De Chinese invloed in Birma

China maakt hier de dienst uit

Onlangs heeft het Westen de sancties tegen Birma aangescherpt. De hervormingen sinds de verkiezingen van 2010 zijn in westerse ogen nog altijd onvoldoende. Intussen investeert China volop in de infrastructuur van het dictatoriale land.

MYITKYINA, Kachin-staat, Noord-Birma - Vanuit zijn restaurant met een paar houten tafels en een kookstoof slaat de eigenaar het spitsuur in het centrum van Myitkyina gade. Hij wijst naar twee landcruisers met afwijkende blauwe nummerborden die tussen de herrie makende auto’s, brommers en driewielige taxi’s laveren. ‘Chinezen’, zegt hij met ergernis in zijn stem.
Vooral in de verre oostelijke en noordelijke staten die aan China grenzen groeit de invloed van de grote noorderbuur met de dag. Op loopafstand van het simpele restaurantje prijken op de gevels van goedkope hotels met spiegelende ruiten Chinese karakters in plaats van de rondgekrulde Birmese tekens of het westerse alfabet van de etnische minderheid de Kachin. De langgerekte markt puilt uit van de goedkope Chinese pannen, elektronische apparaten, noedels en toiletartikelen. Ook de appels en lychees komen van over de grens. Over de uitvalswegen naar het oosten en noorden verdwijnen Chinese vrachtwagens met Birma’s kostbaarheden: zware boomstammen van tropisch hardhout, blokken jade en allerlei mineralen. Het duurt niet lang of de restauranthouder belandt in zijn boosheid bij een Chinees project anderhalf uur rijden ten noorden van Myitkyina. Daar wordt een megadam voor het opwekken van witte steenkool gebouwd. 'Maar de elektriciteit gaat naar China.’ Dat het project gevestigd is in Myitsone, waar twee samenvloeiende rivieren de oorsprong van de majestueuze Irrawaddy vormen, zet nog extra kwaad bloed bij de Kachin, een van de 135 minderheden. Volgens een legende huizen daar de geesten van een draak en zijn twee zonen en de eerste Kachin vestigden zich op die plek toen ze eeuwen geleden vanaf de besneeuwde uitlopers van de Himalaya zuidwaarts trokken. Generaties lang maakten Kachin-families uitstapjes naar de gewijde grond. 'Ga maar kijken, er is niet veel meer van over’, zegt de restauranteigenaar omineus. Ook de legende voorspelt onheil: 'Als de loop van het water onderbroken raakt en de draken verstoord worden, zal er een ramp gebeuren.’
Een autorit over Birma’s afgelegen wegen is vaak een aanslag op de ruggengraat, maar de route naar het bouwterrein voert over ongeschonden plaveisel. De weg is recent met hulp van China aangelegd. Een truck met Chinese arbeiders rijdt ongestoord langs de controlepost bij de ingang van het project, maar voor bezoekers is het project verboden terrein. Vanaf de overkant van de rivier een paar kilometer verderop is het overhoop gehaalde landschap goed te zien. Een betonnen schoeiing van honderden meters lang heeft de groene oevers vervangen. Vrachtwagens met bouwmaterialen en Chinese arbeiders rijden af en aan. Het plan voor het opwekken van elektriciteit is ambitieus. De dam wordt ruim 150 meter hoog en zal een gebied ter grootte van Singapore onder water zetten.
Enkele tientallen Kachin-dorpen, waar vijftienduizend bewoners leven van rijstbouw, visserij en het kleinschalig delven van goud, moeten verhuizen. Tienduizenden anderen verder stroomafwaarts zullen schade ondervinden aan hun traditionele middelen van bestaan.
