24 oktober 1960 - 21 augustus 2010

Christoph Schlingensief

Hij was een rebel en een provocateur. Maar nu hij dood is, zien de Duitsers hem ineens als hun Verlosser. De multikunstenaar trof zijn landgenoten recht in hun ziel.

MISSCHIEN is dat wel het grootste probleem van de Duitsers. Ze kunnen niet van zichzelf houden. Langzaam beginnen ze een beetje van hun natie te houden. Die doet het immers goed in de wereld, qua economie, politiek, qua voetbal. Maar van zichzelf? Een stel tobbers zijn ze, die Duitsers. Wij zijn toch dat volk dat… al die oorlogen… het nationaal-socialisme… de holocaust… Wij mógen toch niet van onszelf houden?
Daarom houden ze nu zo van Christoph Schlingensief. De twijfelaar, de bangerik, de doodsvrezer, de cultivator van de angst voor zichzelf. Vanaf januari 2008, toen de dokters bij de niet-roker longkanker vaststelden, deelde het land in het lijden van de voordien zo omstreden kunstenaar. Nu hij dood is, celebreert men zijn laatste jaren als een nationale lijdensgeschiedenis, een germaans evangelie.
Christoph Maria Schlingensief had onmiskenbaar Jezus-kwaliteiten. Een lang, tanig lichaam, meestal iets van een baard, en een karakteristieke, in alle richtingen uitstaande haardos. En dan die blik. Zacht en dwingend tegelijk. Iedereen die met hem te maken kreeg, raakte in zijn ban, voelde zich naar hem toe gezogen, wilde tot zijn wereld behoren, zijn wereld van de angst.
De laatste 32 maanden van zijn leven was kankerpatiënt Schlingensief openbaar kunstbezit. Hij ensceneerde zich als de man die hartstochtelijk aan het leven hing en tegelijk door angsten werd bezeten: angst om te falen, angst voor zichzelf, voor de dood. Hoogtepunt was het requiem dat hij voor zichzelf opvoerde: Een kerk van de angst voor het vreemde in mij, dat vele heropvoeringen kende, ook in Amsterdam.
Voor dat requiem bouwde hij op de bühne het altaar van de Herz-Jesu-Kirche in Oberhausen na, waar hij als jongetje twaalf jaar lang misdienaar was. In recente interviews vertelde hij telkens weer over de angsten die hij uitstond toen hij voor het eerst een Latijnse mis moest dienen. Alles ging mis, de priester gaf hem op zijn donder, maar troostte hem met de woorden: ‘Wat je ook verkeerd doet, de paus blijft bij zijn geloof.’ Vanaf toen was Schlingensief een rusteloze godzoeker.
De God van de paus was niet zijn God. De enige God die hij zich kon voorstellen was een God die net zo'n angstige twijfelaar was als hijzelf. Bewijzen daarvoor zag hij in Diens Schepping. Dat was een wereld vol bange, falende mensen. Mensen zoals hijzelf, bij wie het falen zat ingeprogrammeerd. Zijn kunstenaarsloopbaan was een aaneenschakeling van vertwijfelde pogingen, herhaalde mislukkingen en vernietigende kritieken.
'Falen als kans’, zo luidde de slogan waarmee hij in 1998 met de partij Chance 2000 de verkiezingen in ging. Hij wond zich op over de arbeidspolitiek van bondskanselier Kohl, die werklozen voor een stel losers hield. Hij riep de twee miljoen werklozen op om allemaal tegelijk in de Wolfgangsee te duiken, zodat Kohls vakantieverblijf onder water zou lopen. Er kwamen er honderd opdagen. Schlingensiefs partij haalde 0,058 procent van de stemmen.
Steeds weer won zijn tomeloze scheppingsdrang het van zijn faalangst. Op zijn twaalfde begon hij te filmen. Maar de Münchense Filmacademie wees hem tot twee keer toe af. Hij zette door en maakte een reeks experimentele onzinfilms. Een typische Schlingensief-film was Egomania: Eiland zonder hoop (1986). Zijn toenmalige geliefde Tilda Swinton speelde de hoofdrol. 'Toen ze het resultaat zag, moest ze alleen maar huilen’, vertelde hij onlangs. 'Zo vol haat zat de film.’
Film bleef tot aan zijn dood zijn belangrijkste medium. Vaak vertelde hij hoe er in zijn hoofd onophoudelijk een film afliep. Een stroom van beelden waarop hij maar geen greep kreeg. Film bepaalde ook zijn werkwijze in het theater, de kunstvorm waarmee hij uiteindelijk de meeste roem vergaarde. Hij dicteerde de spelers de beelden die hij voor zijn geest had, en naar gelang de beelden veranderden, veranderde hij het stuk. Zijn onrust dreef de spelers tot waanzin.
Ze hebben het geweten, daar in Bayreuth, toen ze Schlingensief in 1994 uitnodigden om Richard Wagners Parsifal voor de deftige Festspiele te regisseren. Tot kort voor de première schopte de van faalangst sidderende Schlingensief ruzie met de festivalleiding. Uiteindelijk was zijn fulminante, multimediale spektakel een doorslaand succes, volgens sommige critici de eerste en de laatste keer dat er in het ingeslapen Bayreuth iets te beleven viel.
'Parsifal is Wagners afscheidsstuk, ik stelde me voor dat het ook mijn afscheidsstuk zou worden’, zei Schlingensief kort na de première. 'Ik dacht steeds, waarschijnlijk krijg ik na de Parsifal kanker of een beroerte of een auto-ongeluk. Maak er een landschap van al je beelden van, zei ik tegen mezelf.’ In de laatste interviews voor zijn dood kwam hij steeds weer op de Parsifal terug, op hoe hij worstelde met de thema’s liefde, angst, dood en verlossing.
Liever dan sterven en verlost worden wilde Schlingensief leven en falen. Alle nieuwe projecten die hij nog hoopte te voltooien - de bouw van een Afrikaans Bayreuth in Burkina Faso, de inrichting van het Duitse paviljoen op de komende Biënnale van Venetië - zaten vol risico om te mislukken. Zijn werk is één groot 'Zie de mens’-theater over zijn onzekere ego. Hij zette dat echter zo onbevangen en geloofwaardig neer dat hij zelfs bij de laatste sceptische criticus het laatste restje ergernis over zijn ongebreidelde egomanie wegnam.
'Ik heb geen zin in de hemel’, zei Christoph Schlingensief kort nadat bij hem kanker was geconstateerd. 'Ik heb geen zin om harpje te spelen en te zingen en rond te lummelen op een wolkje.’ Dat was bijna twee jaar geleden. Bijna twee weken zit hij nu daar op die wolk. Ondertussen rouwt Duitsland om de man die erin slaagde iedereen van hem te laten houden, maar op theatrale wijze faalde wanneer het erom ging van zichzelf te houden. 'Zie de Duitser.’