China Special

China Special: Washington koestert de vijand

Als Amerika niet toestaat dat China zijn oliedorst via de vrije markt lest, vinden de Chinezen wel andere vrienden. De politici in de VS sluiten daarvoor de ogen. Het bedrijfsleven staat bezorgd buitenspel.

WASHINGTON – Iedere dag opent een van de Amerikaanse fastfoodketens Kentucky Fried Chicken, Taco Bell of Pizza Hut een nieuw filiaal in China. Dat heeft tot nu toe 1384 Chinese Kentucky Fried Chicken-restaurants opgeleverd. Concurrent McDonald’s doet het ook niet slecht met inmiddels meer dan vierhonderd Chinese restaurants.

Chinezen zelf beweren dat ze hun «wezenlij ke aard» niet verloochenen in de recente spurt als handelsnatie. Kennelijk mag de westerse verstaander dat uiterst abstract opvatten. Gefrituurde kippenpoten, laffe pizza’s en dunne ta co’s mogen op z’n Amerikaans. Net zo als mobiele telefoons, auto’s, dvd-spelers en computers er in het Middenrijk niet anders uit hoeven te zien dan in de Europese Unie of de VS.

Dit is natuurlijk heerlijk voor het Amerikaanse bedrijfsleven dat China, behalve als afzetmarkt, ook als werkplaats gebruikt, waar goedkope en betrouwbare arbeidskrachten goede kwaliteit leveren. China is daardoor «een onmisbare schakel geworden in de keten van westerse producten», aldus China-kenner Henk Schulte Nordholt.

Des te opmerkelijker is de angstvallige zwijgzaamheid van het bedrijfsleven naast de momenteel snel groeiende anti-Chinese stemming in Washington DC. Hoe sterk Amerikaanse multinationals ook zijn vertegenwoordigd in de hotellobby’s, denktanks en politieke wandelgangen van de hoofdstad, het tij zit hun tegen. Ook onder Republikeinen winnen momenteel natio nalisme, angst en wapen gekletter het van de belangen van het bedrijfsleven. Dat werd deze zomer pijnlijk duidelijk in het Huis van Afgevaardigden toen dat reageerde op het bod van het Chinese bedrijf CNOOC om het Amerikaanse oliebedrijfje Unocal over te nemen. Hoewel Unocal, nagenoeg failliet, maar één procent van de Amerikaanse olieconsumptie levert, zou de Chinese overname een gevaar betekenen voor de nationale veiligheid. Een motie die deze zorg uitdrukte werd door het Huis aangenomen met 398 stemmen voor en 15 tegen. China begreep de hint en trok zich terug.

Ook de Democraten in het Congres stemden massaal voor de motie. Om verschillende redenen. Een deel van hen grijpt, tot tevredenheid van de achterban, iedere strohalm aan om het Witte Huis in verlegenheid te brengen. Maar er speelt meer. Vele Democratische afgevaardigden delen niet de kosjere economische ge dach te van de Chinese regering, het Witte Huis, de Wereldbank en het IMF dat juist economische groei de Chinese werknemers uitzicht geeft op een fatsoenlijker salaris en betere arbeidsomstandigheden in de toekomst. Chinezen moeten in hun ogen eerst een fatsoenlijk inkomen genieten, alvorens hun land een volwaardige handelspartner kan zijn. Zolang de Chinese arbeider het voor minder dan de Amerikaanse doet, zijn alle soorten protectionistische maatregelen geoorloofd. De huidige voorzitter van de Democratische partij, Howard Dean, pleitte er tijdens zijn presidentscampagne zelfs voor alleen handel toe te staan met landen waar arbeidsomstandig heden op hetzelfde peil staan als in de Verenigde Staten: «Wij zijn het machtigste land op aarde. Om te kunnen exporteren zullen landen als China, India en Taiwan hun arbeidsomstandigheden aan ons aanpassen.»

