De Grote Obsessie

China en de boze buitenwereld

Van de imperialistische Opiumoorlogen in de negentiende eeuw tot de rellen tijdens de olympische fakkeltocht vorig jaar: de vernedering van China door het buitenland moet worden gewroken. Een streven dat met de huidige opkomst van China lijkt te zijn bereikt.

DOOR

YANG JIA WERD geëxecuteerd. Dat was onvermijdelijk. Op 1 juli vorig jaar liep de 28-jarige werkloze Pekinger met een zware tas over zijn schouder naar de deur van een politiebureau in Shanghai en ontstak acht molotovcocktails. In de paniek van de explosies probeerde een veiligheidsbeambte hem nog te stoppen, maar Yang Jia stak de beambte neer en drong het gebouw binnen, waar hij willekeurig op officieren inhakte, vier in de lobby en vijf elders, terwijl hij zich systematisch door het gebouw naar de 21ste verdieping werkte. Zes mensen bloedden ter plekke dood, wonden in de longen, nek en lever.
Eenlingen met een onverteerbare wrok bestaan overal ter wereld; Apeldoorn, Columbine, te veel voorbeelden om op te noemen. Existentiële woede die blijkbaar moet worden gekoeld op een maatschappij die de daders iets verschuldigd zou zijn. Maar verbijsterend genoeg is anders dan elders deze moordenaar voor ontelbare Chinezen niet een verdwaasde gek. ‘Een soort nationale held zien velen zelfs in hem’, zegt de schrijver Ma Jian. Zelfs doorgaans gezagsgetrouwe kranten schreven in de aanloop naar de rechtszaak sympathieke portretten en suggereerden duister dat hem onvergeeflijk kwaad was aangedaan dat hem dreef tot een gerechtvaardigde daad. ‘Jij hebt gedaan wat de meesten willen doen, maar waar ze de moed niet toe hebben’, is een voorbeeld uit de ontelbare bewonderende internetreacties. Een ander schrijft dat Yang ‘handelde vanuit een sterk rechtsgevoel’. Op de dag van de hogerberoepszaak (die tegenwoordig in doodstrafzaken automatisch wordt ingesteld) protesteerden voor het gerechtshof aanhangers gekleed in T-shirts met Yangs afbeelding. Volgens de in Amerika gepubliceerde Falungong-krant The Epoch Times waren het er zelfs meer dan duizend. Tientallen zouden zijn gearresteerd.
Maar wat is dan wel die onverkropbare misdaad die blijkbaar moest worden vergolden met de dood van zes onschuldigen? Alleen het volgende is echt duidelijk: in oktober 2007 werd Yang Jia gearresteerd vanwege een mogelijk gestolen fiets. Zoals niet ongebruikelijk in China hadden de politiemannen weinig geduld en probeerden een schuldbekentenis af te dwingen met beledigingen en uiteindelijk een pak slaag. De rest is speculatie. Hij zou in zijn kruis zijn geschopt, waardoor hij impotent bleef. Verdichtsel of waarheid, het laat zich onmogelijk checken. Belangrijker is dat het in de publieke opinie als onwrikbaar feit wordt aangenomen. Deze ogenschijnlijk keurige jongeman kon onmogelijk tot zijn gruweldaad zijn gekomen zonder daar gegronde redenen voor te hebben, is de overweldigende teneur in de lawine van commentaren. ‘Je kunt dan wel zeggen dat hij schuldig is aan moord, maar ik denk dat een individuele moord en de sociale context twee verschillende dingen zijn’, zegt kunstenaar Ai Weiwei, die veel over de zaak schreef. ‘Een half jaar lang probeerde hij via juridische wegen zijn recht te halen. Nadat hem duidelijk werd dat hij nooit enig resultaat zou bereiken ging hij uiteindelijk tot zijn protestdaad over.’
