Idfa: ‘Los Reyes’

Chola en Football

Football (l) en Chola in Los Reyes, regie Bettina Perut en Iván Osnovikoff © Idfa

Er bestaat een hardnekkig gerucht dat als je iets tienduizend uur doet, je er onmiskenbaar een expert in wordt. Doordat The Beatles tienduizend uur optraden in Hamburg waren ze uniek en zelfverzekerd toen ze eenmaal in Liverpool liedjes gingen schrijven. Zo wordt de regel tenminste graag uitgelegd.

Het is nooit duidelijk of die regel nu moet aantrekken of afstoten, want tienduizend uur met je beste vrienden liedjes schrijven klinkt toch leuker dan tienduizend uur skateboardtrucjes leren. Het kletteren van het houten board op het beton, elke keer dat harde geluid, de moeite om het board weer op te pakken, en dan weer een trucje proberen dat nog geen tien seconden duurt. Er zijn weinig plekken die zoveel nutteloze verveling uitstralen als een skatepark.

En toch, moet het regisseursduo Bettina Perut en Iván Osnovikoff gedacht hebben. En toch verzamelt zich daar een club jongeren die zich nergens anders laat verzamelen. Het nutteloze trekt hen aan. Hun film Los Reyes begint met een lang statisch shot van een skatepark. Achter het skatepark ligt een drukke snelweg, achter de snelweg de stad, achter de stad een bergketen. In omgekeerde volgorde: het land, de maatschappij, de verbinding, en dan het skatepark, een eiland weg van alles.

De stad is Santiago, met zeven miljoen inwoners de hoofdstad van Chili, en hoewel het skatepark Los Reyes heet, ‘de koningen’, zijn de echte vorsten van het park twee vrolijke zwerfhonden, Chola en Football. Zwerfhonden zijn het eigenlijk niet, want de gemeente bouwt twee mooie hondenhokken voor ze. Mensen in oranje hesjes sproeien het park, de honden blaffen boos naar een voorbij rijdend wagentje van de vuilnismannen.

Chola en Football worden door Perut en Osnovikoff gebruikt als kwispelende getuigen van de verveling en de doelloosheid van de skaters. De kijker hoort de jongens praten, over meisjes, over drugs, maar ziet de honden. Soms lachen de jongens, soms gaan ze op de vuist. De honden staan er in het laatste geval blaffend bij. Een jongen vertelt dat hij uit huis is gezet door zijn oma. Waarom? vraagt een vriend. Omdat hij zijn broer in zijn gezicht had gespuugd. En toen stuurde ze je weg? Nee, ze noemde me een ‘fucking hond’ en toen ben ik weggegaan. ‘Wat? Waar heeft je oma zulke taal geleerd?!’ Het wordt weggelachen.

Mede door de dromerige cinematografie, met extreme close-ups en lange-afstandsshots, ontstaat er een vreemd soort verbond tussen de honden en de skaters. Hun verhalen over verveling worden geïllustreerd door de rondhangende honden. En tegelijk, als de film vordert, ontstaat er een paradox. De honden lijken vrolijk, content in hun nietsdoen – en zijn dat ook. De jongeren doen stoer over hun gebrek aan betekenis, aan ambitie, maar zijn dat niet. Je ziet hun gezichten niet, hoort alleen hun stemmen, maar wanneer Perut en Osnovikoff uitzoomen zie je weer het parkje waarin ze zich bevinden, afgesneden van de rest van de stad, omringd door liefdeloze flatgebouwen.


Bettina Perut en Iván Osnovikoff, Los Reyes