Natuurlijk bevindt Dean zich met dit onorthodoxe standpunt in de politieke marge. Maar gek genoeg krijgen de protagonisten van de vrije markt, waar het China betreft, deze dagen ook nauwelijks een voet aan de grond op «de Hill». Om politieke, ideologische en militaire redenen wordt daar zelfs nog afwijzender over China gedacht dan in de rest van de samenleving. Dat blijkt uit een onderzoek van het Comité van Honderd, een club van belangrijke en vooral welvarende Amerikanen van Chinese afkomst: 56 procent van de Amerikaanse bevolking blijkt een «zeer positieve» of «redelijk positieve» indruk van China te hebben, terwijl 82 procent van de Congresleden – plus hun omvangrijke staf – juist een «zeer negatieve» of «behoorlijk negatieve» kijk op China heeft (zie grafiek op pagina 11). Bovendien kan net iets meer dan de helft van de bevolking zich vinden in de stelling dat de Chinese mensenrechtensituatie in het afgelopen decennium is verbeterd, terwijl 69 procent van de Congres-plus-stafleden het daarmee nadrukkelijk on eens is. De meerderheid van het Amerikaanse volk is tegen het inzetten van troepen «als een onafhankelijkheidsverklaring van Taiwan leidt tot vijandigheden met China». Terwijl een meerderheid van Congres-plus-stafleden Taiwan wel militair te hulp wil schieten. En 54 procent van hen geeft bevestigend antwoord op de vraag of de Chinese regering verantwoordelijk is voor de negatieve handelsbalans van de VS, tegen 28 procent van de Amerikaanse be volking.

Een week nadat het Chinese CNOOC het bod op Unocal introk, kocht een nog groter Chinees staatsconcern het oliebedrijf PetroKazachstan. Dat opende de ogen van enkele commentatoren: Amerikaanse politici werken aan een self-fulfilling prophecy. Dat het de Chinezen onmogelijk wordt gemaakt hun gespaarde geld te investeren in zieltogende Amerikaanse bedrijven – en dus het door Amerika gevierde wereldhandelsspel te spelen – verschaft ze nog meer redenen om zich, in de race om grondstoffen, steeds nadrukkelijker te richten op landen als Kazachstan of Venezuela. En om ook de banden aan te halen met obscuurdere vrienden, zoals Ivoorkust, Birma, Soedan en Zimbabwe.

Ze blijken daar goed in. Overal in Afrika zeggen regeringsleiders dat het met Chinezen prettig zaken doen is. Over politieke vrijheden, mensenrechten, verplichte liberalisering, be zuinigingen of corruptiebestrijding reppen ze niet. De ca deau tjes van de Chinese overheid, zoals bruggen en sportcomplexen, geven het land onder Afrikanen zelfs een zekere populariteit. En dat kan van Amerika niet worden gezegd.

De warme contacten van de Chinezen met een lastpak als de Venezolaanse president Hugo Chávez of de lompe dictator Mugabe van Zimbabwe ontgaan de Amerikaanse volksvertegenwoordigers niet. Die zetten daarom hun goed geoliede retorische machinerie van mo rele verontwaardiging en superioriteit in werking en nemen moties aan waarin het Chinese gevaar met grote letters wordt bevestigd.

De vraag is of ze stikken in hun verontwaardiging of dat hun angstige con tainment de op voorzichtige sa menwerking gerichte engagement politiek van het Witte Huis zal verdrukken.

De aan Clingendael verbonden China-deskundige Ingrid d’Hooghe, momenteel geves tigd in Washington, meent dat het zo’n vaart niet zal lopen: «Hoewel het China-bashen mo menteel politieke mode is, weten ook Congresleden dat Amerika het zich niet kan veroorloven om deze gigantische handelspartner te isoleren. Vergeet niet: omdat China met zijn handelsoverschot het jaarlijkse begrotingstekort van Amerika vult, blijft de rente in Amerika laag, waardoor onder meer de markt in onroerend goed blijft groeien. Bovendien, je dacht toch niet dat Amerikanen echt geen textiel uit China willen? Chinese beha’s en T-shirts be sparen de Amerikaanse consument miljarden. De China-lobby in Washington is nu even stil, maar die hoor je binnenkort heus wel weer, als het er werkelijk toe doet, zoals des tijds toen China de WTO in moest worden geloodst.»