Zelfs in de gemankeerde Chinese rechtsgang verdient Yang Jia’s zaak inderdaad geen schoonheidsprijs. De overheid probeerde angstig de zaak zo goed mogelijk af te dekken en de rechtbank weigerde een psychologische evaluatie. Yangs advocaat had belangen bij het betreffende politiebureau en zijn moeder verdween spoorloos. Ze bleek na vier maanden te zijn opgesloten in een psychiatrische inrichting, blijkbaar om te voorkomen dat ze kon getuigen.

OP 26 NOVEMBER vorig jaar maakte een dodelijke injectie een eind aan Yang Jia’s leven. Een misschien onsterfelijke volksheld was geboren. Volgens een internetenquête was de commotie het belangrijkste nieuwsfeit van 2008. Zelfs belangrijker dan het melamine/melkschandaal en de aardbeving in Sichuan.
‘Je vist ernaar maar je durft het niet te vragen’, zegt Raymond Zhou, columnist voor de Engelstalige China Daily. ‘Je wilt weten of er naar mijn mening verband bestaat tussen de Yang Jia-zaak en China’s sociale bewustzijn. Het korte antwoord is: ja, absoluut. Ieder land heeft zijn legenden: Amerika het Wilde Westen, Nederland de strijd tegen het water, China ondraaglijke vernedering, ons aangedaan door duivelse imperialisten. Helden en schurken. Zwart-wit. Het zit in ons bloed. Het interessante van de zaak-Yang Jia – en ik kan je tientallen andere voorbeelden geven – is dat die woede zich niet alleen richt op de buitenwereld, maar op alles wat riekt naar arrogantie en macht.’
Zo reed in de stad Hangzhou laatst een rijke jongeman in een opgevoerde auto een arme student dood. Rijk en arm, macht en onmacht; uit de opgewonden reacties leek het of dat met onverschillige of zelfs boosaardige opzet was gebeurd.
China’s obsessie met nationale vernedering is in het Westen natuurlijk geen onbekend thema in het denken over het land, en Peking laat geen kans voorbij gaan om dat de ‘schuldbewuste’ buitenwereld in te wrijven. Zo’n beetje beginnend bij de imperialistische Opiumoorlogen in het midden van de negentiende eeuw tot en met Amerika’s bombardement van de Chinese ambassade in Belgrado in 1999 en de door rellen geteisterde olympische fakkeltocht in Parijs vorig jaar. Ook de VOC-overheersing van Taiwan in de zeventiende eeuw is niet vergeten. Een eindeloos narratief waarin Peking alle historische tegenslagen en vermeend gezichtsverlies in de schoenen van het buitenland schuift. Vooral Japan heeft het zwaar te verduren. Dat die voorheen tweederangs Aziatische macht het klaarspeelde te moderniseren en het ooit glorieuze China vervolgens knechtte in de Tweede Wereldoorlog is een vernedering waar het land nooit overheen is gekomen. IJkpunt is het rampzalige Verdrag van Versailles van 1919. Hoewel Chinese arbeiders voor de geallieerden onder meer loopgraven aanlegden, werden Duitse grondgebieden in China aan Tokio toegekend.
De frustratie kreeg begin vorige eeuw een spreekbuis in een nieuwe literaire stroming en wordt sindsdien geïmpregneerd in ieder schoolkind. Van kleuterschool tot universiteit. Het einde van het keizerrijk tot de dag van vandaag. Zo schreef Chiang Kai-shek al voor de communistische machtsovername: ‘Lijdend onder de ongelijke verdragen die vreemdelingen speciale “concessies” en extraterritoriale status gaven was het volk van het gehele land unaniem in de eis dat de nationale vernedering moet worden gewroken en de staat sterk gemaakt.’
