China en Nederland: wederzijdse fascinatie en culturele uitwisseling

Onder het thema ‘CHINA here’ vindt tussen 28 en 31 januari de nieuwste editie van het AAA Festival plaats. Het festival haalt China naar Nederland, onder meer in de persoon van componist Tan Dun. Thijs Weststeijn, verbonden aan het Centrum voor Erfgoed en Identiteit aan de UvA, schrijft in zijn begeleidende essay dat die ontmoeting niets nieuws is onder de zon. Wederzijdse fascinatie gaat terug tot in de zeventiende eeuw.

Medium ub maastricht   nieuhof 1665   p 53 conterfeytsel oude onder koning2

‘Oost is Oost, West is West: die twee zullen elkaar nooit ontmoeten’, meende de Britse schrijver Rudyard Kipling. In tijden van globalisering lijkt niets minder waar. Waar het China betreft, is Nederland inmiddels de op één na grootste Europese handelspartner. Cursussen Chinees aan de Confucius-instituten in Leiden en Groningen zijn ongekend populair. Vorig jaar verschenen vuistdikke Nederlandse vertalingen van levende Chinese schrijvers, Yu Hua en Mo Yan. Ook de rebelse kunstenaar Ai Weiwei spreekt velen tot de verbeelding.

Deze belangstelling voor China is niet nieuw. Beroemd zijn de bewerkingen die scheepsarts Jan Slauerhoff in 1930 maakte van een dichter uit de Tang-dynastie, Bai Juyi. Minder bekend is een Chinese tegenhanger van drie jaar daarvoor: toen de eerste grote schrijver in de Chinese volkstaal, Lu Xun, besloot een van zijn favoriete Europese teksten te vertalen, koos hij voor Frederik van Eedens De kleine Johannes.

De belangrijkste culturele contacten tussen China en Europa dateren echter al uit de zeventiende eeuw. Destijds speelde Nederland een uitzonderlijke rol op het Europese toneel met illustere namen als Rembrandt, Johannes Vermeer en Joost van den Vondel. Rembrandt verzamelde Chinees porselein. Vermeer was zo gefascineerd door de spiegelingen op dit in het Westen nog onbekende materiaal dat hij het in een aantal schilderijen verbeeldde. Vondel schreef op zijn beurt als eerste Europeaan een literair werk dat zich geheel afspeelt in China. Hij beschreef het land als ‘een edele diamant, die goddelijk in de ogen flonkert’.

Chinese keramiek was in Nederland praktisch overal verkrijgbaar. De Verenigde Oost-Indische Compagnie verscheepte miljoenen stuks zodat, uniek in Europa, Aziatische objecten of imitaties hiervan betaalbaar waren voor alle lagen van de bevolking. Met de massale import van industriële producten kwamen kunstwerken, geschriften en kennis mee, zodat ook andere aspecten van China werden omarmd. De eerste accurate Europese landkaarten en historische studies van China waren van Nederlands fabrikaat, net als de eerste naar de waarneming gemaakte tekeningen van dat land. Het werk van de avontuurlijke kunstenaar Johan Nieuhof, die in China was geweest, werd in heel Europa verspreid en gebruikt bij de decoratie van boeken, meubels en architectuur. Zo is zelfs de enorme pagode in de Londense tuinen van Kew gebaseerd op een Nederlandse prent, niet op een Chinees voorbeeld.

Fameus was Ferdinand Verbiest, die niet alleen in de Verboden Stad welkom was maar zelfs de privé-leraar van de keizer werd

De Chinezen waren ‘het slimste van alle volkeren’, meende Hugo de Groot. Rond 1600 maakte hij een tocht in een zeilwagen gebouwd naar Chinees ontwerp, die op het strand tussen Scheveningen en Petten een snelheid haalde van vijftig kilometer per uur. China was duidelijk in verschillende dimensies aanwezig in Nederland: zowel als een alomtegenwoordig materiaal, keramiek voor alledaags gebruik, als in de vorm van een idee van een superieure cultuur en wetenschap. Dit zorgde voor een zeldzame situatie waarbij Nederlanders bewonderend opkeken naar de oudste beschaving aan de andere kant van de wereld. Het Amsterdamse Stadhuis (nu het Paleis op de Dam), dat werd gebouwd ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van de nieuwe Republiek, bracht deze relatie tot uitdrukking. Op de marmeren vloer van de Burgerzaal toont een monumentale kaart van het oostelijk halfrond Nederland aan de ene, en China aan de andere zijde.