De huizen van het nabijgelegen dorp Tanghpre staan er doods bij en het schoolgebouw is gesloopt tot een houten geraamte. Bijna alle zevenhonderd inwoners zijn al verhuisd naar de nieuwe locatie die de Birmese overheid heeft toegewezen. Maar de vijftigjarige Seng Raw zit nog in haar winkeltje langs de weg. Met haar knotje en een fijnbesneden gezicht heeft ze iets van een ouderwetse statige schooljuffrouw. Al dertig jaar lang verkoopt ze in Tanghpre gedroogde etenswaren, zakjes koffiemix, shampoo, pepertjes en bier. Ze wil niet naar het nieuwe dorp, een half uur rijden naar het zuiden: 'De huizen staan te dicht op elkaar en de grond zit vol stenen, er zijn overstromingen en er is geen werk.’ Haar mening wordt onderstreept door een paar mannelijke familieleden met rood aangelopen gezichten die opzij van de winkel aan de rijstwijn zitten. Onlangs kreeg Seng Raw weer een ultimatum. 'Ik heb geen idee wat er gaat gebeuren’, zegt ze.
In zijn kleine kerk van rode baksteen vertelt de achtergebleven priester Thomas met verontwaardiging over de gang van zaken: 'Wij worden gedwongen te verhuizen en gedwongen te gehoorzamen.’ Om zijn bezwaar tegen de gang van zaken kenbaar te maken schreef hij brieven aan wie hij maar kon bedenken binnen de Birmese overheid, maar antwoord kreeg hij nooit. Ook talloze andere Kachin in binnen- en buitenland protesteerden bij zowel de Chinese als de Birmese overheid. Oppositieleidster Aung San Suu Kyi riep de regering onlangs op de plannen te herzien omdat de aanleg van de dam het bestaan van de lokale bevolking bedreigt en schade aan het milieu veroorzaakt. Al die protesten lijken aan dovemansoren gericht. Bitter constateert de priester: 'China maakt hier de dienst uit. Dit is al Chinees grondgebied.’ Net als de meeste andere Kachin is de priester geboren en getogen in de omgeving. 'Ik ga pas weg als het water tot aan de kerk staat’, zegt hij. Na deze opstandige woorden richt de tanige geestelijke zijn blik op zijn blote voeten die onder zijn groenzwart geblokte longyi (Birmese sarong) uit steken en doet er verder het zwijgen toe.
De dam ligt in een risicogebied. In de staat smeult een conflict tussen Kachin-rebellen en het Birmese regeringsleger. De Kachin Independence Organisation (KIO), begin jaren zestig opgericht, heeft veel aanhang en controleert met eigen troepen en een eigen bestuur een deel van de Kachin-staat. Na decennia van zware gevechten kwamen de KIO en de militaire regering in 1994 een staakt-het-vuren overeen. Maar omdat de KIO weigert in te gaan op de eis van de regering om de Kachin-soldaten onder bevel van de Tatmadaw (het Birmese leger) te plaatsen, zijn de verhoudingen de afgelopen anderhalf jaar flink verslechterd. Aan beide zijden worden troepen in staat van paraatheid gehouden en hier en daar is het geweld onlangs al opgelaaid.
De president van China kreeg van Lanyan Zawng Hra, de voorzitter van de KIO, een open brief met de waarschuwing dat er een burgeroorlog dreigt als Birmese soldaten in het gebied gestationeerd worden om de dam te beveiligen. In 2010 werd een aanslag gepleegd waarbij volgens onbevestigde berichten drie Chinese employees omkwamen en twintig gewond raakten. De Birmese overheid verklaarde dat Kachin-rebellen de daders waren. Maar die ontkennen iets met de explosies te maken te hebben.
De Myitsone-dam wordt gefinancierd door CPI, het Chinese staatsbedrijf voor elektrische energie, en enkele andere Chinese investeerders. Chinese ondernemingen en het Birmese concern Asia World Company, eigendom van Steven Law, de zoon van een beruchte drugsbaron, voeren de werkzaamheden uit. Via transmissielijnen in Yunnan loopt de elektriciteit naar Zuid-China. Het project maakt deel uit van een groter plan voor zeven dammen in de Kachin-staat die in totaal een capaciteit van zestienduizend megawatt zullen hebben, meer dan tien keer het huidige aanbod van Birma. Hoewel het land dringend verlegen zit om elektriciteit, achten experts het op grond van de huidige informatie en eerdere overeenkomsten aannemelijk dat Birma niet of nauwelijks van de enorme hoeveelheid opgewekte stroom zal profiteren.