Een taak die met de huidige opkomst van China nu zo’n beetje lijkt te zijn bereikt. Maar zo gemakkelijk laat Peking de ‘schuldige’ buitenwereld dus niet ontsnappen. Nu steeds meer Chinezen wel eens op vakantie gaan kunnen de nationale wonden met eigen ogen worden aanschouwd. Peking bracht een atlas uit waarin de locaties precies in kaart werden gebracht en het herdenkingsmuseum van de Japanse Nanjing-slachting werd onlangs flink uitgebreid. Plannen bestaan om het voormalige Zomerpaleis van Peking dat in 1860 door geallieerde troepen werd verwoest weer op te bouwen en rond Guangzhou en Nanjing bestaat een historische Opiumoorlog-route. Om de emotionele snaar optimaal te raken omschrijft Peking ongewenste buitenlandse acties (zoals het recente bezoek van de dalai lama aan Europa) gewoonlijk als een diepe belediging voor het volk. Zoals wel vaker somde Mao Zedong het kernachtig op: ‘Het verleden staat in dienst van het heden.’

DE INLEIDING VAN EEN geschiedenisboek dat momenteel op de prestigieuze Peking Universiteit in gebruik is luidt als volgt: Het verhaal van China’s moderne geschiedenis (van Opiumoorlogen tot de huidige tijd) is het verhaal van een dappere hartverscheurende strijd van goedhartige generatie op goedhartige generatie voor nationale overleving en het bereiken van de grootse wedergeboorte van het Chinese ras. Het is de geschiedenis van een extreem zwak, verarmd en oud China dat dankzij de socialistische revolutie langzaam groeit naar een welvarend, florerend en vitaal nieuw socialistisch China. Wat is het nut van het bestuderen van onze moderne geschiedenis? Diepe inzage verkrijgen in hoe de invasies van buitenlands imperialistisch kapitalisme in samenwerking met China’s feodale autoriteit het volk en de natie vreselijk leed brachten. En hoe het volk historisch koos voor de communistische partij.
Suggesties dat de historische ellende van de natie mogelijk niet uitsluitend aan buitenlanders te wijten is kunnen tot opgewonden reacties leiden. De ‘buitenlandse’ Mantsjoe Qing-dynastie (1636-1912) wordt in de huidige Chinese geschiedschrijving als hopeloos corrupt en zwak beschreven, maar kreeg onlangs een interessante opwaardering van de historicus Yan Chongnian. Dat heeft de 74-jarige man geweten. Hij kreeg een paar oorvijgen bij een boeksignering. Met terugwerkende kracht verraad van zijn volk, is de beschuldiging. In fictie is het zeker niet veiliger: de actrice Tang Wei kreeg twee jaar terug een werkverbod opgelegd, deels omdat haar personage in de film Lust Caution van de Taiwanese regisseur Ang Lee een relatie aanknoopt met een Japanse oorlogsmisdadiger.
En als het verleden inderdaad in dienst staat van het constant in beroering zijnde heden, betekent dat ook dat gekoesterde iconen van de ene op de andere dag van hun voetstuk kunnen vallen. Het essay In herinnering van juffrouw Liu Hezhen dat Lu Xun schreef naar aanleiding van een Kuomintang-slachtpartij onder anti-Japanse studenten in 1926 was tientallen jaren verplichte patriottische kost. Een jaar of zes terug werd het plotseling uit de boeken geschrapt. Het deed oncomfortabel denken aan een recenter bloedbad onder studenten.
Uiteraard vraagt het schrijven van schoolboeken in China daarom om een heel voorzichtige hand, want zoals dat geldt voor ieder land is het natuurlijk niet gemakkelijk om in alle gevallen lelieblank uit de chaos van de geschiedenis te voorschijn te komen. Zo maakt het als heilig onderwezen dogma dat China nooit een ander land binnenviel het welhaast onmogelijk de Vietnamoorlog te behandelen die in 1979 begon en dertien jaar doorschrijnde.
‘Aanvankelijk kreeg de invasie enorme aandacht’, zegt de schrijfster Yan Geling, die als tiener de oorlog voor persbureau Xinhua versloeg. ‘Het verhaal was dat wij de ondankbare Vietnamezen die zich van ons afwendden een verdiend lesje leerden. Maar toen de slachtoffers zich opstapelden en het leger zich overhaast terugtrok, brak ogenblikkelijk de grote stilte uit.’
