Chris de broer van mick jagger

Chris Jagger, Atcha. Sequel Records, 174 Mill Lane, London NW6 1TB.
Kerstbomen verkopen, daar is niks mis mee. Vindt Chris Jagger, broer van Mick. Terwijl de Stones weer over miljoenenpodia paraderen, brengt hij een cd uit die buiten het commerciele circuit tot stand kwam. Hoe is het om broer-van te zijn? Een gesprek over geldgebrek, geestelijke rijkdom en de Tataarse drumtraditie.
‘EINDELIJK IS CHRIS JAGGER zover dat hij uit de gigantische schaduw van zijn grote broer Mick kan stappen. Zijn cd zit vol gastmuzikanten - Mick zingt; David Gilmour tokkelt - maar het is very much zijn baby, de twintig jaar die we erop hebben moeten wachten meer dan waard.’

Zo uitte eind vorig jaar Tony Parsons, poprecensent van The Daily Telegraph, zijn bewondering voor de cd Atcha van de gelijknamige groep van Chris Jagger, Mick Jaggers vier jaar jongere en enige broer. De prominent gebrachte recensie zou normaal gesproken een echo hebben veroorzaakt, maar omdat het kleine label (Sequel) waarop Atcha is uitgebracht niet in de commerciele distributienetten is opgenomen, is de cd praktisch onopgemerkt gebleven. En terwijl Mick Jagger en de Stones wederom de wereld veroveren en per concert een recordomzet halen van gemiddeld meer dan vijf miljoen, is Chris gebonden aan het alternatieve circuit van jazz- en bluescafes met maximaal honderdvijftig man publiek. Hij en zijn band zijn hun eigen roadies, die na een optreden zelf de kabels oprollen en met apparatuur sjouwen.
De muziek van Chris Jagger is een mengeling van blues, folk, country-rock en cajun; zijn bandleden spelen niet alleen gitaar, basgitaar en drum, maar ook accordeon en viool. Chris’ gezicht is onmiskenbaar dat van een broer van Mick; op het podium, zeker van opzij gezien, heeft hij eenzelfde, soms tandenontblotende, krachtige mimiek. Wie met hem telefoneert, zou zweren the voice of the century zelf aan de lijn te hebben; maar de zangstem is duidelijk anders, en lijkt vreemd genoeg meer op de rauwe rasp van Keith Richards dan op het brutale, meeslepende geluid dat de vette lippen van de grootste mond uit de geschiedenis van de rock ‘n’ roll aanstekelijk sensueel weten over te brengen. Ook het arrogant-uitdagende, soms wulpse, nichterige gedrag is bij Chris afwezig, al verraadt zijn houding eenzelfde panterachtig atletisch vermogen.
Zijn huis in een rustige straat in Londen N10 is niet moeilijk te vinden. Het witte pand roept dank zij de rommel in de tuin en op de trap naar de voordeur-met-kapotte- bel herinneringen op aan de cultus van de jaren zestig. Chris, goedlachs, jongensachtiger dan Mick, stookt de open haard in de lichtblauwe voorkamer; zijn vrouw Kari- Ann, in volle pracht te bewonderen op de cover van de eerste elpee van Roxy Music, serveert vegetarische soep. Als ons gesprek is afgelopen, loopt hij mee naar het metrostation, onderwijl zijn hond uitlatend. Een van de woningen die we passeren wordt verbouwd; voor de deur staat een container vol sloopmateriaal. Voordat ik het weet staan we samen te graaien in het bouwpuin, op zoek naar iets bruikbaars.
A true child of the sixties, zo omschrijft de Engelse pers hem. Inderdaad. Acteur, taxichauffeur, mode-ontwerper, muzikant, muziekcriticus, kerstboomverkoper - Chris Jagger heeft van alles gedaan om langzaam maar zeker daar uit te komen waar hij nu is: een aan niks en niemand gebonden journalist/schrijver/componist.
DE FASCINATIE die Chris Jagger op jonge leeftijd tijdens een lange reis voor India opvatte, is de laatste jaren overgegaan in een liefde voor Tibet. De opbrengst van het nummer 'Lhasa Town’ op de cd Atcha (het hindi-woord voor 'goed’) is geheel en al bestemd voor Tibetaanse vluchtelingen. Jagger: 'De Tibetanen hadden mij gevraagd een compositie te maken over hun situatie, maar ik wist niet hoe ik het moest aanpakken. Een lied over een politieke zaak wordt snel een soort lofzang waarin de boodschap overheerst. Het zou voor de hand liggen om de Dalai Lama tot onderwerp van een lied te maken. Ik heb het bewust omgedraaid en geschreven: als je naar Lhasa gaat, zul je de Dalai Lama niet zien, die leeft in ballingschap, Lhasa ziet eruit als Chinatown…’
Wat fascineert jou aan de Dalai Lama?
