Chili’s verloren paradijs

Dit is een voorpublikatie uit: Rudi Boon, Standplaats Chili. Uitgeverij Jan Mets, 96 blz., prijs f22,50
Bruno en Leo Serrano: twee broers, twee schrijvers. De een vluchtte naar ons land, de ander bleef in Chili. Na zeventien jaar kwamen ze weer bijeen in hun geboorteland. Een gesprek over het schrijverschap en het verloren paradijs. Met een navrant post scriptum: drie weken geleden overleed Leo, 41 jaar oud.

VALDIVIA - Een beetje grauw en somber deze stad, met veel dat in een gevarieerde staat van afbraak en nieuwbouw verkeert. Misschien ligt het aan het weer. We zijn niet alleen ruim zeshonderd kilometer naar het zuiden gevlogen, maar ook vijfentwintig graden Celsius in temperatuur gedaald; de Chileense lente zet hier langzamer door dan in Santiago. Op de hoek van Maipu en Ungay, hoofdstraten in het centrum, zijn we te gast in een pand waar grote namen uit de Chileense geschiedenis vertrouwd klinken. Salvador Allende woonde er als jongen, evenals een andere voormalige president, Arturo Alessandri, van wie een kleinzoon in 1993 de conservatieve presidentskandidaat zou zijn.
Nu staat er op de gevel: ‘Libreria y Cafe Cultural Fertil Provincia’ - 'Boekhandel en Cultureel Cafe Vruchtbare Provincie’, op welk adres zich ook een uitgeverij van dezelfde naam bevindt. Midden in het cafe staat een boekentafel met werken als De antropologie van de armoede, Het dagboek van een Salvadoraanse guerrillero, een Spaans-Mapuche woordenboek en Antonio Gramsci’s Politica y sociedad, naast 101 recepten met yoghurt. Een sfeer van wij-gaan-door-met-de- strijd, met een vleugje welhaast uitgestorven internationalisme. Alles in pasgeverfde pasteltinten. Eigenaar van boekhandel, cafe en uitgeverij is Bruno Serrano, en vanavond wordt hier zijn nieuwste boek gepresenteerd: Maldito Cristophoro Colombo.
Literatuurminnend Valdivia is met zijn dertigen naar het culturele evenement gekomen dat wordt opgeluisterd, zoals alles in dit land, door een zanger met gitaar. 'Cambia, todo cambia’, wordt zachtjes meegezongen. Vervloekte Christoffel Columbus ontvouwt in honderdtwintig bladzijden de geschiedenis van Chili vanaf de ontdekking van Amerika tot aan het einde van de dictatuur. Achterin is een namenlijst opgenomen van personen die in deze beknopte geschiedenis voorkomen. Bijna niemand is nog in leven, ook de zoon van de auteur niet. Bruno Serrano verschijnt zelf in het boek beurtelings als verteller en hoofdpersoon.
De auteur leest voor en raakt bij zijn eigen beschrijving van de aanval op het Moneda- paleis zo geemotioneerd dat een ander de voordracht moet overnemen. Na afloop staat een man uit het publiek op en zegt: 'Ik ken de auteur wel een beetje, want hij is mijn broer, al heb ik hem zeventien jaar niet gezien. Mijn vraag is: waarom sterft de verteller aan het eind van het boek? Hoe komt het dat in bijna al jouw boeken de hoofdverteller sterft?’
'Als je je herinneringen opschrijft’, antwoordt Bruno Serrano, 'word je eigenlijk een ander. Er wordt eigenlijk een nieuwe persoonlijkheid geboren. Dus sterft de oude.’
TWEE SCHRIJVERS, twee broers. Beiden behoorden destijds tot organisaties van revolutionair links, horzels in de pels van Salvador Allende. Op beiden werd in 1973 door de militairen gejaagd. De een dook onder, de ander ging in ballingschap. Beiden bleven schrijven.
Leo Serrano woonde zestien jaar in Nederland en was onder meer docent Spaans in Groningen. Hij publiceerde in 1987 Een onmogelijke herinnering, een roman over het moeizame aanpassingsproces van een politieke balling in Nederland. Aan het eind van het boek, tijdens een voor Groningen qua drank en vrouwen liederlijk bacchanaal, wordt de hoofdpersoon nog eenmaal meegesleept door een visioen. Over Carlos, de kameraad die zijn leven offerde om hem dekking te verlenen bij de vlucht uit een militaire omsingeling. 'Carlos, die alle kogels en al zijn vernuft had gebruikt, opdat ik het later geveld door de alcohol kon navertellen.’ Waarna het boek besluit met een laatste herinnering: 'Aan alle dingen komt een eind en zowel hier als op twaalfduizend kilo meter afstand is er deze veertien jaar niets wezenlijk veranderd, en er zal ook niets veranderen, hoe je ook zoekt (…) je leven heeft geen zin.’