De voortdurende Nederlandse bemoeiingen in Azië leken grotendeels geïnspireerd door de wens om door te dringen tot het Rijk van het Midden, dat met zijn fabuleuze rijkdom en ongelimiteerde afzetmarkt een magnetische werking uitoefende op Europeanen. Toen een noordoostelijke expeditie naar China strandde in het poolijs probeerden Nederlanders achtereenvolgens in Canton een handelspost te openen, Macao en Taiwan te koloniseren en in Peking te pleiten voor de vrije markt. Hoewel geen van deze projecten succes had werden de schepen van de VOC het snelste en meest betrouwbare communicatiemiddel tussen Oost en West.

Zo gebeurde het dat de eerste Chinese bezoekers aan Europa voet aan wal zetten in de Lage Landen. Rond 1600 kwam een Chinese stuurman, genaamd Impo, mee terug op een van de eerste Nederlandse reizen naar Oost-Azië en liet zich dopen in Middelburg. In de decennia daarna arriveerden nog drie van zijn landgenoten. Twee waren katholieke bekeerlingen. Want ook de jezuïeten, die zeer actieve missionarissen waren in China en als enige Europeanen toegang hadden tot het hof in Peking, vertrouwden op de VOC voor hun transporten. De jezuïetenorde telde bovendien nogal wat Zuid-Nederlandse deelnemers. Fameus was Ferdinand Verbiest, die niet alleen in de Verboden Stad welkom was maar zelfs de privé-leraar van de keizer werd. In Antwerpen en Amsterdam volgden katholieken én protestanten de Chinese ontwikkelingen op de voet.

Een van de eerste Nederlandse China-liefhebbers was de Leidse taalkundige Jacob Golius. Hij begreep geen woord van de Chinese boeken die hij verzamelde en was gefascineerd door de mogelijkheid om Latijn te spreken met een ‘zeker niet ongeletterde’ Chinese reiziger, die door de jezuïeten was bekeerd en gedoopt met de naam Dominicus. In 1654 bezocht deze Dominicus Leiden en Amsterdam in het gezelschap van een Italiaanse missionaris, Martino Martini. Hij bracht nieuws over de val van de Ming-dynastie en de dood van de keizer, waarvan hij in Peking ooggetuige was geweest.

Vossius zag China als model voor een modern Europa

Golius begon na deze cultuurschok aan een wetenschappelijke verhandeling over China. Ook Vondel werd misschien door dezelfde Chinees geïnspireerd. Het moet voor hem, als katholiek met contacten bij de overzeese missie, eenvoudig zijn geweest om een ontmoeting te regelen met Martini en Dominicus. Dit is in ieder geval de meest plausibele verklaring voor Vondels interesse in de teloorgang van de Ming-dynastie en het toneelstuk, Zungchin,dat hij hierover schreef. Zijn drama speelt in de Verboden Stad, waar keizer Chongzhen na een volksopstand en het verraad van zijn eunuchen eerst zijn dochter, en daarna zichzelf om het leven brengt. Zungchin is een voor de zeventiende eeuw zeer uitzonderlijke tekst omdat hij niet oosters exotisme ten tonele voert maar de herkenbare emoties van de keizerlijke familie. Geen van Vondels navolgers die hetzelfde thema behandelen geeft de historische gebeurtenissen zo authentiek weer. Een van zijn meest memorabele scènes toont hoe de keizer en keizerin zichzelf met hun bretels hebben verhangen aan een boomtak. ‘Zij zweven beide stil aan hun kousebanden’, schrijft Vondel. In Peking is de betreffende boom nog steeds te bewonderen.