'Zijn filosofie is een algemene beschouwing over hoe de wereld functioneert, hoe je er zelf in kunt functioneren, hoe je eigen acties en gedachten alles beinvloeden. Hij verlangt geen donaties of volgzaamheid, wat andere geestelijke bewegingen wel doen. Het boeddhisme vraagt nergens om. Alles wat ik voor Tibet doe, doe ik uit eigen beweging.
In hun isolement hebben de Tibetanen het boeddhisme ontwikkeld tot een pure vorm. Het zijn eenvoudige mensen, ondemocratisch, maar niet uit op vernietiging! Iedereen aanbidt de Dalai Lama. Normaalgesproken zou dat dictatuur zijn, maar daar is hier geen sprake van. Dat fascineert me.’
Beschouw je jezelf als boeddhist?
'In zekere zin. De basis voor mij is: als je accepteert dat alle leven lijden is, krijgt het leven je er niet onder.’
Wat betekent deze visie voor jouw muziek?
'Country, blues et cetera is voor mij een soort anti-dope tegen de machinecultuur. Ik geloof dat we het geluid van viool, fluit, drums en dergelijke nodig hebben. Vooral voor jonge mensen is dat vreemd genoeg nieuw. Een tijd terug, in een disco, begon Robin (McKidd) spontaan aan een solo op zijn viool. Het publiek reageerde razend enthousiast; zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Hun muzikaliteit is gedicteerd door de grote platenmaatschappijen die daar geen oor voor hebben.’
HOE HEEFT MICKS carriere jou beinvloed?
'Ik was de jongere broer, en zeker op jonge leeftijd wil je alles doen wat je oudere broer doet. Toch is het feit dat Mick de muziek in ging niet de enige reden dat ik er ook van hield. Op mijn achttiende, negentiende, was ik meer geinteresseerd in toneel en wilde ik acteur worden, maar de ideeen achter het toneel, het schrijven, gingen me steeds meer fascineren. Ook het schrijven van muziek. Net als Mick ben ik geen goeie acteur en geen goeie muzikant. We kunnen allebei redelijk goed spelen.’
Maar Mick werd een wereldsucces. Hoe heeft dat jou beinvloed?
'Daar raak je door beinvloed vanaf day one, niet? Toen Mick met zijn band begon was hij negentien; ik was veertien. We gingen iedereen zien: Georgie Fame, The Yardbirds, Graham Bond… Het beinvloedde heel mijn denken. Ik groeide sneller op, denk ik, vooral seksueel. In 1960 was de popmuziek suikerzoet. Als je dan Muddy Waters hoorde met dat scheurende I'am a man… dat is seksuele chemie. I'am gonna make love to you in five minutes time… Wow! Stel je voor dat je dat tegen een meisje zei!
Toen ik ouder werd, kwam ik dank zij de Stones in conctact met alles en iedereen. Met de Beatles, Jimmy Hendrix, maar ook met schrijvers, kunstenaars, politici. Ik kwam in het centrum van dat krankjorum uitdijende web waar een enorme potentie van uitging. Het was een vorm van verlichting, want je raakt zonder meer beinvloed door al die mensen, door wat ze zeggen, door hoe ze zich gedragen, hoe ze zich kleden. Ze hebben hun eigen - wat men in hindi noemt - dasha. Wanneer je in de buurt van John Lennon vertoefde, raakte je beinvloed door zijn dasha.’
Je was altijd welkom?
'Oh ja, vooral in Amerika. Zwarte musici zijn erg family minded. Als broer van Mick was ik familie. Dat betekende iets voor hen, veel meer dan wanneer je zegt: “ik ben een vriend of een kennis van die en die.” De problemen ontstaan pas wanneer je telkens welkom bent als broer van… Op een bepaald ogenblik ga je denken: so what!’
Heb je ooit voor de Stones gewerkt?
'Nee, nooit. Ik denk dat Mick het niet zou willen, en omdat hij het niet wilde, wilde ik het ook niet. We hebben er nooit over gesproken, zulke dingen voel je als broers onder elkaar aan.
