Westerse naïviteit over China

China wordt steeds Chineser

De tijd dat het Westen China de les kon lezen is voorbij. Het Rijk van het Midden is na anderhalve eeuw terug op het wereldtoneel. Niet China zal zich moeten aanpassen aan de wereld, maar de wereld zich aan China.

IN NIET MEER dan drie decennia is China in de economische wereldrangorde vanuit de verre achterhoede opgerukt naar de kopgroep. Dit jaar zal het zijn oude vijand Japan, dat tien jaar geleden nog een vier keer grotere economie had, verdringen van de tweede plaats. En daarna komt, veel sneller dan kort geleden nog verwacht, de koploper in zicht, de Verenigde Staten.
Tijdens deze verbijsterend snelle economische inhaalslag is China in politiek opzicht niet noemenswaardig veranderd. Het is nog altijd een autoritaire eenpartijstaat, waarin de communistische partij alle macht in handen heeft. Deze duurzaam gebleken spagaat tussen economische ontwikkeling en politieke inertie dwingt het Westen af te rekenen met een taai misverstand: dat economische ontwikkeling hand in hand gaat met politieke liberalisering. We moeten domweg erkennen dat modernisering niet automatisch democratisering inhoudt, en dat dit laatste woord niet in het Chinese woordenboek staat.
Wij waren ervan overtuigd dat China tegen wil en dank wel moest democratiseren, onder dwang van onweerstaanbare krachten van zowel binnenuit als buitenaf. De modernisering van de economie en de maatschappij zou automatisch een politieke liberalisering met zich meebrengen. En door het optrekken van het bamboegordijn dat het China van Mao Zedong had geïsoleerd van de buitenwereld, zou er in het Rijk van het Midden een verfrissende westenwind gaan waaien.
Aanvankelijk leken de Chinese dorpsverkiezingen ons gelijk te geven. In de bijna een miljoen dorpen van China wordt immers de plaatselijke leider gekozen in directe verkiezingen. Deze democratisering aan de basis zou langzamerhand ook in de hogere bestuurlijke regionen worden doorgevoerd, totdat alle Chinezen hun hoogste leiders direct zouden mogen kiezen. De werkelijkheid is anders gebleken dan dit mooie voorbeeld van wishful thinking. De gekozen dorpsleiders, voorzover geen partijmensen, kunnen zonder steun van de partij niets klaar krijgen, en als er iets misgaat, kunnen ze als zondebok dienen. De werkelijke macht blijft in handen van de niet-gekozen plaatselijke partijleider. Hoger dan het dorpsniveau is dit electorale systeem niet gekomen en zal het ook niet komen.

INTUSSEN hadden we als de drijvende binnenlandse democratiseringskracht de Chinese middenklasse ontdekt. Eenmaal boven een zeker inkomen uitgekomen - natje en droogje verzekerd, prettige flat, glanzende auto, enig kind op een particuliere school - zouden de Chinese middenklassers in het geweer komen tegen de dictatuur. Hun protest zou niet zo makkelijk kunnen worden neergeslagen als dat van arbeiders en boeren. Ze zouden zich niet meer laten betuttelen over wat ze wel en niet mogen lezen, zien of aanklikken. Ze zouden zich willen organiseren buiten de controle van de communistische partij om. Ze zouden een eigen politieke vertegenwoordiging willen in het landsbestuur.
Die wetmatigheden mogen in andere landen zijn opgegaan, niet in China. De middenklasse in het Rijk van het Midden heeft haar ontstaan en groei te danken aan de ommezwaai van de communistische partij na de dood van Mao. Op een plenaire vergadering van het Centrale Comité, eind 1978, werd tegelijk met het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ de middenklasse geboren. Dankzij de economische revolutie - minder staat en meer markt, maar wel onder strakke controle van de partij - begon vanuit het niets een middenklasse te groeien die nu, afhankelijk van de definitie, bestaat uit minimaal zeventig miljoen en maximaal driehonderd miljoen mensen.
Op een totale bevolking van ruim 1,3 miljard is dat nog altijd een kleine minderheid, maar het is wel een spraakmakende en gezichtsbepalende groep: het zijn stedelingen, automobilisten en internetgebruikers, ze hebben de beste banen, ze gaan op vakantie in het buitenland en het is deze groep die de nieuwe huizen en kantoren betrekt en de luxe goederen van binnen- en buitenlandse makelij koopt. 'We zijn nog nooit zo vrij geweest als nu’, zeggen ze, en ze hebben nog gelijk ook. Alles hebben ze aan de partij te danken. Ze zullen het wel uit hun hoofd laten de hand te bijten die hen voedt.