Het bezoek van Martini en Dominicus aan Nederland had echter nog een ander gevolg, dat verder strekte dan politiek drama. Ze vertelden over de eeuwenoude Annalen, teksten over de vroegste keizerlijke dynastieën, die suggereerden dat de Chinese literatuur een geschiedenis kende van niet minder dan vijfduizend jaar. Voor Europeanen, die door hun eigen klassieke traditie waren geobsedeerd, was deze ouderdom niet te bevatten. Als de Chinezen gelijk hadden ging hun beschaving niet alleen verder terug dan Mozes en Homerus. Ze ging ook vooraf aan de bijbelse Zondvloed die, volgens de gangbare berekening, in het jaar 2350 voor Christus zou hebben plaatsgevonden.

De missionarissen die deze tijdrekening voor het eerst tegenkwamen weigerden haar serieus te nemen. Ze meenden dat de Chinezen waren misleid door hun eigen onleesbare karakters. Maar aan de Nederlandse universiteiten, waar geschiedschrijving en bijbelkritiek met grote ernst werden beoefend, kwam men tot andere conclusies. In 1659 schreef de Amsterdamse geleerde Isaac Vossius, die bekend stond om zijn tegendraadse opvattingen, op basis van de Chinese bronnen het boekje De echte ouderdom van de wereld. Hierin concludeerdehijdat ‘tot dit moment niemand de juiste versie van de Heilige Schrift heeft gelezen’. Deze vaststelling sterkte de aanhangers van Spinoza in hun opvatting dat de bijbel onbruikbaar is als historische bron. Maar Vossius zag ook op andere gebieden China als model voor een modern Europa. Hij meende dat het keizerrijk in essentie republikeins van karakter was, omdat de heerser zich liet leiden door het oordeel van het volk. Ook in staatkundig opzicht was China dus een spiegelbeeld voor de Nederlandse Republiek. Vossius’ navolgers gingen uiteindelijk Spinoza vergelijken met Confucius.

Deze Chinese filosoof sprak sterk tot de verbeelding. In 1675 publiceerde Pieter van Hoorn, die een handelsmissie naar Peking had geleid, Enige opvattingen over de ware deugd, getrokken uit de Chinese Confucius. Dit was een van de eerste Europese vertalingen van oosterse wijsheid. Het boekje bevatte echter vooral losse aforismen en was verre van volledig. In 1683 volgde een tweede poging tot een vertaling, waarvoor een geletterde Chinees werd ingeschakeld: de uit Nanking afkomstige Shen Fuzong, oftewel Michael Alfonsus zoals de jezuïeten hem noemden. Ook deze Shen was naar Europa gekomen op een schip van de VOC, met Enkhuizen als eerste stop. Een van Rembrandts leerlingen portretteerde de buitenlandse bezoeker ten voeten uit in een spectaculair zijden gewaad. Shen reisde mee met de Mechelse missionaris Philippe Couplet, die goede vrienden had in Amsterdam, onder wie Vondel en burgemeester Nicolaas Witsen. Ze zochten een Amsterdamse uitgever voor hun nieuwe Latijnse Confucius-vertaling. Pas in 1687 werd het boek gedrukt, zij het onvolledig met slechts drie van de confuciaanse klassieken.

Europa bestudeert sinds kort de Volksrepubliek met eenzelfde gretigheid als waarmee de Chinezen westwaarts kijken

Voor Nicolaas Witsen, die gefascineerd werd door Chinese antiquiteiten, was dit onbevredigend. In 1705 bestelde hij in Batavia veertien boeken met de werken van Confucius, met het oog op een complete editie. Hij regelde bovendien een ontmoeting met een Chinese dokter, Zhou Meiye. In 1709 vergezelde deze Zhou een bevelhebber van de VOC op zijn terugkeer uit Oost-Azië naar Amsterdam. De dokter, die blijkbaar in staat was het Nederlands ‘zo goed als een Hollander’ te spreken, demonstreerde Witsen de leer van de polsslag en verduidelijkte nogmaals de chronologie van het Chinese verleden. Het Nederlandse klimaat beviel hem echter zo slecht dat hij al na zes weken de boot terug naar Batavia nam.