Ik ben blij dat het mij is gelukt deze cd te maken en dat ik erkenning krijg voor iets anders dan mijn kinderen opvoeden. Ik zeg niet dat het een fantastische plaat is, maar ik ben er wel trots op dat hij buiten het commerciele circuit tot stand is gekomen. Want daar meten ze zich een fucking unbelievable oordeel aan over wat goed is en wat niet. Ik ken veel popmuzikanten die daar onderdoor aan zijn gegaan. Die gebruikt zijn, die een eenmalig bedrag kregen, en niet eens een fatsoenlijk contract. Er zijn in de platenwereld drie maatschappijen die alles beheersen en alles en iedereen gebruiken. Als ze de kans krijgen, maken ze je tot slaaf. Ze hebben de macht om de prijzen vast te stellen en ze denken te weten wat het publiek wil. Er werken hoofdzakelijk mensen die veel geld verdienen met niets doen en die geen verstand hebben van muziek. Verslaafd aan de grote schaal hebben ze liever negen mislukkingen en een succes dan tien kleine successen. Ervaren muzikanten krijgen geen kans.’
Tenzij je zo goed bent als de Stones?
'Vergis je niet. Als de Stones tien jaar geleden uit elkaar waren gegaan, hadden ze niets gehad. Zij zijn net zo goed uitgebuit. Allen Klein is nog steeds eigenaar van alle Stonesnummers tot en met Sticky Fingers. Tijdens hun laatste tournee zijn The Stones pas echt gaan verdienen, meer dan in de tien jaar daarvoor. En het meeste geld kwam binnen dank zij merchandising. De kosten voor zo'n tournee zijn gigantisch, vooral in Europa, met al die bureaucratische rompslomp, de dure hotels, het transport en dergelijke.’
HOE IS JOUW relatie met Mick?
'Hij doet wat hij doet, en ik wat ik doe. We zijn een paar keer samen op vakantie gegaan, met onze gezinnen. Voor de rest hebben we niet zo veel contact. Hij staat al zo verschrikkelijk onder druk van allerlei mensen die van alles van hem willen. Ik wil die druk niet verhogen. Ik heb me altijd op de achtergrond gehouden. Wanneer je rijk bent zoals Mick, kun je een en ander goed maken met dure cadeaus, maar na een tijdje betekent dat niks meer. Je wilt zorgzaamheid.
Een tijd geleden heb ik hem geinterviewd en hij mij. Vroeger wilden we allebei journalist worden. Het was een leuke ervaring: drie kwartier ongestoorde conversatie waarin je mag vragen wat je wilt. Ik had vragen die niemand stelt, over zijn manier van gitaarspelen. Hij interviewde mij over Atcha. Het was niet echt goed, maar we hebben wel gelachen, werden een beetje stoned. Met het ouder worden amuseer je je beter met elkaar.’
In welk opzicht is hij veranderd?
'Vroeger ging hij veel om met die rijke plakkerige mensen die denken dat ze net zo belangrijk zijn als hij door in zijn buurt te verkeren. Tegenwoordig kapt hij ze uit zijn leven: Who the hell is that?’
Wat betekent die rijkdom voor hem?
'Ik geloof werkelijk dat hij vooral geniet van wat hij doet en dat hij het geld beschouwt als iets dat mooi meegenomen is. Hij bezit verschillende auto’s, maar rijdt bijna altijd in een kleine Renault. En voor de rest: mooie meubels, schilderijen, dure restaurants en mooie kleren. That’s it!’
Wat betekent zijn rijkdom voor jou?
'Als je onder de rijken verkeert, moet je ofwel de verschillen accepteren, ofwel heel links worden. Je hoort er niet echt bij. Zij denken dat iedereen rijk is en roepen: “He, ga je volgende week mee naar Marokko?” “Uh, nee, dank je, ik hoop een weekje met mijn kinderen op het platteland te kunnen doorbrengen.”
Soms is het ook amusant, kun je ze een beetje down to earth brengen. Ik weet nog dat ik samen met Mick en Jerry op een party was bij prinses Margaret. Het gesprek ging over de Cariben. Ik zei dat ik daar nog nooit was geweest. De conversatie stopte abrupt, niemand wist nog wat te zeggen. Zij kennen niemand die arm is.’
Stel dat je had verteld dat je kerstbomen ging verkopen?
