ÉÉN GROTE FAMILIE

China’s laatste ideologie

Van de politieke vrijheid in China die het bijproduct zou zijn van economische liberalisering komt vooralsnog weinig terecht. China is Chineser dan ooit. De aardbeving in Sichuan heeft het nationalisme versterkt.

Eerst was China compleet in de ban van de olympische gekte. Toen kwam de woede om de westerse berichtgeving over het neerslaan van de opstand in Tibet. De boosheid groeide uit tot razernij toen protestacties in het Westen de beoogde wereldwijde zegetocht van de olympische fakkel verstoorden. Vervolgens zette de moorddadige aardbeving in de provincie Sichuan een golf van nationale solidariteit in gang zoals het land nog nooit had meegemaakt.

Wat is de grootste gemene deler van deze heftige emoties, behalve dat ze afrekenen met het westerse clichébeeld over Chinezen die meesters zouden zijn in het onderdrukken van hun gevoel? Het zijn allemaal bewijzen dat in de nieuwe wereldmacht China nog maar één ideologie ertoe doet: het nationalisme. Maar dan wel een nationalisme van uiteenlopende aard. Het trotse, uitdagende nationalisme dat de Olympische Spelen in Peking ziet als de presentatie aan de wereld van China’s nieuwe macht en glorie. Het gekrenkte, xenofobe nationalisme dat in buitenlandse protesten tegen misstanden in China een anti-Chinese samenzwering ziet. En het solidaire nationalisme van mensen die de overlevenden van een megaramp te hulp komen.

Maar het communisme dan, wat is daarvan geworden? Met zelfverzekerde blik prijken de communistische aartsvaders nog altijd in chronologische volgorde in de Ahnengalerie van de Chinese communistische partij, en het heetgebakerde Denken van Mao Zedong is nog altijd een grondwettelijk leerstuk. De officiële ideologie is immers nog steeds het socialisme (zij het dan met ‘Chinese karakteristieken’) en de alleenheersende partij noemt zich nog altijd communistisch. Die ‘Chinese karakteristieken’ hebben echter verdacht veel weg van het kapitalisme, en de naam van de partij (Gongchandang, partij van de gemeenschappelijke productie) staat haaks op de dominante rol van het particuliere eigendom. Maar van die semantische spagaat trekt niemand zich iets aan.

Behalve in de verplichte ideologische lessen in het onderwijs wordt nauwelijks meer gepraat over Marx en Engels, laat staan over Lenin en Stalin. Ook de naam van Mao zelf, de vader van het Nieuwe China, ligt niet bepaald op ieders lip. Logisch, want Mao’s ideaal van de onbaatzuchtige communistische mens staat haaks op de huidige individualistische geldideologie. Na Mao’s permanente klassenstrijd en zijn pathologische ideologische en economische campagnes is de Chinese communistische partij buitengewoon pragmatisch geworden. Niet uit principe, maar om te overleven. Mao’s versie van het communisme had de Chinezen weliswaar voor het eerst sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg gebracht, maar ook dood en verderf en economische rampspoed. Het land was uitgemergeld en het gezag van de partij ondermijnd. Er moest dus iets nieuws worden verzonnen om de partij een nieuwe legitimering te geven en haar daardoor aan de macht te houden. En dat laatste, daar is het de partijleiders om begonnen.

De nieuwe legitimering moest komen uit een geforceerde economische ontwikkeling. Dat is dan prima gelukt: nog nooit in de geschiedenis heeft een zo groot land in zo’n korte tijd zo’n razendsnelle ontwikkeling doorgemaakt als de Chinese Volksrepubliek. 250 miljoen mensen zijn uit de ergste armoede gehaald, en uit het niets is een omvangrijke middenklasse opgekomen en een puissant rijke bovenlaag. Het is jammer dat veel mensen in het Westen daar geen oog voor hebben, want daardoor kunnen ze ook niet snappen dat de regering een gigantische aanhang heeft. Rijk worden is glorieus: de slogan waarmee Deng Xiaoping, de architect van China’s economische revolutie, het nieuwe beleid samenvatte, heeft gewerkt, en hoe. Dankzij Dengs radicale koerswijziging zit de partij weer vast in het zadel en is China hard op weg een wereldleider te worden.

De Sovjet-Unie heeft haar destalinisering gehad, maar in China is het tot een officiële demaoïsering nooit gekomen. De Chinese communisten zijn er immers van overtuigd dat het dumpen van Stalin het begin inluidde van de ontbinding van de Sovjet-Unie, die verder verloederde door het uitblijven van economische hervormingen en uiteindelijk de genadeslag kreeg van Gorbatsjovs glasnost en perestrojka. In China doen ze het anders: economische hervormingen, maar geen politieke vadermoord en geen politieke hervormingen.

Van het oude communisme is dan ook meer overgebleven dan westerlingen over het algemeen denken. De partij bezit nog altijd het machtsmonopolie en oefent een controle uit die weliswaar sinds Mao een stuk versoepeld is, maar haar leninistische oorsprong nog altijd niet verloochent. Op economisch en sociaal gebied mag dan veel zijn veranderd – de neoliberale goeroe Milton Friedman heeft ook in China zijn sporen nagelaten – maar nog altijd is het de communistische partij die de grote en vaak ook de kleine beslissingen neemt. In laatste instantie zijn het niet de wetten van de markt, maar de belangen van de partij die prevaleren. Eigenlijk sluit het Chinese communisme prima aan bij de keizertijd: de keizer duldde geen andere politieke macht naast zich, onderwierp zijn onderdanen aan scherpe controle en bepaalde wat er economisch moest gebeuren.