Terwijl Leo Serrano in Nederland werkte aan zijn omvangrijke roman met deze sombere conclusie, schreef zijn broer twaalfduizend kilometer verderop, op verschillende onderduikadressen, sociaal bewogen poezie. Eerst als enig mogelijke uiting onder de dictatuur, later in combinatie met het organiseren van schrijverscursussen in gevangenissen, het uitgeven van gedichten van gedetineerden, het samen met bewoners de geschiedenis van volkswijken beschrijven en nog veel meer.
Sinds een paar maanden woont Leo Serrano weer in Chili, na in 1990 voor het eerst sinds zijn ballingschap hier een korte vakantie te hebben doorgebracht. Hij werkt aan een nieuw boek, ditmaal over de terugkeer van een politieke balling in Chili.
Had jij Bruno’s boeken kunnen schrijven? 'Onmogelijk. Mijn boeken gaan over heimwee. Heimwee naar een verloren paradijs. Bruno is hier gebleven en was betrokken. Ik schrijf over onthechting.’
In een gierende storm rijden we naar de kust, waar de rivier de Valdivia uitmondt in de Stille Oceaan. We kijken ernaar vanaf de fortificatie Niebla, gebouwd in de zestiende eeuw, waarmee we ons bevinden in het eerste hoofdstuk van Vervloekte Christoffel Columbus. Vijftien kanonnen wijzen dreigend naar de rivier, slechts drie naar de oceaan. Een tweede fortificatie zien we liggen op Isla Mansera, het eiland midden in de rivier waar markies de Mansera woonde, de Spaanse gouverneur van Valdivia. De derde, Corral, ligt daarachter, aan de zuidkant van de monding. Vanuit deze drie vestingen moest Valdivia worden beschermd tegen Hollandse en Engelse piraten. Toen geen piraat er meer in slaagde de drie forten te passeren, begonnen de Spanjaarden het achterland en de Mapuche-Indianen te koloniseren.
'De titel is afkomstig van een Argentijnse dichteres, die beschreef hoe haar moeder iedere dag naar de zee keek en verzuchtte: “Vervloekte Columbus” ’, vertelt Bruno Serrano. 'Wat er daarna gebeurde, alle onderdrukking, alle conflicten, komt voort uit de komst van die vervloekte Columbus. Een vervloeking voor ons, Chilenen, die een mengsel zijn van Spanjaarden en Indianen. Wat ik zoek in mijn werk, is de oorsprong. De oorsprong, zoals de tocht die wij vandaag maken.’
BOVEN OP DE ROTSEN hebben we een Duits restaurant ontdekt waar pulmay, een Mapuche-visschotel, wordt geserveerd. We zitten hier al aardig diep in het gebied van de Duitssprekende gemeenschap, in de vorige eeuw geimporteerd om het zuidelijke merengebied in cultuur te brengen. Schelpdieren, vlees, kip, worst, spek, aardappel, alles heeft de kok in de grote pan gestopt. 'Een burgerlijke versie van pulmay’, moppert Leo Serrano. 'Het hoort op hete steen te worden bereid, in lagen: een laag vis, bladeren ertussen, een laag kip, laag voor laag.’
Leo is nu eenenveertig jaar, Bruno vijftig. Menig glas pisco heffen we op het weerzien na zeventien jaar. Er valt veel te vertellen, maar eigenlijk ook weer niet. Wat er met hun mensen is gebeurd, dat weten ze wel. Beiden waren lid van de MIR, de Movimiento de Izquierda Revolucionaria, die de revolutie in Chili gewapenderhand tot stand wilde brengen. Onder deze partij maakten de militairen relatief de meeste slachtoffers. Leo Serrano was vlak voor de staatsgreep nog overgestapt naar een kleinere, trotskistische splinterpartij.
Een dag na de staatsgreep werd Bruno Serrano gepakt. In een meubelfabriek in het industriecentrum Vicuna MacKenna in Santiago. Hij werkte daar niet, hij vocht er; drie dagen lang werd er door gewapende revolutionairen als de Serrano’s vergeefs slag geleverd met de militairen. Bruno Serrano kwam in het stadion terecht, werd zodanig toegetakeld door de militairen dat hij ziek onder in de catacomben verbleef in plaats van op de bankjes in de open lucht. Regelmatig werden overtreders van de avondklok binnengebracht, en op zekere dag zag Bruno Serrano kans zich ongemerkt tussen deze overtreders te begeven, die doorgaans na een paar dagen weer werden vrijgelaten. Zo wist hij te ontsnappen.
