Jürgen Gosch’ Macbeth op het Holland Festival

Choreograaf van de chaos

De toneelregisseur Jürgen Gosch is in Nederland geen onbekende. Hij regisseerde in de afgelopen twintig jaar bij Toneelgroep Amsterdam en het Nationale Toneel. Met zijn 62 jaar werd hij in Die Welt am Sonntag dit voorjaar «der jüngste und radikalste Regisseur» genoemd. Nu is zijn enscenering van Shakespeares Macbeth uit Düsseldorf te gast in het Holland Festival.

Kort voor het einde van het pandemonium dat deze Macbeth van Jürgen Gosch en zijn zeven toneelspelende mannen is, valt alles stil. Het piemelnaakte ensemble verdwijnt naar de foyer. Voortijdig einde van de voorstelling? Nee. De mannen keren terug. Met boomtakken. Ze spelen een bos. Zacht wuiven takken en bladeren. Ze maken bosgeluiden. Vogels van uiteenlopende pluimage, krekels, kikkers. De heksen hebben net voorspeld dat tiran Macbeth niets te duchten heeft zolang het woud van Birnam niet wandelt naar zijn vesting Dunsinane. Dat gebeurt in het stuk uiteindelijk wél. Het tegen de vorst oprukkende leger voorziet zichzelf van boomtakkencamouflage.

Hoe zag dat wandelende woud er op de Elisabethaanse toneelplankieren uit? Daar schijnt een anoniem getuigenis over te bestaan, van een toeschouwer uit die tijd. Hij beschreef het: één toneelspeler wandelde met één takje op het voortoneel van The Globe, Shakespeares Londense thuistheater, van links naar rechts. Drieduizend toeschouwers hielden hun adem in. Daar beweegt het bos van Birnam richting Dunsinane! Macbeth is verloren! In de Londense kroegen was het the talk of the town. Heb je in Macbeth het bos al zien wandelen? Jürgen Gosch’ wuivende takken met vogelgeluidjes lijken een hommage aan dat getuigenis. Even rustig als ze kwamen, verdwijnen de mannen weer. Waarna het pandemonium Macbeth zijn gore en gewelddadige Werdegang herneemt.

Het Berlijnse Theatertreffen opende begin mei met deze voorstelling. Gosch’ Macbeth is van meet af aan niet onopgemerkt gebleven. De rellerige sfeer rondom de productie, de felle aanvallen, de slaande deuren in het auditorium, razende brieven op de opiniepagina’s van kranten – eigenlijk allemaal much ado about nothing. Is een overvloed van naakte toneelspelers, water, bloed en stront op het toneel opeens not done? Jürgen Gosch’ voorstelling is in het gebruik van rauwe middelen in ieder geval consequent. IJzingwekkend consequent.

In de toneelloopbaan van Jürgen Gosch (1943, Cottbus, voormalige ddr, opleiding tot acteur en regisseur in Berlin-Ost, begin jaren zestig) zijn veel, maar in ieder geval twee breuklijnen te benoemen. De eerste ligt in 1978. Hij regisseert dan bij de Oost-Berlijnse Volksbühne Büchners Leonce en Lena. De ddr-partijkrant Neues Deutschland concludeert dat «Herr Gosch iets te veel Samuel Beckett heeft gezaaid op de akkers van Georg Büchner». De enscenering wordt verboden. In de ddr krijgt Gosch geen werk meer. In de Bondsrepubliek regent het aanbiedingen. Via Hannover en Bremen komt hij terecht in Keulen en Hamburg, waar hij in de jaren tachtig spraakmakende voorstellingen maakt, onder meer van Sophokles’ Oidipous en Molières Mensenhater. In 1987 regisseert Gosch, op uitnodiging van intendant Jan van Vlijmen, Wagners Tristan und Isolde bij de Nederlandse Opera. De kale, strenge en overigens prachtige regie wordt in het Amsterdamse Muziektheater een operaschandaal. Té kaal en té streng bevonden en afgeserveerd (nooit meer in reprise te zien geweest).

In 1988 wordt Gosch benoemd tot intendant van de West-Berlijnse Schaubühne, opvolger van Peter Stein. Gosch’ openingsenscenering is dat jaar een tweede breuklijn in zijn zwerftocht door het Duitse theater. Het is, jawel, Macbeth. De voorstelling werd een ramp, traag gespeeld (vier uur!), mannen in rare soepjurken en met bizarre aanplakbaarden, Asterix en Obelix in de Schotse Hooglanden. Na zestien avonden werd de productie van het repertoire en Gosch uit de directiezetel verbannen. Een paar jaar later haalde Gerardjan Rijnders hem naar Toneelgroep Amsterdam, waar hij Hebbels Gyges en zijn ring regisseerde, Tsjechovs Ivanov, Euripides’ Bacchanten (waar we de vrolijke lunchpauzevoorstelling Blöd door de dames uit het toenmalige koor aan hebben overgehouden), en enkele jaren geleden bij het Nationale Toneel Molières Tartuffe. Gosch is sinds het midden van de jaren negentig vaste huisregisseur bij het Berlijnse Deutsches Theater en werkt sinds die tijd ook regelmatig in Düsseldorf, Hamburg en Hannover. Van het jaarlijkse theaterfestival in Berlijn, het Theatertreffen, is hij de afgelopen jaren niet meer weg te slaan: Sommergäste van Gorki uit Düsseldorf (2004), Wer hat angst vor Virginia Woolf (2005), nog altijd op het repertoire bij het Deutsches Theater in Berlijn. In dit jaar zelfs met twee ensceneringen: Macbeth uit Düsseldorf en Tsjechovs Drei Schwestern, gemaakt in Hannover (daarover elders in dit nummer).

