Chirac trekt lessen uit het rampjaar 1938

Volgens Jacques Chirac is het hoog tijd dat Europa zich de les herinnert van 1938, toen Chamberlain en Daladier hun fatale vrede met Hitler sloten. Na drie jaar werkeloos te hebben toegezien bij de Bosnische genocide, die volgens conservatieve schattingen heeft geresulteerd in meer dan honderdduizend doden en twee miljoen vluchtelingen, moeten de westere grootmachten hun gezamenlijk belang onderkennen: ‘We mogen niet langer medeplichtig blijven aan het ontoelaatbare. Als we dat willen, kunnen we gezamenlijk een halt toeroepen aan deze onderneming, die stelselmatig onze waarden vertrapt en een steeds grotere bedreiging vormt voor Europa als geheel.’

De daadkracht van de nieuwe Franse president is geen onverdeeld genoegen, getuige zijn besluit tot hervatting van de Franse ondergrondse kernproeven, of zijn primitieve opvattingen omtrent het Nederlandse drugsbeleid. Maar zijn stellingname inzake Bosnie is een verademing vergeleken bij de vadsige Betroffenheit van Helmut Kohl, het glibberige escapisme van Douglas Hurd, of de pseudo-humanitaire wartaal van zijn voorganger Mitterrand. Met name de aankondiging dat de Franse troepen er desnoods alleen op afgaan, heeft veel verwachtingen gewekt, maar Chirac heeft ook met zoveel woorden een Franse terugtrekking in het vooruitzicht gesteld als de bondgenoten zijn voorstel niet metterdaad ondersteunen. Al met al roept zijn plotselinge krijgshaftigheid tenminste drie vragen op: heeft hij gelijk, meent hij wat hij zegt, en is zijn voornemen uitvoerbaar?
Er valt wel iets voor te zeggen dat Europa de afgelopen drie jaar vervuld was van de appeasement-geest van Munchen, hoe groot de feitelijke verschillen met 1938 ook mogen zijn. Kenmerkend voor die geest was het aanvaarden van onrecht om erger te voorkomen, terwijl juist die aanvaarding erger uitlokte. De mengeling van angst, berekening en nauwverholen eerbied voor Hitler, een mengeling die de Europese mogendheden destijds afhield van een gezamenlijk optreden tegen Duitsland, is - hoe kan het anders - het best onder woorden gebracht door een Duitse historicus. In Leben mit dem Feind: Anpassung und Widerstand in Hitlers Europa 1939-1945 schreef Werner Rings: ‘De onweerstaanbare drang om zich zo goed mogelijk in iedere ontgoocheling te schikken, mits deze maar voorspiegelde de ellende van een nutteloze oorlog af te wenden of te verkorten, beheerste denken en voelen van de meeste Europeanen nog lang na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hitler vestigde zijn heerschappij over een werelddeel dat zelfs in oorlogstijd nog steeds de vrede zocht.’
Ook in Bosnie zoekt de internationale diplomatie in oorlogstijd de vrede, maar daarmee is de vergelijking uitgeput. Want Europa noch de Verenigde Staten ervaren de Servische agressie als een wezenlijke bedreiging. De Republica Srpska is nu eenmaal geen Duitsland. Alle slachtoffers in voormalig Joegoslavie ten spijt is het gevaar dat van de Serviers uitgaat, zelfs met inachtneming van de duivelse krijgskunst van een Karadz>pa108<ic of Mladic, bij lange na niet te vergelijken met het Duitse gevaar in 1938.
Ook in de toekomst zal de eensgezindheid onder de betrokken regeringen daarom ver te zoeken zijn. Terwijl Rusland volhardt in zijn voornemen om elke grootscheepse interventie te blokkeren met een Slavisch broederveto in de Veiligheidsraad, geeft Groot-Brittannie nog steeds de voorkeur aan een 'diplomatieke oplossing’, wil Duitsland alle soorten van bijstand verlenen behalve nou juist militaire ondersteuning, en willen de Verenigde Staten nog altijd geen grondtroepen toezeggen voordat alle partijen in Bosnie een vredesverdrag hebben ondertekend. Een drastische versterking van Unprofor behoort dus niet tot de mogelijkheden en een verruiming van het VN-mandaat - laat staan een opheffing van het wapenembargo tegen Bosnie - is voorlopig uitgesloten. Al wat mogelijk is, is een verdediging van de resterende enclaves met alle middelen, 'inclusief geweld’, zoals het heet in resolutie 836 van de Veiligheidsraad. Dat die verdediging er moet komen, behoeft geen betoog.
Meent Chirac wat hij zegt? Dat hij zojuist in een historische toespraak de medeverantwoordelijkheid van het Vichy-regime voor de deportatie van de Franse joden heeft erkend, spreekt in zijn voordeel: deze president neemt de geschiedenis serieus. Maar de beste garantie is misschien wel gelegen in het feit dat de Franse volkswoede over het optreden van de Bosnische Serviers het kookpunt heeft bereikt.
Er zijn inmiddels tientallen Franse soldaten in Bosnie gesneuveld, en toen de Serviers twee maanden geleden Unprofor-soldaten gijzelden en als menselijk schild gebruikten, was voor de Franse publieke opinie de maat vol. Terwijl Parijs het initiatief nam tot de snelle interventiemacht en Franse blauwhelmen in Sarajevo met ware doodsverachting een brug heroverden op de Serviers, ging het vertrek van het vliegdekschip Foch gepaard met een waar volksfeest. 'Sla erop!’ stond op de spandoeken te lezen.
Zo eenvoudig ligt het natuurlijk niet, al leek zelfs Chirac met zijn oproep om Srebrenica te heroveren weer te vervallen in de gierende incompetentie die eerdere interventies noodlottig werd. Maar inmiddels hebben de Fransen een ander plan ingediend, dat gericht is op ontzetting van Gorazde en Sarajevo door de Snelle Interventiemacht in samenwerking met de Amerikaanse en Franse luchtmacht. Daarmee bevindt het Franse plan zich als het ware op het raakpunt van drie lijnen: de lijn die aangeeft wat militair mogelijk is, de lijn die aangeeft wat volkenrechtelijk is toegestaan, en de lijn die aangeeft waartoe Unprofor moreel verplicht is.
Als de Contactgroep deze vrijdag het Franse plan verwerpt, is er maar een troost: dat de Amerikanen klaarstaan om de Bosnische regering in weerwil van alle embargo’s en VN-resoluties op grote schaal te bewapenen.