SOMS LEES JE verhalen in de westerse pers over een beginnende 'opstand van de Chinese middenklasse’, zelfs over een embryonale 'volksmacht’ van de middengroepen. Die verhalen gaan dan over lokale protesten van gegoede burgers tegen plannen die hun materiële belangen schaden. Zo ging het in Xiamen om de bouw van een vervuilende chemische fabriek pal voor een complex luxe flats, in Shanghai om het doortrekken van de maglev-lijn (de supersnelle magneetzweeftrein) vlak langs dure huizen, met schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de bewoners en de waarde van hun panden. Die protesten zijn uitsluitend gericht tegen lokale autoriteiten en niet tegen de landelijke overheid, laat staan tegen het politieke systeem.
Hetzelfde geldt voor de uitbarstingen van protest van boeren en arbeiders. Wanneer er meer dan honderd mensen bij betrokken zijn, heten ze in het officiële jargon 'massa-incidenten’. Gemiddeld elke vier minuten doet zich ergens in China zo'n incident voor. Deze protesten richten zich tegen fabriekseigenaars die de grond van de boeren vergiftigen, tegen projectontwikkelaars die het bouwland stelen, tegen ondernemers die arbeiders hun loon niet uitbetalen, tegen politiegeweld, tegen partijbazen die de mensen uitknijpen en het op hun kosten breed laten hangen - maar nooit tegen de centrale leiders. Volgens een wijd verspreide overtuiging hebben die immers, geheel in de keizerlijke traditie, het beste voor met hun volk, maar jammer genoeg worden hun nobele bedoelingen vaak door lokale mandarijnen gesaboteerd. Westerlingen die de vele wanhoopexplosies afschilderen als het begin van een nationale opstand tegen het communistische bewind, slaan de plank dan ook ver mis.
Het idee dat een rijk geworden middenklasse politieke hervormingen eist om haar bezittingen beter te beschermen, gaat in China niet op. De middenklasse als geheel heeft geen enkele reden om in het geweer te komen tegen de partij. Over het algemeen vertegenwoordigt de partij haar belangen immers uitstekend. De middenklasse accepteert de repressie tegen andersdenkenden als een noodzakelijk geachte prijs voor het bewaren van het hoogste goed: de sociale stabiliteit. Bij chaos heeft ze immers alles te verliezen. Net als de communistische partij zelf.

HET GROS van de 76 miljoen partijleden behoort zelf tot de middenklasse. Vanuit klassiek marxistisch standpunt mag dat absurd zijn, maar niet volgens de leer van de 'Drie Vertegenwoordigingen’, die in 2002 officiële partijdoctrine werd. Sindsdien vertegenwoordigt de communistische partij 'de geavanceerde productieve krachten, de geavanceerde cultuur en de belangen van de overweldigende meerderheid van het volk’. Vertaling: de communistische partij ziet zichzelf als belangenbehartiger van niet alleen meer de boeren en arbeiders - de grote verliezers van de economische revolutie - maar ook van de voormalige klassenvijand.
En zo worden industriëlen, zakenlieden en andere kapitalisten de partij binnengehaald. Die laten zich graag binnenhalen: de communistische partij is immers de Partij van de Macht geworden, en daar moet je dus zijn om dingen gedaan te krijgen en carrière te maken. Dat geldt ook voor de naar verhouding snelst groeiende groep partijleden: studenten. Niemand van deze toekomstige elite wordt partijlid uit ideologische gedrevenheid. De Tiananmen-studentengeneratie van 1989 lijkt tot de prehistorie te behoren.
Tiananmen. De grote protestbeweging in Peking en vrijwel alle andere grote steden van China was de bekendste van de vijf pogingen om na de economische hervorming ook een politieke hervorming door te voeren. Alle vijf pogingen zijn de kop ingedrukt: de Democratische Muur (1978-1979), Tiananmen (1989), de Democratie Partij (1998), de Nieuwe Democratie Partij (2007) en Charter 08 (2008). Het Tiananmen-protest duurde vele weken omdat de partijtop diep verdeeld was over de vraag of moest worden ingegrepen of niet. Ten slotte hakten de partijoudsten onder leiding van patriarch Deng Xiaoping de knoop door en werd het leger ingezet. Sindsdien heeft men het nooit meer zo ver laten komen. Alle initiatieven zijn in de kiem gesmoord. De laatste die dat heeft ervaren is Tiananmen-veteraan Liu Xiaobo. Deze mede-initiatiefnemer van Charter 08, dat nooit verder is gekomen dan een democratisch manifest op internet, zit voor elf jaar achter slot en grendel. Hij was schuldig bevonden aan 'ophitsing tot omverwerping van de staatsmacht’.