'Oh, dat hadden ze waarschijnlijk machtig interessant gevonden. Oh really? Dat zou mij tot het centrum van hun aandacht hebben gemaakt, want dat is het laatste wat ze zouden doen. Iemand als John Lennon zou het onmiddellijk snappen. “Oh ja? Leuk! Heb ik ook ooit gedaan.” ’
Eerlijk gezegd vind ik het ook vreemd dat de broer van Mick Jagger kerstbomen moet verkopen. Heeft hij je nooit geholpen?
'Ach, zelfs wanneer dat gebeurde… je hebt altijd meer nodig. Maar hij heeft inderdaad nooit tegen mij gezegd: “Hier heb je een miljoen, ga lekker op de Bahama’s wonen.” Mick heeft mij wel geholpen met de aanschaf van dit huis, maar daar wil ik niet al te gedetailleerd op in gaan.
Rijke mensen die met niets zijn begonnen, verlangen gewoon van anderen dat die het ook zo doen. Ze willen niemand verwennen. Ik zit daar niet mee. Ik vind zelf dat ik voor mijn eigen gezin moet kunnen zorgen. Bovendien: kerstbomen verkopen, daar is niks mis mee. Als kunstenaar is het juist goed om contact te hebben met het dagelijks leven. Wat anderen erover denken zal me worst wezen. Rijkdom is relatief. In vergelijking met een clochard ben ik rijk.
Ik heb ooit het plan gehad een autobiografie te schrijven, maar niemand was geinteresseerd. Tenminste, niet in wat ik wilde. Simon & Schuster wilde wel een boek van mij over Mick, maar dat wilde ik niet. Ik ben vaak genoeg benaderd door mensen die mij over Mick wilden interviewen, voor een boek of een film. No way!’
Voor wie schrijf je tegenwoordig?
'Voor een nieuw blad, Scally Wag, erg links, erg opruiend. Ze hebben mij verzocht regelmatig bijdragen te leveren. Ik mag schrijven wat ik wil, en dat is erg aangenaam. In het verleden, als muziekcriticus, wilde ik in mijn stukken ook kunst inbrengen, of geschiedenis, of eigen belevenissen. Maar muziekbladen willen dat niet.
Er is een schrijver, inmiddels overleden, die ik echt mag, Patrick Campbell. Hij is beroemd van That Was the Week that Was. Hij was kaal, hij stotterde vreselijk, en hij schreef fantastisch. In een van zijn columns verhaalde hij hoe hij bezig was met een filmdialoog toen hij afgeleid werd door een merel die buiten een worm uit de grond stond te trekken. Hij begon zich af te vragen of die ene worm voldoende was voor die morgen. Toen hoorde hij de wind door de bomen waaien en zo werd het een verhaal over een wc-bril die iemand ooit in de tuin had gegooid en die inmiddels met een boom mee de hoogte in was gegroeid. Campbell kon aan het kreunen van de bril horen wanneer het windkracht vier was, de juiste windkracht om een vlieger op te laten. Hij ging naar boven om vanuit het raam van de kinderkamer te vliegeren, en eindigde zijn column met de opmerking dat de acteur nog maar even moest wachten op zijn tekst. Zo wil ik ook schrijven.’
Waarover?
'Mijn eerste stuk voor Scally Wag ging over de vraag waarom westerse musici nauwelijks een drumtraditie hebben. Bijna alle culturen, de Japanse, de Afrikaanse, de Zuidamerikaanse et cetera, kennen een rijke drumtraditie. Wij niet. Buiten de militaire traditie is er niets. Waarom? De reden moet bij de katholieke kerk liggen, die wilde haar eigen muziek, ze beschouwde drummen als een uiting van de duivel. Terwijl ik daar mee bezig was, las ik een boek over de Tataren die ooit Europa wilden binnenvallen. Als dat was gelukt, hadden we nu misschien wel een mooie drumtraditie gehad.’
Wat is nu jouw ambitie?
'Voorlopig wil ik mijn muzikale visie nog een stukje verder duwen. Er is een publiek voor. Engeland is zo lang in de greep geweest van de Tories, dat er bijna een jaren- zestigachtige oppositie groeit. Je hoort steeds meer kritiek op de uitbreidingen van het wegennet, op de ontbossingen, op overbodige vernieuwingen en op het wegwerpen van bruikbare dingen. Oude en nieuwe ideeen in dit soort maatschappijkritiek interesseren mij, die wil ik onderzoeken, ook in mijn muziek.’