Buiten de muren van het stadion was het al evenmin veilig voor hem. Hij klopte voor een schuiladres aan bij zijn linkse vrienden; niemand wilde hem helpen. Hij klopte aan bij een jeugdvriend, een overtuigd voorstander van de staatsgreep. In de totaal gepolariseerde samenleving van toen bleken er nog mensen te zijn die persoonlijke verhoudingen boven de politiek stelden. Deze fervente aanhanger van Pinochet gaf hem geld, kleren, tien dagen onderdak en het gebruik van zijn auto.
Bruno Serrano week uit naar de kust, leefde als visser en handelde wat in kunstnijverheidsprodukten. Later, toen het ergste voorbij was en je weer op linkse deuren voor hulp kon aankloppen, keerde hij terug naar Santiago, voorzien van een andere identiteit, en begaf zich in het ondergrondse werk.
Hij wist dat veel mensen van de MIR waren gepakt, hij was al in handen van de militairen geweest, wist wat ze met hem zouden doen en welke risico’s hij liep. Toch bleef hij in het land. Waarom?
'Het was een kwestie van verantwoordelijkheid. Ik was politiek actief onder arme boeren, onder krottenwijkbewoners. Die mensen zijn mede door mij politiek bewust geworden. Zij konden niet vluchten. Ik vond dat hun lot het mijne moest zijn.’
Leo, aan jou de vergelijkbare vraag. Ook in jouw omgeving werden ze in groten getale opgepakt, jij liep hetzelfde gevaar. Jij besloot wel het land te verlaten. Waarom?
'Ja, God… Het enige eerlijke antwoord is: omdat ik bang was.’
Lang zwijgen nu. Het enige geluid komt van de lege mosselschelpen die we teruggooien in de pan.
Bruno Serrano begint te mompelen. Leo, wat zegt je broer?
'Mijn broer zegt dat het te eenzijdig is wat ik daarstraks zei. Er waren andere factoren. Ik was geen lid meer van de MIR, was onbeschermd. Bovendien was ik bij de autoriteiten bekend, ik was in 1970 al eens opgepakt. Hij zegt dat ik niet alleen maar ben weggegaan omdat ik bang was.’
LEO SERRANO stond ingeschreven als student, maar was in feite fulltime revolutionair, lid van de militaire vleugel van de MIR, daarna van de trotskisten. De eerste acht maanden na de coup dook hij onder, bij vrienden, kennissen, familie. Vervolgens wist hij te ontkomen naar Argentinie, waar het voor revolutionaire kostgangers zo mogelijk nog moeilijker was om te overleven dan in eigen land. In 1976 kwam hij als politiek vluchteling in Nederland aan, een hoofd vol onmogelijke herinneringen.
Elf jaar later laat hij in Een onmogelijke herinnering zijn alter ego Rafael en een andere Chileense vluchteling, Ton~o, met elkaar in Nederland optrekken. Ton~o leeft harmonisch met zijn vriendin, studeert, past zich aan en treft al in 1983 voorbereidingen voor zijn terugkeer naar Chili. Rafael daarentegen is geobsedeerd door het verleden dat onbereikbaar is geworden maar tegelijkertijd integratie in zijn ballingsoord volledig in de weg staat.
'Mijn thema’s zijn totaal anders dan die van Bruno’, verklaart Leo Serrano. 'Ik ben hoe dan ook pessimistischer. Wat ik beschrijf, is de ontworteling. Je bent weg, je bent buiten je dagelijks leven komen te staan, in een nieuwe werkelijkheid terechtgekomen. Je hebt alleen nog de herinnering aan de doden, en aan het leven van vroeger. Maar dat zoeken naar het verloren paradijs mondt uiteindelijk uit in het zoeken naar diezelfde oorsprong: hoe ben je, wie ben je.’
Wat is de invloed van de nieuwe democratie op hun werk? In wiens boeken is de utopie die zij vroeger met politieke middelen zochten, nog het meest tastbaar voor de lezer aanwezig?
