Christenhaat

Theodor Holman is dus vrijgesproken, al deed de rechter geen inhoudelijke uitspraak. Slechts een christen toonde zich bijtijds beledigd; de anderen waren te laat en dus was er geen groep gekwetst.

Zo lust ik er nog wel een paar. Holman zei tegen AT5 dat hij niet kon beloven het nooit meer te doen: het was sterker dan hijzelf. Hoewel hij lachte, denk ik dat hij het meent. Zelfs het kruisteken dat hij prompt sloeg - een tamelijk bewust gekozen ‘grap’ die niet zozeer het gevoel gaf dat 'de duivel in hem was gevaren’ als wel dat hij zelf die duivel wilde zijn - doet daar niks aan af. Zijn wekelijkse afsplitsing in De Groene volg ik met weerzin en bewondering: hier wenst iemand eerlijk te zijn en eerlijkheid en schoonheid van ziel gaan zelden samen. Zelf niet vies van een autobiografische of anderszins persoonlijke noot doet Opheffer me beseffen hoe fraai ik me daarbij aan de lezer voordoe. Overigens is dat ook 'sterker dan ikzelf’, maar de kracht die hem dwingt, produceert dus heel wat controversieler materiaal. Waarmee ik niet zeg dat ik al zijn geheime gedachten deel, noch dat ik (die) eerlijkheid altijd nodig vind. Maar soms is ze raak en genadeloos waar en voor die keren neem ik het troebele voor lief. (Als een kremlinoloog of andere schriftgeleerde concludeert dat ik me hiermee op cryptische wijze achter de vreselijke Van Gogh schaar, heeft die het mis.)
Maar nu Holmans misdadige christenhonden. Al ben ik dan 'mede-humanist’, natuurlijk zou ik het nooit zo verwoorden. Maar ik dacht erdoor terug aan de weerzin van mijn vader tegen alles wat kerks was. Dat stond immers louter voor 'schijnheilig’ en voor (sociaal) onrecht. Mag die houding te generaliserend zijn en mag het christendom ook rechtvaardige interpretaties hebben voortgebracht, ik weiger het cultuurrelativisme door te voeren tot het punt waarop ons sociaal-democratisch humanisme gelijkwaardig wordt genoemd aan de christelijke hoofdstromen uit mijn jeugd met hun complex van opvattingen over gezag, gezin, vrouw, sociale rechten, moraal, seks en ga zo maar door.
In Alle asocialen uitstappen, aflevering van de NPS-reeks Na de oorlog, figureerden twee bejaarde Vincentianen, Roomse liefdadigers die arme gezinnen kruideniersbonnen brachten, tegelijk fatsoen en kerkgang controlerend. De man kreeg het danig voor de kiezen toen hij, op bezoek bij de inmiddels lang volwassen kinderen uit een vroeger bedeeld gezin, te horen kreeg hoe vernederend hun moeder dat alles had gevonden en hoe de zenuwen door het huis joegen bij hun huisbezoek. Hij had immers juist de vriendschappelijke verhouding geschetst. In een moment van eerlijkheid zei hij dat het 'achteraf’ niet alleen om 'naastenliefde’ maar ook om 'zelfheiliging’ ging. Een term die zijn vrouwelijke collega neutraliseerde met de definitie: 'Je doet het uiteindelijk met een hogere bedoeling; het is per slot een godsdienstige vereniging.’ Ach, betutteling, daar konden socialisten ook wat van. En natuurlijk moet ik die Vincentianen 'in de tijd zien’. Maar opeens zag ik die perkamenten gezichten door de ogen van mijn vader en ik voelde haat. De haat van Theodor Holman.