MENSENRECHTENACTIVISTEN en hun advocaten, eigenzinnige journalisten, klokkenluiders en andere dwarsliggers hebben een soortgelijke overkillreactie ervaren. Naarmate China machtiger wordt, haalt het steeds harder uit tegen andersdenkenden en -doenden. En dat terwijl wij er tamelijk zeker van waren dat China’s toenemende contacten met de buitenwereld een democratiserend effect zouden hebben. Vraag bijvoorbeeld maar aan de Amerikaanse ex-president Clinton. In het oude Amerikaanse China-dilemma tussen containment en engagement koos Clinton gedecideerd voor engagement. Het loonde veel meer, vond hij, nauwe relaties met China aan te gaan dan te trachten de Chinese expansie in te dammen. China bood immers voor de VS enorme kansen, en mét de westerse producten zouden volgens Clinton ook westerse ideeën China binnenkomen. Die veronderstelling is ontstellend naïef gebleken. Even onnozel zou de gedachte zijn geweest dat de Amerikanen zich het Chinese gedachtegoed eigen zouden maken vanwege de talloze consumptiegoederen die ze uit China importeren. Maar die gedachte kwam bij de Amerikanen niet op omdat ze er bij voorbaat van overtuigd waren dat de Chinezen veel van hen konden leren, en niet omgekeerd.
Soortgelijke misverstanden doen zich ook voor op andere terreinen van de relaties van het Westen met China. Zo dachten we dat de westerse cultuur, vooral muziek, film, beeldende kunst, mode en lifestyle, hun stempel zouden gaan drukken op de Chinese samenleving. Ongetwijfeld kom je in China tegenwoordig veel westerse cultuurproducten tegen, van piano’s tot Ikea-vestigingen, van Hollywood-blockbusters tot pizzeria’s, maar daarmee zijn de Chinezen nog niet verwesterd. Ook wij maken ons het leven aangenamer met de voortbrengselen van andere culturen zonder te assimileren. Europa wordt al sinds jaren getroffen door een Amerikaans cultureel bombardement, en toch is Europa niet echt veramerikaniseerd. Het culturele verschil tussen Europa en de VS is vele malen kleiner dan tussen het Westen en China. Zou China zich dan laten verwesteren?

DE WESTERSE NAÏVITEIT over China kent geen grenzen. Het Internationaal Olympisch Comité had voor de toewijzing van de Spelen van 2008 aan Peking een doorslaggevend argument bedacht: het megafestijn zou China dwingen de mensenrechten beter te respecteren. Quod non. Op de laatste Frankfurter Buchmesse was China eregast. De organisatoren nodigden ook twee Chinese dissidente schrijvers uit, overtuigd dat een botsing der meningen haar heilzame uitwerking op China niet zou missen. Ze moesten daarvan terugkomen toen China dreigde de Buchmesse te boycotten als de uitnodigingen niet zouden worden ingetrokken. Zelfs aan de uiterst gewaagde vorm van de CCTV-toren, het nieuwe hoofdkantoor van de Chinese staatstelevisie in Peking, kende ontwerper Rem Koolhaas een democratiseringsmissie toe: de architectonische transparantie zou preluderen op de politieke transparantie die China weldra zou kennen. Een mooie metafoor, die de communistische partij heeft gelaten voor wat ze was.
Ook dachten we dat de Chinezen die het Westen bezoeken, vooral de ruim een miljoen studenten die er de laatste dertig jaar hebben gestudeerd, na hun terugkeer in het vaderland de westerse waarden zouden gaan uitdragen. Onzin: wij dragen na een bezoek aan China ook niet de Chinese waarden uit, en Chinese studenten in het Westen hebben, net als westerse studenten in China, niet de gewoonte te integreren, integendeel. Vaak worden ze in het buitenland Chineser dan ze in China zelf waren.

