Chili (1)

Hoe kun je van iemand die ruim een jaar in Chileense concentratiekampen en geheime martelcentra heeft doorgebracht een schuldige in plaats van een slachtoffer maken? Gewoon, door te argumenteren dat hij als minister van de regering-Allende schuldig was aan schending van de democratische spelregels en daarmee het groene licht gaf aan Pinochets terreurbewind.

Dit klinkt cru, maar het volgt logisch uit het artikel van Aart Brouwer in De Groene van 2 december. Toen ik het artikel las moest ik dus onwillekeurig denken aan iemand die ik in 1976 leerde kennen, Orlando Letelier, Chili’s minister van Defensie toen Pinochet de macht greep. Was Letelier zelf schuldig aan zijn verblijf in concentratiekampen en martelcentra? De pretentie van Brouwer is niet gering: hij wil duidelijk maken dat Allende (en niet Pinochet) de Chileense democratie om zeep heeft geholpen, en dat al diegenen die steeds iets anders hebben beweerd (zoals mensen van het Chili Komitee Nederland) blind zijn voor deze werkelijkheid. Wat maakt Brouwer van zijn pretentie waar? Weinig. Allende zou zich niet aan de democratische spelregels hebben gehouden. Onjuist. Allende had de uitslag van de parlementsverkiezing van 4 maart 1973 vervalst, waardoor de oppositie geen tweederde meerderheid kon halen. Onjuist. Omdat Allende niet opstapte toen een meerderheid van het Chileense Congres hier om vroeg, zou hij aan het ingrijpen van Pinochet ‘legitimiteit’ hebben verleend. Onjuist. De meerderheid van de Chilenen stond achter de staatsgreep. Weet ik niet; bij mijn weten is de Chilenen hier nooit naar gevraagd. Wel wilde Allende een referendum houden, maar Pinochet sloeg eerder toe. Pinochet werd vanwege zijn brute geweld en zijn repressieve bewind door geen enkele weldenkende Chileen gesteund. Onjuist. Pinochet kreeg de steun van een invloedrijk deel van de Chileense bevolking en ook van vele 'kleine zelfstandigen’ en een deel van de onderkant van de Chileense samenleving. In de ogen van Brouwer hebben niet de ITT, Kissinger of rechtse Chilenen het land gedestabiliseerd, maar vooral de regering-Allende zelf. Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat de destabilisatie meteen begon nadat Allende de verkiezingen in 1970 won. Chileens rechts heeft, gesteund door Kissinger en de CIA, politieke en economische instabiliteit bevorderd teneinde de regering-Allende te dwarsbomen. Natuurlijk, Allende had kunnen proberen de oppositie minder gelegenheid te geven tot destabilisatie. Maar juist omdat hij de democratische spelregels zo hoog in het vaandel schreef, had de oppositie bijna onbeperkt de ruimte - via een opruiende pers, ondernemersstakingen en aanslagen door fascistische groeperingen als Patria y Libertad, tot het voeren van acties binnen en buiten het parlement die de Chileense samenleving ontwrichtten. Niet Allende maar de rechtse oppositie en een deel van extreem links zagen uiteindelijk geen heil meer in de democratie. In tegenstelling tot wat Brouwer beweert, was links in Chili kritisch over zijn eigen rol. Tijdens Allende - ik woonde zelf in Chili in 1973 - en ook daarna. Talloze publicaties getuigen hiervan. Brouwers streven om nieuwe lessen te trekken uit de regeringsperiode van Allende is prima. Maar dan moet hij zich er wel eerst meer in verdiepen. Amsterdam, JAN JOOST TEUNISSEN Oud-medewerker van het Chili Komitee en De Groene Amsterdammer Chili (2) In 'Chileense lessen’ (in De Groene van 2 december) gaat Aart Brouwer te werk volgens een beproefd procédé. Hij construeert met behulp van een citaat van Revel uit 1976 een karikatuur van de linkse opvattingen over de mislukking van Allende’s weg naar het socialisme, en doet vervolgens alsof dit nog steeds de heersende linkse opvatting is. Daarom maakt de arrestatie van Pinochet volgens Brouwer niet alleen een gewetensonderzoek onder diens aanhangers nodig, maar zal ook het linkse taboe op het falen van Allende doorbroken moeten worden. Kennelijk is het Brouwer ontgaan dat de linkse partijen in Chili al meteen na de staatsgreep van 1973 zijn begonnen aan een grondig zelfonderzoek. Opvallend is dat daarbij vrijwel nooit, zoals Brouwer meent, de Verenigde Staten als hoofdschuldigen fungeren. Interne Chileense factoren waren belangrijker. Als ernstige tekortkomingen van links worden genoemd: proberen het socialisme op te bouwen zonder te steunen op een meerderheid, een zigzaggend beleid, grote conflicten in Allende’s regeringscoalitie en onvoldoende besef van het belang van democratische politieke instellingen. Zulke kritiek komt niet alleen van aanhangers van Allende die pragmatische sociaal-democraten zijn geworden, maar ook van mensen die zich ter linkerzijde van de huidige christen-democratische/sociaal-democratische regeringscoalitie bevinden. Terwijl links zo'n grondige kritische evaluatie heeft gemaakt, valt bij Chileens rechts van enige kritiek op het eigen handelen nog steeds niets te bespeuren. Ook op Brouwers verhaal over Allende’s regeerperiode valt veel af te dingen. Ik pak er een paar punten uit. 'De bewering dat Allende van het begin aan is tegengewerkt, is dan ook nonsens.’ Toch was dat wel degelijk het geval. De grote rechtse partij probeerde via een hoogst ongebruikelijke politieke manoeuvre Allende’s aantreden als president te voorkomen. Dezelfde opdracht gaf Nixon aan de CIA. Dat leidde al voor de officiële aanvaarding van het presidentschap tot de moord op de constitutioneel denkende opperbevelhebber van het leger, generaal Schneider, en daarmee tot een crisissfeer. Dat met het presidentschap van Allende in 1970 een einde kwam aan de democratie is een oud verhaal van de Chileense christen-democraten, dat mede diende om hun eigen aanvankelijke steun aan de staatsgreep te legitimeren. Ook zij zijn echter inmiddels tot het inzicht gekomen dat de breuk ligt bij Pinochet in 1973. Allende heeft zeker geprobeerd de bestaande wetten op te rekken. Dat hij daarbij in botsing kwam met de rechterlijke macht, zegt ook iets over de houding van de meeste rechters. Die zetten zich krachtig in voor het particulier eigendom, maar bleken later tijdens de dictatuur weinig belang te hechten aan de verdediging van mensenlevens. Onder Allende was er vrijwel onbeperkte vrijheid van meningsuiting, organisatie en demonstratie. Er waren geen politieke gevangenen en op de afgesproken tijdstippen werden verkiezingen gehouden. Brouwer wijst op fraude bij de parlementsverkiezingen van maart 1973. In gezaghebbende recente studies over de periode-Allende wordt daarover echter niets vermeld, terwijl de toenmalige ambassadeur van de Verenigde Staten Nathaniel Davis, uiteraard geen medestander van Allende, in zijn boek The Last Two Years of Salvador Allende de fraude sterk relativeert. Er valt terechte kritiek te leveren op de regering-Allende, maar Brouwer schept met zijn talrijke onjuiste beweringen vooral verwarring. Zijn artikel draagt geenszins bij aan een beter inzicht in de Chileense geschiedenis of in de gecompliceerde situatie van dit moment. Utrecht, JAN DE KIEVID