Ma Jian, De noedelmaker

Chinese groteske

Ma Jian

De noedelmaker

Uit het Chinees (2005) vertaald door Sander Hendriks

De Arbeiderspers, 247 blz., e 18,95

Van een nu 1,2 miljard zielen tellend volk zou je toch verwachten dat het een even gigantische literatuur heeft, en misschien heeft het die ook. Ik zie alleen dat de oogst aan vertalingen van een hele eeuw op een tomadorekje past. Wie kon zeggen dat het werk van de recente Nobelprijswinnaar Gao Xingjian representatief was; wat ik las vond ik weinig indrukwekkend. Hij noemt nu Ma Jian (1953) een van de belangrijkste Chinese schrijvers: in 1987 verbannen, in Hongkong woonachtig tot de hereniging, daarna naar Londen en inmiddels mag hij China weer in, al blijft zijn werk verboden. Het is serieuze satire, actueel ge noeg om herkend te worden. Als de Culturele Revolutie de nu al historische achtergrond vormt, dan bepaalt hier «de opendeurpolitiek» alles, oftewel de Chinese nabootsing van het kapitalisme: andermaal een paradijs voor opportunisten. Komisch is het verhaal over een onder nemer die met zijn moeder een particulier crematorium drijft en ten slotte zo verzot raakt op de dood dat hij de moeder meebakt. Minder leuk is een man die in het kader van de éénkindpolitiek een geestelijk gehandicapte dochter van de hand probeert te doen. Treurig is de steile carrière van de hoofdredacteur van een literair blad die dankzij zijn positie de literaire aspirantes voor het uitkiezen heeft. Hij wordt ingemaakt door de romanschrijfster die zijn vrouw wordt. Hij eindigt in de goot, zij zet op het laatst een lucratieve ijzerhandel op. De dunne draad is dat zij allen personages van een beroepsschrijver zijn, die hun lotgevallen wekelijks vertelt aan zijn vriend, de beroepsbloeddonor. De clou is dat hij de verhalen nooit echt zal durven schrijven, zo gewaagd zijn ze door hun «realisme». De titel begreep ik pas later: zoals de noedelmaker vormt de schrijver zijn eenvoudig materiaal, deze mensen, om tot voedzame spijzen. De schrijver en zijn gesprekspartner kennen elkaar van een verbeteringskamp voor stadskinderen. Als de literator in zijn maag zit met de opdracht van de Partij om een korte roman te schrijven over iemand die leeft naar het model van een revolutionaire held, biedt de donor zich als hoofdpersoon aan. Is hij niet de ware al truïst? Na een paar jaar sloten van zijn bloed te hebben gespendeerd, drijft hij met groot succes een agentschap voor donoren (vervangers voor hoger personeel van bedrijven). Compositorisch is dit alles wat onhandig in elkaar gestoken, maar de groteske opzet heeft de Partij er niet van weerhouden de verhalen op hun waarde en waarheid te schatten.