HET ZWAARSTE democratiseringsgeschut dat het Westen in China meende te hebben inzet, was het internet. Internet, dat was immers de onbeperkte uitwisseling van informatie en ideeën! We wisten bijna zeker dat de Chinese censuur daartegen niet bestand zou zijn. Inmiddels zijn er nergens ter wereld zo veel mensen online als in China: 384 miljoen. Dankzij internet zijn vele schandalen in de openbaarheid gekomen die anders toegedekt zouden zijn gebleven. Maar het is ook een platform geworden van verhit nationalisme. En met de Great Firewall heeft de Chinese censuur ook het internet uitstekend onder controle gekregen.
Enkele jaren terug accepteerde Google de censuur als voorwaarde om zich in China te mogen vestigen. Daarmee offerde het zijn democratische principes op aan de verwachte winst, met de rechtvaardiging dat zijn aanwezigheid in China zou bijdragen aan meer openheid. Nadat Chinese hackers - hun relatie met de overheid is onduidelijk maar zeker aanwezig - vorige maand de Gmail-adressen van een paar mensenrechtenactivisten hadden gestolen, erkende Google dat de verwachtingen niet waren uitgekomen. Het bedrijf kondigde aan China te zullen verlaten als zijn zoekmachine niet ongecensureerd mocht functioneren. Het dure dreigement is nog steeds niet uitgevoerd.
De Google-kwestie is intussen geëscaleerd tot een politieke aanvaring tussen de VS en China en tot een botsing tussen politieke culturen. De communistische partij staat geen vrij debat toe, internet of geen internet. Dat is inherent aan het Chinese politieke systeem, dat ook vóór de communistische era nooit democratie kende. Democratie wordt geassocieerd met chaos. Op z'n best was China onder sommige keizers een verlichte dictatuur. Het was en is een verticaal gestructureerde samenleving, waarin controle op de burgers het uitbreken van chaos moet voorkomen ter verwezenlijking van Confucius’ ideaal van een harmonieuze samenleving. Geleidelijk heeft de partij de controle over bijzaken opgegeven en zich toegelegd op de hoofdzaak: het onderdrukken van alle initiatieven die de nationale eenheid, de sociale stabiliteit en het gezag en het machtsmonopolie van de partij (zouden kunnen) aantasten. Vandaar het harde optreden tegen rebellerende Tibetanen en Oejgoeren en de strenge controle op vitale sectoren als economie, media, rechtspraak en ngo’s. En vandaar ook de herontdekking van Confucius, profeet van de sociale harmonie.
Westerlingen denken vaak dat de Chinese burgers zuchten onder het partij-juk. Niets is minder waar. Chinezen zien vanouds hun hoogste leiders - vroeger de keizer, nu de negen man van het Vaste Comité van het Politbureau - als de belichaming van hun beschaving. Het zijn de hoeders van het algemeen welzijn, aan wie zij respect en gehoorzaamheid verschuldigd zijn. Alleen door langdurig wanbeleid kon de keizer zijn mandaat van de hemel verliezen. De communistische partij zegt te regeren krachtens het mandaat van het volk of van de geschiedenis, maar in de confucianistische relatie tussen leiders en volk is weinig veranderd.
Dankzij China’s economische revolutie en zijn razendsnelle terugkeer op de voorgrond van het wereldtoneel na anderhalve eeuw afwezigheid is zowel de nationale trots als de legitimiteit van de communistische partij sterk toegenomen. Degenen die die legitimiteit in twijfel trekken of de almacht van de partij tarten, worden daarom tot zware straffen veroordeeld, landverraders waardig. Ook het buitenlands beleid is verhard, zeker nu sinds het begin van de economische crisis de bordjes tussen China en het Westen zijn verhangen. Peking accepteert geen lesjes meer van Washington of Brussel. China zette de milieuconferentie in Kopenhagen naar zijn hand. Obama kwam in november met lege handen terug uit China. Zelfs een gebaar als de vrijlating van een bekende politieke gevangene kon er deze keer niet af.
Ook op andere fronten hebben de VS de laatste tijd China’s nieuwe assertiviteit ervaren. China moet niets hebben van sancties tegen Iran, het heeft fel geprotesteerd tegen de Amerikaanse wapenleveranties aan Taiwan, het heeft geëist dat Obama zijn ontmoeting met de dalai lama schrapt, het weigert zijn goedkope munt te revalueren, en dissidenten bestaan er in China niet, alleen maar misdadigers.
Sommige westerse commentatoren roepen dat China wel zal moeten bijsturen wil het een volwaardig lid van de internationale gemeenschap worden. Maar misschien is China al zo machtig geworden dat de rollen zijn omgekeerd: niet China zal zich moeten aanpassen aan de wereld, maar de wereld aan China. In ieder geval is de tijd van de westerse arrogantie en naïviteit om het achterlijke Rijk van het Midden de les te lezen en naar onze maat te meten voorbij. China wordt niet steeds westerser. China wordt steeds Chineser.