgenoot in Amsterdam. Ze waren ingehuurd door een Haagse souteneur en zouden in contact staan met Arkan. Volgens de politie reisden ze regelmatig af naar Bosnië «om daar etnische zuiveringen te plegen». Twee maanden later werd in Amsterdam opnieuw een Joegoslaaf vermoord.

In het rapport over allochtone en buitenlandse criminele groepen in Nederland dat de criminologen Frank Bovenkerk en Cyrille Fijnaut in 1995 opstelden voor de commissie-Van Traa wordt melding gemaakt van «meedogenloze bereidheid om dodelijk geweld te gebruiken» tegen zo'n beetje iedereen die de Joego’s dwarszat. In die tijd identificeerde de politie in Amsterdam vijf verschillende groepen. Tussen twee daarvan waren de relaties niet al te best. Er waren doodsbedreigingen. Op 29 juli 1995 werd de daad bij het woord gevoegd toen een van beide leiders overdag, midden op straat werd geliquideerd. Volgens de stukken die Fijnaut en Bovenkerk bestudeerden, zouden de Joego’s meermalen politiefunctionarissen hebben geïntimideerd in de hoop dat ze hun naspeuringen staakten. Daar is Klaas Wilting niets van bekend: «De onderzoekers hebben ook met individuele politiemensen gesproken. Wellicht hebben die hen dat verteld.»

Het is vooral Amsterdam dat te maken heeft met Joego-criminaliteit. Anne Geelhof van de politie Rotterdam-Rijnmond houdt het op de sterke Joegoslavische subcultuur in de hoofdstad. «Het laatste incident dat ik me kan herinneren was in 1996. Toen werd een Joegoslaaf aangehouden door de Duitse grenspolitie. Hij was met een auto vol wapens — 205 pistolen — op weg naar Rotterdam.»

Volgens Frank Bovenkerk in het Rotterdams Dagblad hebben de Joego’s zich definitief in Amsterdam gevestigd, zoals ook de Amsterdamse politie vermoedt. Er zijn langlopende relaties met Nederlandse misdaadgroepen, onder meer met die van de haast onaantastbare Stanley H.. Bovenkerk karakteriseert de Joego’s als «verwende jongetjes die uit een milieu komen waar geweld veel gebruikelijker is dan bij ons. Ze komen uit de betere buurten van Belgrado en hun vaders zijn bijna allemaal militair.»

In het onderzoek voor Van Traa werd vooral Frankfurt geschetst als de hoofdstad van de Joegoslavische criminaliteit in West-Europa. In 1990 woedde er een oorlog tussen verschillende bendes. Een woordvoerder van de Frankfurtse politie: «Tegenwoordig hebben we hier weinig last meer van ze. Het zou kunnen zijn dat velen zijn teruggekeerd nu het wat rustiger is op de Balkan.»

Waarschijnlijker is dat een bendeoorlog begin jaren negentig in Frankfurt uitkomst heeft gebracht. Alleen al in 1990 vielen achttien doden en talloze gewonden in de strijd tussen verschillende Joegoslavische groepen. Arkan, die in die tijd de schuilnaam Asanin gebruikte en zijn operatieterrein van Nederland naar Duitsland had verlegd, kwam als overwinnaar uit de bus. Vanuit Belgrado bestuurde hij volgens sommigen zijn Duitse misdaadimperium.

«Maar dan zetelde dat toch niet in Frankfurt», zegt de politiewoordvoerder. «Hier heeft men elkaar praktisch uitgeroeid. Toen de liquidaties op gang kwamen, hadden we net onze pogingen om te infiltreren opgegeven. Veel te gevaarlijk. We stonden erbij en we keken ernaar.» Zo niet de Amsterdamse politie. Die meldt in haar persberichten dat met beide recente operaties menige liquidatie is voorkomen. Met name door het «actief informeren van personen die als doelwit konden worden bestempeld». De Joegoslavische misdaad gaat gouden tijden tegemoet in Amsterdam.