Het is moeilijk te bevatten dat Christian Boltanski, de Franse kunstenaar, niet meer in leven is. Natuurlijk, voor elke kunstenaar betekent het einde van een leven ook een voltooiing van een oeuvre, maar voor Boltanski was het een moment waar hij een leven lang bewust naartoe had gewerkt.

In zijn werk, veelal installaties met gevonden foto’s, gloeilampen en kaarslicht, benaderde hij de dood van alle kanten. In 1969 al maakte hij een precieze reconstructie van een fataal fietsongeluk dat hem mogelijk te wachten zou staan. En in 2010 sloot hij met de Tasmaanse kunstverzamelaar David Walsh een heuse weddenschap op zijn leven af. Voor een maandelijks geldbedrag mocht Walsh camera’s installeren in Boltanski’s studio en het leven van de kunstenaar ongecensureerd filmen én rechtstreeks afspelen in zijn kunstmuseum in Tasmanië. Op het moment van zijn overlijden zou het materiaal als een kunstwerk in zijn handen vallen. Walsh was ervan overtuigd dat Boltanski binnen vijf jaar zou sterven en dan zou dat een koopje zijn. Maar Boltanski hield stand en de prijs liep op.

Dat klinkt morbide en Boltanski was niet vies van zwartgallige humor, maar voor hem was de dood vooral een spiegel van het leven. Hij zocht naar de ondoorgrondelijke betekenis van een mensenleven en had een fascinatie voor de willekeur: waarom treft het lot de een, en spaart het de ander? Waarom is de een goed en de ander slecht en hoe kunnen goed en slecht naast elkaar bestaan in een enkel persoon? Het leven zag Boltanski als een loterij en timing was essentieel. Voor het Franse paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2011 maakte hij een buizeninstallatie met een lopende band waarop foto’s van Poolse baby’s voorbij raasden, als op een drukpers. Af en toe klonk een bel en kwam de band tot stilstand. Eén foto werd uitgelicht: de uitverkorene. Of dat goed of slecht nieuws was, dat stond er niet bij.

Op de laatste dag van 2011 bezocht ik de kunstenaar voor een interview in zijn atelier in Malakoff, ten zuiden van Parijs. Boltanski wees me op de camera’s aan het plafond – was ik me ervan bewust dat ik live werd gestreamd in Tasmanië? We spraken over de oorlog. Geboren in 1944 in Parijs in een joodse familie, waarover neef Christophe Boltanski de roman De schuilplaats (2015) schreef, was de oorlog voor Boltanski een centraal trauma. Hij vertelde een anekdote over zijn ouders die een kat hadden, wat voor joden bij de Franse wet verboden was. Op een dag piste de kat bij de buren, met wie ze goed bevriend waren. ‘Deze vriendelijke buren zeiden toen: als jullie je kat niet vermoorden, zorgen we dat jullie worden opgepakt. Dus doodden mijn ouders de kat. Wanneer je macht hebt, gebruik je die.’

‘Mensen zijn heel fragiel: na drie generaties is iedereen iedereen vergeten’

Hij toonde me een fotoalbum dat hij vond op een rommelmarkt met familiekiekjes van een nazi-gezin in oorlogstijd. Daar stonden ze, man, vrouw en kind samen onder de kerstboom, de man met een hakenkruis op zijn borst. Was hij naast een nazi óók een lieve vader, vroeg Boltanski zich af?

Als kunstenaar was Boltanski niet onder een noemer te scharen. Hij maakte kunst vanaf het moment dat hij school verliet, op twaalfjarige leeftijd, en bleef werken als autodidact. Na een aantal exposities in Frankrijk betekende Documenta 5 in 1972 zijn internationale doorbraak. Hij was geen typische Franse conceptuele kunstenaar, daarvoor was zijn kunst te menselijk. Kaarslicht en lampjes schenen op oude portretfoto’s of wierpen schaduwen van gestalten op een muur.

In 2008 begon Boltanski een archief waarin bezoekers hun hartslag konden opnemen en opslaan voor de eeuwigheid, Les archives du coeur, ondergebracht in een kunstcentrum op het afgelegen Japanse eiland Teshima. In 2010 vulde hij het Grand Palais in Parijs met een berg kledingstukken. Een kraan nam er steeds een hap uit, tilde de kleren hoog de lucht in en liet ze dan weer los. Personnes heette het, wat zowel ‘mensen’ als ‘niemand’ kan betekenen. Bij zijn installatie in 2017 in de Oude Kerk in Amsterdam, met kledingstukken en sfeerlicht, verscheen een boekje met de namen van de mensen die daar tussen 1396 en 1865 waren begraven. Ze stonden gerangschikt op achternaam en bezoekers kregen het boekje uitgereikt bij de ingang, een keurig register van levens die niemand vandaag echter nog iets zeggen.

Het was het eigenlijke materiaal van Boltanski’s oeuvre: dat wat er van een leven overblijft – een naam, een kledingstuk, een foto, soms een herinnering. ‘Mensen zijn heel fragiel: na drie generaties is iedereen iedereen vergeten’, zei hij daar in zijn atelier over. Hij scheen licht op vergeten levens en zijn werk schuurde soms tegen het sentimentele aan, maar de voedingsbodem was echt en dat zorgde vaker voor ontroering.

Wat me van zijn studio vooral is bijgebleven, is de plaat die op de grond lag met daarop in zwarte verf het geboorte- en sterfjaar van zijn moeder geschilderd, 1907-1989. Het leven, zei Boltanski, bevindt zich op de plek van dat kleine streepje. Christian Boltanski: 1944-2021.