De dam in Myitsone is slechts een van de talloze Chinese projecten. Vanwege de energie slurpende economie heeft China ook de blik laten vallen op de Birmese olie- en gasvoorraden. Zo bezit China voor dertig jaar het recht op de aankoop van gas uit de Baai van Bengalen, een van de grootste velden in Azië. Ook tekenden de beide landen een overeenkomst voor de aanleg van een pijplijn van West-Birma naar Yunnan. Die dient behalve voor vervoer van het Birmese gas ook om voorraden uit het Midden-Oosten en Afrika te transporteren. Het project, dat in 2013 klaar moet zijn, is ook van belang omdat het China’s afhankelijkheid van vervoer van olie en gas via de doorvaarroute van de Straat van Malacca vermindert. Verder heeft China een strategische agenda voor de aanwezigheid in het westen van Birma. Die vormt een tegenwicht voor regiorivaal India. Er zijn nog geen bewijzen voor Chinese bases op de eilanden, maar er circuleren wel berichten dat China toegang heeft tot bestaande Birmese militaire installaties.
Volgens de mensenrechtenorganisatie Earth Rights International zijn er 69 Chinese bedrijven in Birma actief in de olie- en gasindustrie, in de mijnbouw en in de hydro-energie. Dat is een toename van 250 procent vergeleken met vorig jaar. De totale investeringen bedragen twaalf miljard dollar. De bilaterale handel steeg over het afgelopen jaar met vijftig procent tot vierenhalf miljard dollar. Het maakt China tot de grootste investeerder en handelspartner.
Aangetrokken door de economische mogelijkheden vestigen Chinezen zich massaal in Birma. Volgens formele Birmese cijfers wonen er in Birma driehonderdduizend Chinese immigranten, maar inofficiële bronnen schatten dat het illegale aantal twee miljoen kan zijn. Ook ver buiten de staten die aan China grenzen drukt die toestroom een stempel op de samenleving. Uit de karaokebars in Mandalay, de tweede grote stad, blèren Chinese popsongs. Er zijn Chinese warenhuizen, hotels, restaurants en scholen.

VOOR DE MEESTE westerse landen is Birma juist het zwarte schaap van Azië. Toen het leger in 1988 met veel geweld een einde maakte aan de grootschalige protesten tegen armoede en onderdrukking werd vrijwel alle westerse steun aan Birma stopgezet. Financiële hulp via de Wereldbank en het IMF werd geblokkeerd. De VS namen als eerste midden jaren negentig nog strengere maatregelen, zoals een verbod op nieuwe investeringen en handel en het bevriezen van tegoeden van een aantal Birmese leiders en hun getrouwen. De Europese Unie hanteert een wapenembargo, een visumverbod voor hogere regeringsvertegenwoordigers, een stop op non-humanitaire hulp en een verbod op de import van of het investeren in edelstenen, hardhout en mineralen. Onlangs hernieuwden de Verenigde Staten en de Europese Unie hun politieke en economische restricties omdat ze de hervormingen sinds de verkiezingen van november 2010 nog altijd onvoldoende vinden.
Een groeiende schare Birmese en internationale critici bepleit herziening van de westerse aanpak. Ook de Birmese academicus Min Zin, die in Berkeley promoveert op de betrekkingen tussen China en de etnische minderheden van Birma, zegt dat de westerse maatregelen vanwege de steun uit China en andere Aziatische landen geen effect hebben. Als jonge activist leidde hij een ondergronds bestaan in Birma, tot hij naar Thailand moest vluchten om aan arrestatie te ontkomen. Na jaren van studie in de VS heeft hij afstand genomen van het pro-sancties-standpunt. 'De westerse sancties hebben ons land alleen maar verder in de armen van China gedreven’, vindt hij. Hij constateert dat Chinese bedrijven het vacuüm vullen dat de westerse afwezigheid creëert. Een even typerend als wrang voorbeeld is de kopermijn in Monywa in Centraal-Birma. Het Canadese bedrijf Ivanhoe dat de mijn samen met een Birmese onderneming exploiteerde, trok zich in 2007 onder druk van actiegroepen terug. De locatie werd overgenomen door de Chinese wapenproducent Norinco. Het bedrijf staat sinds de regering van George W. Bush in de Verenigde Staten op de zwarte lijst vanwege wapenleveranties aan Iran.