China en Amerika houden elkaar economisch in een houdgreep. Zo zou de dollar in één klap zijn waarde verliezen als China’s centrale bank haar Amerikaanse staatsobligaties op de markt gooit. Maar dat zal niet gebeuren. Die staatsobligaties zullen bij een groot aanbod ervan immers weinig meer opbrengen. Ten tweede zullen de Chinezen met een waardeloze dollar weinig meer kunnen afzetten in Amerika, hun grootste handelspartner (28 procent van de Chinese export). De spilzucht van de Amerikanen is de motor van de Chinese groei.

Tegelijk zien doemdenkende politici in beide landen bevestigingen van de kwaad aardigheid van de ander. Voor de Chinezen zijn dat onder meer de Amerikaanse wapenleve ranties aan Taiwan, het eeuwige gemekker over de kunstmatig lage koers van de yuan, de textielquota, de recente Japans-Amerikaanse verklaring waarin Taiwan een «gezamenlijk strategisch belang» wordt genoemd en – niet te vergeten – de steun aan Chinese dissidenten en de dalai lama.

Amerikanen schrikken op hun beurt niet alleen van China’s groeiende aanwezigheid in de wereld, maar ook van de modernisering van het Volksbevrijdingsleger, de versterking en uitbreiding van de Shanghai Cooporation Organisation (een groep landen die in juli Amerika opriep een datum te noemen voor de terugtrekking van troepen uit Oezbekistan en Kirgizië), de omvang van de schendingen van het intellectueel eigendom, de dreigende taal en raketten gericht op Taiwan, het verhuizen van bedrijven en banen naar China en het groeiende handelsbalanstekort met alleen al dit land – 160 miljard dollar in het afgelopen jaar. Het hielp ook niet echt dat een hoge Chinese militair in juli beweerde dat zijn land zijn toevlucht zou kunnen nemen tot nucleaire wapens bij een eventueel militair treffen met Amerika.

Toch is de angst voor China overdreven. D’Hooghe: «Zoals Amerika zich geen al te agressief China-beleid kan veroorloven, geldt hetzelfde voor het Chinese leiderschap. China maakt een ongekende economische groei door, maar we praten vooralsnog over een arm land. Hun economie is nog slechts eenderde van het veel kleinere Japan. Met statistieken kun je laten zien hoe gigantisch de opmars is, maar ook hoe lang de weg naar de Eerste Wereld nog is. Bovendien groeit de sociale onrust. Het is vooral die economische groei die de macht van de Chinese leiders legitimeert. Ze hebben die nodig. Gedonder in het buitenland brengt de groei alleen maar in gevaar, dus daar zullen ze zich niet snel aan wagen.»

De concurrentie wordt het sterkst gevoeld in de gezamenlijke verslaving aan olie. De Amerikanen slurpen met vier procent van de wereldbevolking 25 procent van de wereldproductie op, China neemt eenderde van de totale groei van de vraag voor zijn rekening. Juist ook om de olie kunnen de spanningen tussen de grootste en de op één na grootste olie-importeur Europa niet koud laten. Hoewel Amerika vijftig procent meer olie gebruikt per dollar van het bruto binnenlands product dan de EU moeten ook Europeanen de rekening betalen voor de excessieve groei van de vraag naar olie.