En het nationalisme? De militaire, financiële, territoriale en diplomatieke vernederingen die China in de negentiende en twintigste eeuw keer op keer te incasseren kreeg van westerse barbaren en andere buitenlanders, kwamen hard aan in een land dat sinds overoude tijden overtuigd was van zijn eigen culturele superioriteit. De kiem voor het huidige nationalisme is gelegd in de 4 Mei Beweging van 1919, die gericht was tegen de nieuwe vernedering waarop het Verdrag van Versailles voor China zou neerkomen. De twee jaar later gestichte communistische partij ziet deze jongerenbeweging als haar voorloopster. Niet voor niets heeft de partij 4 mei uitgeroepen tot Dag van de Jeugd, die nog altijd jaarlijks wordt herdacht. Pas onder Mao (‘De Chinezen zijn opgestaan’, riep hij uit bij het proclameren van de Volksrepubliek in 1949) kwam een einde aan de vernederingen, op een drastische manier: China ging praktisch voor het buitenland op slot.

Die herwonnen nationale trots heeft van de economische revolutie een geweldige oppepper gekregen. Het leek de laatste jaren niet meer nodig buitenlandse kritiek te pareren door de – historisch zeer begrijpelijke – rol van slachtoffer te spelen van westerse grootmachten die het op China hebben gemunt. De Olympische Spelen in Peking moesten China’s herrezen grandeur markeren. Een olympische fakkeltocht door alle continenten moest de stemming erin brengen, maar wat bedoeld was als een triomftocht liep uit op een Chinese nachtmerrie, met de ene protestactie na de andere. De algemene reactie daarop in China – dankzij internet begint zich voor het eerst iets van een publieke opinie af te tekenen – kwam bijna neer op een nieuwe 4 Mei Beweging. Het Westen heeft niets geleerd! Het probeert China opnieuw te vernederen! Het gunt China zijn status van nieuwe wereldmacht niet!

De fakkeltocht bracht heel wat mensen die hun gram wilden halen de straat op: Tibet-activisten, aanhangers van de zwaar vervolgde spirituele beweging Falun Gong, activisten voor mensenrechten, persvrijheid en democratie, milieumilitanten, mensen die niet willen dat China vluchtelingen uit Noord-Korea terugstuurt, noem maar op. Maar als die demonstranten gedacht hadden dat ze het Chinese volk achter zich zouden krijgen, dan bleken ze zich fors te hebben vergist. Vooral de jongeren schaarden zich massaal rond de troon van het regime, dat hier en daar zelfs het verwijt kreeg niet nationalistisch genoeg te zijn. Iedere boycot van de Olympische Spelen, al was het alleen maar van het openingsspektakel, zal hetzelfde onbedoelde effect hebben.

China-experts begonnen al te spreken over een keerpunt in de verhouding tussen China en het Westen. China zou zich weer meer in zichzelf keren en de gelegenheid aangrijpen om zich meer te wijden aan de binnenlandse ontwikkeling. Net als na het neerslaan van de pro-democratische Tienanmen-revolte van 1989 zou het regime vluchten in een verbeten nationalisme. En toen beefde de aarde in Sichuan. De ontstellende ramp heeft een nieuwe vorm van nationalisme losgemaakt: een actieve solidariteit waarin het individualistische China één grote familie lijkt die de familieleden in nood zo veel mogelijk probeert te helpen. Dat was niet door de regering voorzien. Precies zoals bij de laatste grote overstromingsramp in 1998 probeerde ze aanvankelijk de hulpverlening te monopoliseren via het leger en de nieuwsvoorziening via het officiële persbureau Xinhua. Maar toen dat bekend werd, waren de eerste vrijwilligers en journalisten al in het rampgebied gearriveerd. De autoriteiten deden het enige wat ze – mede om zich te onderscheiden van de recalcitrant-criminele houding van de junta van Birma na de cycloon – konden doen: bakzeil halen.

Opnieuw vragen de China-experts zich af wat dit te beduiden heeft. Er zijn al speculaties dat dit eindelijk het ontwaken is van de civil society. De middenklasse, de motor achter de spontane hulpverlening, zou zich niet meer willen laten betuttelen. In de jaren tachtig en negentig leidde zo’n bewustwording van de middenklasse tot het einde van de rechtse dictaturen in Zuid-Korea en Taiwan. Maar China tart dat soort vermeende wetmatigheden. Degenen die voorspelden dat de handel met het Westen, de stijging van het inkomen en het massale gebruik van internet automatisch tot democratie zouden leiden, hebben vooralsnog ongelijk gekregen. Er is eerder een tegenovergestelde reactie zichtbaar. De communistische partij heeft het nationalisme omhelsd en doet tegelijk een beroep op haar oude ideologische arsenaal: als één man moeten de Chinezen de strijd tegen de vijand winnen. Vroeger was dat de klassenvijand, tegenwoordig is het de onderontwikkeling, de anti-Chinese krachten in het buitenland of een aardbeving. Als er maar een vijand is.

Begin juni verschijnt van Jan van der Putten het boek Chinese tekens