In ruil voor de makkelijke toegang tot de Birmese markt ontvangt de Birmese regering gunstige leningen, financiële steun voor projecten als een waterkrachtcentrale en een spoorlijn en goedkope wapenleveranties. Maar China is niet alleen een financiële steunpilaar. Binnen de VN en andere internationale fora waar Birma voortdurend wordt bekritiseerd vanwege het uitblijven van democratische hervormingen en de schendingen van mensenrechten is het tevens een belangrijke politieke bondgenoot.

TOCH HEEFT China ook bedenkingen bij de situatie in Birma, al zijn die niet van morele aard. Birma-kenner Tom Kramer van het Transnational Institute: 'China realiseert zich dat hoewel het Birmese bewind momenteel stevig in het zadel zit die controle in de toekomst niet zeker is.’ Ook de hernieuwde gevechten met etnische minderheden in het noorden en oosten baren China zorgen. Een toestroom van vluchtelingen zou tot instabiliteit in de Chinese zuidelijke provincies kunnen leiden. Nu al ondervindt dat grensgebied overlast vanwege de massale drugshandel, de verspreiding van hiv/aids en de mensensmokkel die hun oorsprong in Birma hebben. Volgens Kramer leidt het bij de Chinese autoriteiten tot frustratie dat de Birmese regering niet of nauwelijks bereid is tot coördinatie en samenwerking die nodig is om die problemen aan te pakken. 'Maar de invloed van China wordt nogal eens overschat. Als het erop aankomt varen de Birmese leiders toch hun eigen koers.’ Het is een constatering die door diverse Chinese diplomaten wordt bevestigd.
Volgens Kramer zal China de Birmese regering blijven steunen zolang dat de beste garantie voor rust in het land geeft. 'Vanwege China’s grote economische belangen is stabiliteit voor de regering in Beijing prioriteit nummer één.’ In de Birmese oppositie heeft China volgens hem weinig vertrouwen omdat deze geen antwoord heeft op economische, etnische en stabiliteitsvraagstukken.
Op hun beurt hebben de Birmese leiders ook bedenkingen bij de relatie met China. Achter gesloten deuren gaven zij in het verleden regelmatig te kennen dat de afhankelijkheid hen helemaal niet lekker zit. Maar wat er precies speelt in de top is altijd een onderwerp van speculatie gebleven. Ook nu is het gissen welke koers de nieuwe regering, die voor een belangrijk deel uit ex-militairen bestaat, gaat voeren. Het is nog onduidelijk of de contacten tussen Aung San Suu Kyi en de regering een betekenisvol vervolg krijgen of dat ze net als in het verleden bedoeld zijn om het imago van de leiders op te vijzelen. Het is geen goed teken dat terwijl de wereldpers de schijnwerpers richtte op de zoveelste aflevering van het Beauty and The Beast-verhaal, de offensieven tegen een aantal etnische minderheden verhevigden. En geruchten over een machtsstrijd tussen de meer hervormingsgezinde president Thein Sein en de hardline vice-president Tint Aung Myint Oo, die naar verluidt nauwe banden met China heeft, zwellen de laatste weken aan.
De Amerikaanse Birma-kenner David Steinberg is een van de weinige westerse wetenschappers die toegang heeft tot hoge regeringskringen. Terwijl Chinese zakenlieden in donkere kostuums langs de brede fauteuils in de lobby van het luxueuze Traders Hotel in Rangoon drentelen, vertelt de bejaarde academicus dat de nieuw geïnstalleerde leiders wel banden met het Westen willen nu ze als burgerregering door het leven gaan. 'Financieel is het niet nodig, maar ze zoeken legitimiteit, prestige en erkenning.’ Hij registreert een ironisch probleem: 'Westerse landen weten dat de sancties niet werken, maar hoe kunnen ze dat beleid veranderen zonder daarmee een verkeerde politieke boodschap af te geven zolang hervormingen uitblijven?’
Al wordt het niet met zoveel woorden toegegeven, voor de meeste westerse landen is het van belang hoe oppositieleidster Aung San Suu Kyi denkt over de sancties. In haar kleine afgetakelde partijkantoor in Rangoon is het minstens tien graden heter dan in de tropische straten waar agenten van de geheime dienst het gebouw in de gaten houden. Dicht opeengepakt verwelkomen de leden van de NLD een paar politieke gevangenen die onlangs werden vrijgelaten. Anderen verkopen foto’s van hun fotogenieke leidster met bloemen in het haar en een lijvig boek met toespraken van haar vader, de vader des vaderlands Aung San. De 66-jarige Suu Kyi oogt vermoeid, maar haar blik is doordringend. Ze laat weten dat ze vooralsnog geen reden ziet voor het opheffen van de restricties. Over Birmese ballingen en oppositiegroepen die een pragmatischer benadering van de discussie rond de sancties voorstaan, zegt ze ietwat geïrriteerd: 'Dat ondermijnt ons.’
In een theehuis net buiten het centrum kaart een zakenman die nauwe banden met de oppositie heeft na over zijn recente ontmoeting met Suu Kyi. Om hem heen draven jonge obers met kapsels stijf van de gel af en aan met koppen toffeekleurige laphet ye (Birmese thee) en schaaltjes nam bya thow (ontbijt van noedels). Hij maakt van het geroezemoes gebruik om zijn verhaal te doen zonder dat hij door andere klanten wordt afgeluisterd. 'Mijn vrienden en ik vroegen Suu Kyi wat ze vond van de toenemende invloed van China. Ze zei: “We kunnen China niet de schuld geven. Elk land zou dit soort mogelijkheden gebruiken. Het is de taak van onze eigen regering om een verantwoord beleid te voeren.”’ Zijn magere gezicht met de schrandere ogen spreekt boekdelen. Hij heeft heel wat minder tolerante opvattingen over de bovenburen.


China en Birma
De relatie tussen China en Birma heeft een complexe voorgeschiedenis. Toen een jaar na de Birmese onafhankelijkheid van 1948 in China de communisten aan de macht kwamen, vluchtten honderdduizenden Kuomintang-troepen van Tsjang Kai-sjek de afgelegen oostelijke Shan-staat van Birma in. Tot ergernis van de prille regering in Rangoon die de communistische regering had erkend, vochten zij met steun van de VS en gefinancierd door opiuminkomsten tegen het communistische China. De Kuomintang-troepen raakten ook slaags met het Birmese regeringsleger. Toen een paar jaar later bleek dat de aanvallen van de Kuomintang op China voor het merendeel mislukten, verminderde de buitenlandse steun. De Kuomintang verzwakte verder toen ook andere gewapende groepen, waaronder de Communistische Partij van Birma, actief werden in de Shan-staat.

Toen in 1962 de militairen in Birma de macht grepen en China de Communistische Partij van Birma steeds meer begon te steunen, verslechterde de relatie tussen de beide landen. De Birmese autoriteiten verspreidden anti-Chinese propaganda en tot in het begin van de jaren zeventig waren er rellen tegen de Chinese gemeenschap.
Eind jaren tachtig haalde China uit economische motieven de banden met Birma weer aan. De Communistische Partij van Birma viel uiteen in door warlords geleide groepen die na verloop van tijd wapenstilstanden met de Birmese junta sloten.
China is de belangrijkste politieke, militaire en economische partner van de Birmese junta, maar bij veel Birmezen sluimert, vanwege de dominantie, agressie tegen burgers van Chinese afkomst.


Deze reportage kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van Freevoice en het Postcode Loterij Fonds