Twee jaar geleden maakte de filmer Shang Yimin met eigen geld een documentaire over de veteranen. Die werd in eigen land nooit officieel vertoond. ‘Het is een vergeten groep’, zegt Shang Yimin. ‘Ik maakte de film alleen maar omdat ik het niet laten kon. Te ontroerend, te pijnlijk.’ Naast een begraafplaats in Malipo, aan de Vietnamese grens, staat sinds kort een klein museum. De bewaker vraagt om een identiteitsbewijs en knipt het licht aan. Ik ben de enige bezoeker.
Zoals dat geldt voor honderden miljoenen van haar leeftijdgenoten was het uiterst summier wat een 27-jarige Pekingse over die tragedie op school leerde. Ze zegt de reden voor het conflict nooit begrepen te hebben: ‘De geschiedenis tot 1949 wordt uitvoerig behandeld. Daarna volgt eigenlijk een leemte tot de opening van China naar de buitenwereld in 1979. Aan de Culturele Revolutie en de Grote Sprong Voorwaarts wordt weinig aandacht besteed, maar daarna gaat het weer redelijk minutieus. Met uitzondering van de Vietnamoorlog en Tiananmen natuurlijk.’
Dat zorgt voor een selectief geheugen. Wat China zelf aan rampen over zich uitriep, wordt in het onderwijs weggemoffeld, terwijl buitenlandse ‘misdaden’ worden benadrukt. Auteur Xu Zhiyuan ziet dat niet snel veranderen: ‘Vanwege het enorme curriculum dat studenten te verstouwen krijgen is er alleen tijd voor de vereiste lesstof. Worden studenten later geconfronteerd met complexe vragen, dan kunnen ze alleen maar teruggrijpen op wat ze hebben geleerd. Intellectuele vorming is er nauwelijks en je kunt dat individuele leraren niet kwalijk nemen. Die zijn tenslotte in hetzelfde systeem opgeleid. Ligt dat aan het communistische regime? In feodale tijden was het niet anders.’
Tijdens de felle anti-Navo-rellen na het Amerikaanse bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado was de overheersende mening in het buitenland dat het volk simpelweg was opgestookt door Peking. Schilder Chen Danqing, die naam maakt als publiek intellectueel, vindt dat een ernstige onderschatting van het bestaande Volksempfinden: ‘We zijn een romantisch volk en dat maakt dat we complexiteiten graag versimpelen. Met het bombardement lag de schuldvraag inderdaad duidelijk, maar de vergelijking die je maakt met Yang Jia durf ik wel aan. Goed en kwaad zijn hier inderdaad sterke concepten en het kan niet zo zijn dat we het morele gelijk niet aan onze kant hebben staan. Maar op haar beurt leidt die constatering misschien ook tot te gemakkelijke conclusies.’
Als daar ook maar een greintje van waarheid in zit, blijft de grote vraag of het eindeloze nationale vernederingsnarratief werd uitgevonden ten dienste van de overheid, met de lokale volkswoede als ongewenst gevolg, of dat de onderbuikgevoelens een potentieel destructieve sociale realiteit zijn die Peking kanaliseert richting buitenland. In dat geval zou het mogelijk verklaren waarom het moderne succesvollere China zich niet uit de ‘nationale vernedering’ kan – of wil – losworstelen. Professor Wang Hui van de Tsinghua Universiteit durft er weinig over te zeggen: ‘Er zou onderzoek naar moeten worden gedaan en dat zie ik niet snel gebeuren.’
Vorige maand hadden Chinezen een nieuw lokaal doel om de woede op te richten. Een serveerster in een karaokebar stak een plaatselijke partijfunctionaris dood. Hij zou geprobeerd hebben haar te verkrachten. Na een explosie van woedende internetreacties werd de aanvankelijke aanklacht van moord bijgesteld tot excessief noodweer, maar aan de golf van morele verontwaardiging kwam geen einde. Twee weken terug werd Deng Yujiao alsnog vrijgelaten.