Witsen betreurde het dat hij zijn filosofische ambities niet kon waarmaken. Vanaf de late zeventiende eeuw, toen de VOC haar directe contacten met China verbrak, verminderde de algemene interesse in culturele uitwisseling: volgens Witsen was het ‘alleen geld en geen wetenschap wat onze luiden zoeken aldaar’. Dit betekende ook dat er geen Chinese reizigers meer arriveerden. Amsterdam kreeg, in tegenstelling tot Londen, Parijs en Napels, geen academie waarin de culturen van Azië werden bestudeerd en de discussie werd voortgezet. In Engeland, bijvoorbeeld, werd Vondels Chinese drama geïmiteerd en in Frankrijk werd Vossius’ idee over de keizer als verlicht despoot zeer populair. Maar in Nederland zelf kreeg hun werk geen vervolg.

Ook in China gingen de deuren dicht. Ferdinand Verbiest was zodanig geïntegreerd geweest in de hofhouding van de Verboden Stad dat hij dagelijkse discussies met de keizer kon voeren over westerse wetenschap. Na Verbiests dood werd deze vorm van interculturele toenadering echter verboden door de paus, die meende dat de jezuïeten ‘meer Chinees dan de Chinezen’ waren geworden en daarmee de katholieke orthodoxie uit het oog hadden verloren. Dit verbod gaf in Peking aanleiding voor een vergeldingsmaatregel. De aanwezigheid van buitenlanders aan het hof werd ingeperkt. Hiermee werd de belangrijkste route van kennisoverdracht tussen China en Europa afgesloten.

De aanvankelijke wederzijdse interesse maakte nu plaats voor toenemend onbegrip en stereotypering. Kortom, op dit moment werd de basis gelegd voor de uitspraak ‘Oost is Oost, West is West’. Hoe dit patroon zich later herhaalde, is bekend. De communistische Volksrepubliek schermde zich volledig af van de buitenwereld. Het Europese stereotype van China nam uiteindelijk twee vormen aan, zowel overdreven negatief (de mythe van het ‘gele gevaar’), als overdreven positief. In de jaren zestig zagen veel Nederlanders Roerganger Mao als lichtend voorbeeld, zonder hun enthousiasme te controleren door navraag bij de Chinezen zelf.

De vier Chinese bezoekers wier namen zijn overgeleverd, Impo, Dominicus, Shen Fuzong en Zhou Meiye, illustreren een enthousiaste wisselwerking tussen Oost en West die haar gelijke niet kende in zeventiende-eeuws Europa en daarna. Het is ironisch dat deze intensieve overdracht in verschillende dimensies – van industriële consumptiegoederen tot literatuur en filosofie – pas recent weer een vervolg kreeg: in de 21ste eeuw. Europa bestudeert sinds kort de Volksrepubliek met eenzelfde gretigheid als waarmee de Chinezen westwaarts kijken. China is opnieuw aanwezig in Nederland, niet alleen in economische zin, maar ook met de vele Chinese studenten aan Nederlandse universiteiten en in de vorm van culturele evenementen, tentoonstellingen en publicaties. Een van de beloften van 2015 is de vertaling van de belangrijkste klassieke Chinese roman, De droom van de rode kamer. Naar verwachting blijft het hier niet bij_._ In de komende ‘eeuw van China’ kan Nederland de draad weer oppikken van de eerste bloeiperiode van culturele uitwisseling, die werd gekenmerkt door Vossius’ geleerdheid, Vermeers schilderkunst en Vondels theater.


Beeld: Johan Nieuhof (1665). Het Gezandtschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie.