DE SPELEN ALS UITHANGBORD

China’s imago-obsessie

China voert een pr-show op en politiseert zo de Olympische Spelen. Daarmee worden ze ook een podium voor critici, de Tibetanen voorop.

DE SCHITTERENDSTE sportaccommodaties, de gedurfdste gebouwen, de modernste infrastructuur: nog nooit is in zo korte tijd een miljoenenstad zo grondig op de schop genomen als het pre-olympische Peking. Ook de Pekinezen zelf zijn op de schop genomen: ze mogen niet meer spuwen en vloeken, ze moeten bij bus- en metrohaltes netjes in de rij staan en ze moeten aardig zijn tegen buitenlanders. Ongewenste elementen zoals bedelaars, illegale migranten en mensen die door een petitie hun recht proberen te halen, worden de stad uit gestuurd. Taxichauffeurs en politieagenten hebben een paar Engelse woorden moeten leren, op openbare opschriften is het ergste steenkolen-Engels vervangen, stinkende schijthuizen zijn vervangen door modern geoutilleerde hygiënepaleisjes, en zelfs de spreekkoren in de olympische stadions worden zorgvuldig ingestudeerd.
Aan alles is dus gedacht om in de wereld respect, bewondering en ontzag voor het moderne China af te dwingen en tegelijk de Chinezen te vervullen van dankbaarheid jegens de Communistische Partij en ze unisono de lof van de partij te laten zingen. Het is immers aan de partij te danken dat het land weer op de wereldkaart is gezet en met zevenmijlslaarzen oprukt naar de status van supermacht. De organisatie van de Olympische Spelen in Peking is China’s grootste public-relationsoperatie sinds de stichting van de Volksrepubliek in 1949. Een operatie die dan ook volledig in handen is van de partij.
Maar in de uitstalkast Peking is niet alles op orde. Dezelfde teugelloze groei die van China een wereld-macht aan het maken is, heeft kolossale problemen veroorzaakt. De verzieking van het milieu bijvoor-beeld. Er zijn wel saneringsmaatregelen genomen, maar die leggen het af tegen de aanwas van vervui-lingsbronnen. Om de belofte van ‘groene Spelen’ te kunnen houden, moeten de autoriteiten hun toe-vlucht nemen tot lapmiddelen, zoals de tijdelijke sluiting van fabrieken en bouwplaatsen tot in de verre omgeving, en een olympisch rijverbod voor de helft van Pekings 3,5 miljoen auto’s. Het water dat de hoofdstad te weinig heeft, zal uit andere provincies worden gehaald, waardoor het daar al bestaande watertekort nog zal toenemen.
Lastiger te regelen is het gerommel in de sociale en politieke hoek van de etalage. De controle op de media en op internet is verscherpt, want wat niet weet, wat niet deert. De meest in het oog lopende en voor buitenlandse olympische verslaggevers interessantste raddraaiers – sociale activisten, mensen-rechtenadvocaten, freelance-corruptiebestrijders, eigenzinnige journalisten en schrijvers – zijn uit de roulatie genomen, of erger. De man die geschreven had dat mensenrechten belangrijker zijn dan de Olympische Spelen kreeg deze week vijf jaar cel. Die uitholling van de Chinese belofte dat de Spelen bevorderlijk zouden zijn voor de mensenrechten heeft in het buitenland veel protesten opgeroepen. Chi-na beschouwt die protesten als inmenging in zijn binnenlandse aangelegenheden, een principe dat sinds de Conferentie van Bandoeng in 1955 een van de pilaren vormt van de Chinese buitenlandse poli-tiek. Als een land orde op zaken wil stellen, heeft het buitenland zich er niet mee te bemoeien.
Actrice Mia Farrow gooide nog meer roet in het eten door te dreigen met een boycotactie tegen de ‘ge-nocide-Spelen’ als China geen druk zou uitoefenen op zijn olieleverancier en wapenafnemer Soedan om een eind te maken aan de genocide in Darfur. Peking protesteerde heftig tegen deze ‘politisering’ van de Olympische Spelen – hoewel het zelf niet anders doet. Maar China ondernam wel, het beginsel van de niet-inmenging ten spijt, diverse acties om de Darfur-critici tegemoet te komen. Die window dressing was echter niet genoeg voor regisseur Steven Spielberg, die zich terugtrok als artistiek adviseur voor de olympische show. De bittere Chinese reacties (‘Deze man leeft volledig in zijn sciencefictionwereld en kan de droom niet onderscheiden van de werkelijkheid’, was nog een van de vriendelijkste) verrieden hoe hard die klap in het Chinese gezicht was aangekomen.

En toen sloeg in Tibet de vlam in de pan, voor het eerst sinds 1989. De man die de opstand destijds on-derdrukte, de provinciale partijleider Hu Jintao, is nu China’s hoogste leider. De rebellie van Tibetaanse monniken en jongeren begon nadat de politie met traangas en arrestaties een eind had gemaakt aan een mars van monniken in de hoofdstad Lhasa. De Tibetaanse woede richtte zich vooral tegen Han-immigranten en hun winkels, een protest tegen de overheersende plaats die de Han-Chinezen in Tibet hebben ingenomen. De Chinese regering gaf de ‘dalai-kliek’ de schuld en sloeg keihard terug. Ze zette het leger in, verjoeg de buitenlandse journalisten en toeristen uit Tibet en de Tibetaanse gebieden in an-dere provincies, opende de jacht op de opstandelingen en grendelde de kloosters af. Het is de oude re-flex: niet praten maar schieten.
Daarmee begon de jongste en tot nu toe grootste golf van protesten in het buitenland: betogingen voor Chinese ambassades, verbrandingen van de Chinese vlag, protesten in alle toonaarden van regeringen en organisaties. Maar hoe te reageren? Er bij Peking op aandringen om een internationale onderzoeks-commissie in Tibet toe te laten? Een boycot van de Spelen? Een boycot van de openingsceremonie? Protestdemonstraties overal waar de olympische fakkel op zijn wereldreis voorbijkomt? Veel zal afhan-gen van de manier waarop China deze ‘binnenlandse aangelegenheid’ aanpakt en van de prijs die het buitenland wil betalen voor het gezichtsverlies dat het China met eventuele sancties toebrengt.
Onderhandelingen met de dalai lama (door de partijleider van Tibet betiteld als ‘een wolf in monnikskle-ren, een boze geest met een menselijk gezicht en het hart van een beest’) lijken uitgesloten. Maar nu de geest uit de fles is, lijkt een mislukking van de operatie-uitstalkast moeilijk meer te vermijden. China heeft zelf de Spelen gepolitiseerd en ze daarmee tot een podium gemaakt voor alle groepen die met het Chinese regime een appeltje te schillen hebben. De aankondiging dat demonstraties tijdens de Spelen niet zullen worden getolereerd, is natuurlijk geen enkele garantie dat ze niet zullen plaatsvinden.
Het zou zo’n vaart niet hebben gelopen als de Communistische Partij de Spelen niet had gebombar-deerd tot een coming-out party waar geen dissonant het feest van China’s triomfantelijke herverschijning op het wereldtoneel zou mogen verstoren. De partij heeft gedecreteerd dat de Spelen in volmaakte har-monie moeten verlopen. Ze moeten de wereld immers een beeld geven van een harmonieuze samenle-ving, conform het confucianistische ideaal dat de hoogste leiders hebben herontdekt toen het gebrek aan harmonie – in de vorm van protesten tegen uitbuiting en misstanden – gevaarlijke vormen begon aan te nemen. Maar de werkelijkheid is te weerbarstig om haar op bevel van hogerhand met een blijde glimlach te negeren. Een krachtig beroep op het Chinese nationalisme en het beginsel van de niet-inmenging is niet voldoende om in naam van een gedroomde harmonie de conflicten te ontkennen of weg te masseren. In een land waar iedereen geacht wordt het met iedereen en vooral met de leiders eens te zijn, worden afwijkende opinies, vooral als ze het buitenland bereiken, al gauw gezien als on-dermijnend.

Ieder land dat een wereldkampioenschap voetbal of Olympische Spelen organiseert, maakt er een ima-go-operatie van, maar we moeten teruggaan tot het WK in Argentinië van 1978 en de Olympische Spe-len in Berlijn in 1936 om in dat opzicht een parallel met Peking 2008 te vinden. De obsessie van de Chi-nezen met hun internationale imago is niet te begrijpen als je de geschiedenis niet kent van China’s rela-tie met het buitenland. Sinds een paar duizend jaar achten Chinezen zichzelf superieur aan andere vol-ken – zij zijn de enigen niet. De omringende vazalstaten pikten nog een graantje mee van de Chinese cultuur, maar daarbuiten werd de wereld bevolkt door in duisternis levende barbaren. Het is zeker waar dat China in verschillende perioden van zijn geschiedenis de rest van de wereld ver vóór is geweest. Kijk maar naar de vele Chinese uitvindingen, de vroegtijdige bloei van kunsten en wetenschappen, de Chinese ontdekkingsreizen tientallen jaren vóór Columbus.
Maar China miste de aansluiting met de moderne tijd. In de negentiende eeuw bleef het reactionaire keizerlijke hof het antwoord schuldig op de opdringerige belangstelling van de grote mogendheden. Met de Eerste Opiumoorlog (1839-1842) begon wat in China te boek staat als de eeuw van de vernederin-gen. China verloor de ene oorlog na de andere. Het moest toezien hoe de mogendheden in steeds meer steden de dienst gingen uitmaken en de Chinezen degradeerden tot tweederangsburgers. Strafexpedi-ties en zware herstelbetalingen maakten de vernederingen compleet. De Chinezen hebben er een diepe wrok tegen buitenlanders aan overgehouden. Toen Mao Zedong in 1949 de Volksrepubliek uitriep, ver-klaarde hij dat het Chinese volk was opgestaan. Nooit meer zou het buigen voor het buitenland. Daar-mee gaf Mao de Chinezen hun nationale waardigheid terug. Het heeft hem een torenhoge statuur opge-leverd.
Jarenlang heeft de Volksrepubliek in haar buitenlandse politiek teruggegrepen op de vernederingen uit het verleden. Soms terecht, maar ook vaak ten onrechte, nam China de pose aan van slachtoffer van de westerse mogendheden. En dat doet het nog altijd wanneer het zich aangevallen voelt door het Westen, dat er op uit zou zijn China’s terugkeer als wereldmogendheid te dwarsbomen. Juist daarom moet de wereld een beeld gepresenteerd krijgen van een land dat één en al vooruitgang en geloof in de toe-komst uitstraalt en van een volk dat zich als één man schaart achter het wijze beleid van de Communis-tische Partij. Het uitgelezen moment om dat beeld over te brengen is wanneer een paar miljard mensen naar de tv-uitzendingen zitten te kijken van de Olympische Spelen in Peking.