Een Europese diplomaat, die de strubbelingen tussen beide landen volgt vanuit Washington, vraagt zich af of de veranderende realiteit wel doordringt tot de Europese politiek: «Luchthartig doen over China is gewoon stom. Je kunt wel lacherig doen over de Amerikaanse angst voor het gele gevaar. Maar geef de Amerikanen enig krediet. Zij weten wat macht is, ze beschikken erover en herkennen het. Zij zoeken naar een antwoord op de huidige machtsverschuivingen. Wij gedragen ons alsof er niets aan de hand is.»

De welbespraakte Brit Liam Fox, op bezoek in Washington, is een uitzondering. Deze conservatieve schaduwminister van Buitenlandse Zaken, die hoopt partijleider te worden, is net zo serieus over de Chinese dreiging als zijn Amerikaanse collegae: «Europa met z’n on crea tieve ondernemers, zijn inflexibele ar beids markt en volledig stagnerende econo mieën, is natuurlijk ook niet in de positie om iets aan de dreigende opkomst van China te doen. Mijn hoop is volledig op de VS gericht. De Amerikanen moeten China confronteren. Wij kunnen dat alleen maar zo vriendelijk mogelijk aan ze vragen. Maar wat doen we? We heffen een wapenembargo tegen China op, juist nu. Ik schaam me daar diep voor.»

Wei Ban, VS-correspondent van het grote Chinese persbureau Xinhua News, heeft een vermoeden hoe die confrontatiepolitiek eruit zal zien: «Op steeds hogere toon zal Amerika democratisering en vergroting van politieke vrijheden eisen. Zonder veel nadenken. Want China is een enorm land, met een eindeloos potentieel voor conflicten. Amerikaanse politici zijn momenteel als de dood voor ons. Maar een democratisch China zal niet minder dreigend zijn. Integendeel, wij zouden wel eens anders kunnen stemmen dan Amerikaanse politici welgevallig is. Neem Taiwan, van groot belang voor de relatie China-Amerika. Ik betwijfel of de Amerikaanse belangen ermee zijn gediend als wij Chinezen over die kwestie mogen stemmen.»

Wellicht is het Amerikaanse bedrijfsleven, blij met de status-quo, zich dat beter bewust dan Congresleden, verontwaardigd over de status-quo. Want politieke gevoeligheden spelen zich niet af in een economisch vacuüm. Een jaar geleden werd de server van McDonald’s uit de lucht gehaald door een Chinese hacker. Hij was boos dat Taiwan als een apart land stond vermeld op de website van de Amerikaanse fastfoodketen. Wei Ban: «Wij zouden wel eens hetzelfde met onze vrijheid willen doen als het Amerikaanse volk: de wereld een lesje leren.»

_______________________

Hong Hao

Hong Hao (1965), graficus en fotograaf, haalt zijn inspiratie uit oude Chinese tradities, de Culturele Revolutie en de chaotische moder nisering van Peking. Bekend is geworden de serie My Things waarin hij allerlei voorwerpen uit zijn eigen omgeving groepeert en documenteert.

«Ik heb meer dan tien jaar ervaring met internationale kunstfestivals en tentoonstel lingen over China of over mijzelf. In het begin kwamen de gewone westerse bezoekers vooral uit nieuwsgierigheid. Ik denk dat ze verwachtten in de Chinese kunst een zeker exotisch gevoel te vinden, vooral van beelden die aan hun vooroordelen beantwoordden. Vanwege hun afwijkende culturele achtergrond begrepen ze mijn werken nooit helemaal.

Of er een relatie is tussen mijn werk en dat van niet-Chinese kunstenaars? Ik heb veel internationale kunstshows bezocht; behalve culturele verschillen zijn de verschillen tussen individuele stijlen van kunstenaars het belangrijkst. We zitten in hetzelfde kunstsysteem, de regels zijn overal hetzelfde.

Ik weet niet veel van het Amsterdamse festival. Sorry. De plaats is niet belangrijk, de kwaliteit van de tentoonstelling is belangrijker. Ik kom graag naar Europa en Amerika. Taal is altijd een probleem.»