Leo Serrano’s werk vertoont op het eerste gezicht de grootste continuiteit. In zijn nieuwe boek Como una red vacia (Als een leeg vangnet) vat hij, teruggekeerd in Chili, de draad van zijn vorige boek weer op en gaat opnieuw op zoek naar het verloren paradijs. 'Er is in het Chili van vandaag veel wat niet klopt. Het verleden bijvoorbeeld, je kunt het niet meer herbeleven, behalve als je schrijft. Je zoekt naar het verleden en je kunt het nooit vinden. Het is precies zoals Bruno gisteren zei toen ik vroeg waarom bij hem de verteller altijd sterft. Eigenlijk ben je dood. Je bent nu een serieuze man van eenenveertig. Die jongen van toen, van twintig, die is er niet meer.’
Bruno Serrano’s poezie daarentegen heeft wel degelijk veranderingen ondergaan. Sinds het einde van de dictatuur heeft hij ontdekt dat poezie meer is dan dienstbaarheid aan de goede zaak; inmiddels ligt in zijn boekwinkel een bundel erotische gedichten van zijn hand: Fin de muslo (Einde van de dij). Desondanks bekruipt me het gevoel dat ik op zoek ben naar de verkeerde tegenstelling. Zijn de twee broers niet juist op elkaar gaan lijken? Is Bruno Serrano’s Vervloekte Christoffel Columbus, met die dodenlijst achterin, niet evenzeer een monument voor zijn gevallen vrienden als de boeken van Leo Serrano dat zijn?
'Ik denk’, zegt Bruno Serrano, 'dat het niet uitmaakt of je schrijft vanuit je wortels binnen Chili of vanuit de ontworteling daarbuiten. Het feit dat je schrijft, dat je je ervaringen meedeelt aan anderen, dat je je niet bij de omstandigheden neerlegt maar juist je leven opschrijft en aan anderen laat zien, dat is al optimistisch. Ongeacht je thema’s of je visies daarop. Want je bewijst daarmee aan de toekomst te denken.’ Leo Serrano zit met open mond te kijken. Zijn oudere, strijdbare broer verleent hem, verleent aan zijn pessimistische, gedesillusioneerde pennevruchten het predikaat 'optimistisch’!
'Wat sterft’, vervolgt Bruno Serrano, 'is de verbeelding van het verloren paradijs. Het ideaal blijft, ondanks het mislukken van het socialisme. Je ontdekt dat je de wereld niet kunt veranderen - dat is een taak voor de goden -, maar je kunt wel via je ervaringen en je ideeen helpen twee of vier ogen te openen. Er blijft een utopie bestaan, omdat na het verloren paradijs er toch nog een paradijs te winnen valt: het paradijs van de vrijheid. Daar ligt je toekomst.’
Leo Serrano mompelt iets over een 'nieuw gezichtspunt’ waarover hij moet nadenken. 'Achteraf gezien moet ik zeggen dat er in Als een leeg vangnet bepaalde momenten zijn waarop de hoofdpersoon denkt: mijn jeugd is afgelopen. Al ben ik niet meer de idealist van toen, al speel ik niet meer de grote rol van bevrijder, van messias, niet voor niets ben ik hier. Het is een legitiem verleden, legitiem omdat je leefde en handelde vanuit een idee van verandering.’
Bruno Serrano vergelijkt het opschrijven van die ervaringen met de eerste kunstuitingen van de mens, met tekeningen in grotten. Daar zie je al hoe een besef van toekomst wordt vormgegeven. 'Je wilt je ervaringen niet alleen voor jezelf houden, je wilt dat ze voor iedereen toegankelijk worden. Anne Frank is optimistisch.’
DOOR DE POTLOODGRIJZE regen kijken we naar het heftige samensmelten van de drie rivieren de Valdivia, de Callecalle en de Rio Cruces, een schouwspel dat al duizenden jaren aan de gang moet zijn. 'Ik ga je iets heel belangrijks vertellen’, zegt Leo Serrano. 'Ik ben hier eigenlijk zomaar gekomen, gewoon, op bezoek. En ik ben gebleven, zonder enige voorbereiding, omdat ik verliefd werd, hier in Chili. Toen ik dat gisteren aan Bruno vertelde, zei hij: Precies! Dat is het! Je laat alles wat je in Nederland hebt achter voor je gevoelens, omdat je iemand ontmoet hebt die je emotioneel raakt. Daar gaat het om! Je hebt nog steeds de capaciteit om verliefd te worden, om grote veranderingen in je leven aan te brengen. Je hebt je niet kapot laten maken. Je leeft nog.’
Zo zei Leo Serrano het, die vrijdag de vijftiende oktober 1993, in een gierende storm bij de monding van de Valdivia. Hij zou een nieuw leven beginnen in Chili. Hij trouwde in februari. Daarna werd hij ziek en werd alles anders. Leo Serrano stierf op 3 november 1994 in Santiago de Chile.