In Macbeth klimt een Schotse generaal – op basis van vage teksten van drie heksen en erotisch geladen oprispingen van zijn Lady – met moord en doodslag naar de positie van koning van Schotland. Het tempo van de vertelling lijkt op dat van een man die aan hartritmestoornissen lijdt. De wreedheden voltrekken zich sneller dan de titelfiguur kan bevatten. Hij voert ze plichtmatig uit (of hij laat ze uitvoeren), hij sukkelt er zelf achteraan. Alsof alles hem overkomt. Er is ook iets schizofreens in de taal van dit stuk. Is Macbeth alleen, of samen met zijn Lady, dan wordt er hardop gedacht in overrompelend mooie toneelpoëzie. Is Macbeth in het gezelschap van zijn militaire kompanen, dan is de toon van de tekst stram, strak en vaak saai. Macbeth (1606) staat bekend als Shakespeares kortste tragedie. Shakespeare is niet goed als hij zichzelf een korte spanningsboog toestaat. Hij heeft tijd nodig. Begint hij tijd in te leveren, dan is het resultaat een amechtige haast. Regisseur Jürgen Gosch geeft de auteur in deze _Macbeth-_enscenering de tijd terug. De voorstelling duurt bijna drie uur, zonder pauze. Gosch is hier choreograaf van de chaos. Als de tekst rust voorschrijft, valt alles stil. Beklemmend stil.

Bijvoorbeeld: Macbeth heeft zijn koning gedood. Wíj weten dat, Macbeth weet het, zijn Lady weet het, de rest weet nog van niks. In de vroege ochtend na de moord komt een poortwachter op. Er wordt op de poort geramd. De zoons van de koning komen hun vader wekken. Ik denk dat de monoloog van de poortwachter een favoriete scène van Jürgen Gosch is. Bij hem is de man «total besoffen». Hij komt niet uit zijn woorden, hij probeert rechte lijnen te lopen maar zigzagt als een gek. Gosch rekt de scène op tot een fenomenaal clownsnummer. Ander voorbeeld. Op tweederde van het stuk wordt de familie uitgemoord van de voornaamste tegenstander van Macbeth, zijn uiteindelijke opvolger Macduff. De scène hoort tot de wreedste die Shakespeare ooit geschreven heeft. De slachtpartij wordt bij Gosch gespeeld als een stripverhaal met een hoop stront, bloed en andere lichaamsvochten. De moordenaars dragen poppenmaskertjes en hakken wild in het rond. Meteen daarna volgt de scène waarom het Gosch gaat. Macduff hoort hoe zijn familie is uitgemoord, een van de meest emotionele scènes die Shakespeare schreef. Opnieuw valt alles stil. Ernst Strötzner (Macduff) incasseert hier een groot verdriet. Gosch, Strötzner en het ensemble nemen hun tijd. Ze tonen de kern van de vertelling, modern en tijdloos. Niet door moderne of tijdloze tekens. Hier wordt pijn gedemonstreerd die via het bot tot in het merg raakt. Gosch heeft een vierhonderd jaar jonge tekst tot in dát merg begrepen.

Gosch’ Macbeth wordt uitgevoerd door zeven mannen. In Shakespeares dagen werden alle rollen door mannen gespeeld. Lady Macbeth is hier een kettingrokende ouwelijke snol, die voortdurend aan haar plissérok en in haar zwarte pruik pulkt. De zeven mannen tonen de schoonheid van het mannelijk naakt in diverse stadia van rijping en verval. In de beroemde scène waarin het voornaamste slachtoffer van Macbeth, zijn maat Banquo, als lijk het kroningsdiner komt verstoren, voegt de toneelspeler aan zijn bebloede lijf een volle zak meel toe, om het masker van zijn vólgende rol te creëren: dat van spook in Macbeth’ nachtmerries. Zo’n gebaar lijkt slaande waanzin, het is krankzinnig consequent.

Gosch’ toneelspelers tonen in deze enscenering moed. Vanaf de eerste toeschouwersrij – hun territorium – wordt er verkleed en gewassen en gespoeld. Vanaf die eerste rij rennen de toneelspelers onverschrokken het (bijna) volledig afgesloten speelvlak op. Het slotgevecht tussen Macbeth en Macduff is een minuten durende dans van twee toneelspelers, die elkaar met nepbloed besmeuren. Nauwelijks tekst. Muziek: een stille melodie ergens uit het begin van de zeventiende eeuw, uitgevoerd op een gitaar die even dienst doet als luit. Dan de bevrijdende donkerslag. De hel is voorbij. De toneelspelers buigen dankbaar. Ze zien er niet uit alsof ze een ramp hebben overleefd. Eerder alsof ze een vertelling die hen aan het hart gaat tot het bittere einde hebben mogen uitschreeuwen. Met een inzet van tweehonderd procent. Gosch: «Tijdens repetities ben ik niet meer uit op controleerbaarheid, overzichtelijkheid – zo was ik vroeger wel. Ik probeer nu álles uit. En ik eis van de acteurs onverzettelijkheid, wanorde, chaos. Ik maak repetities mee waar mijn toneelspelers druipend van het zweet uitkomen, groeien tot een magisch moment waarop ze zo uitgeput zijn dat hun lichaam tot tekst wordt.»

Zuiveringshal Westergasfabriek, 14 en15 juni, 20.30 uur. www.uitburo.nl