Christopher Stone, 2 oktober 1937 – 14 mei 2021

Christopher Stone was de jurist die als een van de eersten, begin jaren zeventig al, bepleitte dat de natuur rechten verdient. De roep dat de natuur ‘een stem’ moet krijgen klinkt nu steeds luider.

Over het leven van Christopher Stone valt eigenlijk weinig opzienbarends te melden, of het moet zijn dat hij de zoon was van de legendarische onderzoeksjournalist I.F. Stone. Christopher was de jongste van drie kinderen, groeide op in Washington, studeerde rechten aan de Yale Law School, trouwde, kreeg twee dochters, doceerde ruim vijftig jaar aan de University of Southern California en overleed afgelopen maand op 83-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Los Angeles. Zijn belangrijkste nalatenschap is een essay dat hij in 1972 op 34-jarige leeftijd publiceerde. De titel: Should Trees Have Standing?: Towards Legal Rights for Natural Objects.

De inhoud van dat artikel was wél opzienbarend: Stone opperde om bossen en oceanen juridische rechten te geven. Hij was erop voorbereid dat mensen het zouden afwimpelen als een wild plan van een ‘maffe professor’. ‘Elke keer dat er een beweging is om rechten toe te kennen aan een nieuwe “entiteit” klinkt dat voorstel geheid vreemd, angstaanjagend of belachelijk’, schreef hij. Zoals het nu onvoorstelbaar is dat we vrouwen en kinderen ooit als rechteloze objecten zagen en dat het ooit legaal was om zwarte mensen als slaven te verhandelen, wordt het misschien ooit onvoorstelbaar dat we straffeloos oerwoud platwalsen en plastic in de oceanen dumpen. Stone had de tijdgeest mee. In de jaren zeventig gingen miljoenen Amerikanen de straat op voor Earth Day en kochten Nederlanders massaal de pocketeditie van het Grenzen aan de groei-rapport van de Club van Rome. De vervuiling was zichtbaar: rivieren vlogen spontaan in brand en vogels leden onder het gebruik van giftige pesticiden. Er werden organisaties opgericht om de natuur te beschermen en strengere milieuregels opgesteld. Maar het idee dat een bos of een rivier zélf een rechtspersoon kon zijn was toch behoorlijk radicaal.

Volgens zijn vrouw was Stone ‘geen bomenknuffelaar’, hij had een achtergrond in bedrijfsrecht en toonde geen bovenmatige belangstelling voor het milieu. Totdat zijn aandacht werd getrokken door een zaak van de Sierra Club, die via de rechter probeerde te verhinderen dat Walt Disney een resort zou bouwen in een Californische vallei. Tevergeefs, want de rechtbank verklaarde de aanklacht van de natuurbeschermingsorganisatie niet ontvankelijk. De club ondervond namelijk zelf geen schade door de bouwplannen. Waarom, vroeg Stone zich af, kon de zaak eigenlijk niet worden gevoerd uit naam van de natuur? Het zijn mensen die bedacht hebben dat er zoiets bestaat als een besloten vennootschap of een natiestaat en als een bedrijf of een land een rechtspersoon kan zijn, waarom een vallei of een koraalrif dan niet? Het tegenargument dat een ecosysteem niet plaats kan nemen in de getuigenbank vond hij niet overtuigend, want datzelfde geldt voor multinationals of baby’s en toch kijkt niemand gek op als advocaten hun belangen behartigen. ‘We zijn zo gewend geraakt aan het idee dat een bedrijf “zijn” eigen rechten kan hebben (…) dat we zijn vergeten hoe schokkend dit idee was voor juristen in het verleden’, schreef Stone.

Stone had de tijdgeest mee: rivieren vlogen spontaan in brand

Kort voordat het nieuws van zijn dood bekend werd, viel zijn naam in de Volkskrant, in een interview met Philippe Sands, een Frans-Britse mensenrechtenjurist die zich inzet voor de strafbaarstelling van ecocide. Bij het Internationaal Strafhof in Den Haag lobbyt Sands namens de Stop Ecocide Foundation om de verwoesting van de aarde erkend te krijgen als vijfde misdaad tegen de vrede. Het artikel van Stone noemde hij een inspiratiebron en ‘het mooiste juridische essay dat ik ooit las’. Sands is ervan overtuigd dat ecocidewetgeving slechts een kwestie van tijd is, want het recht, zo leerde hij van Stone, bestaat niet in een vacuüm, maar is constant in dialoog met de samenleving en die samenleving maakt zich steeds meer zorgen over de ecologische crisis.

Wanneer bedrijven of overheden nu door milieuadvocaten voor het gerecht worden gedaagd, gebeurt dat doorgaans met het argument dat hun acties schadelijk zijn voor mensen. De rechtbank in Den Haag dwong Shell tot strenger klimaatbeleid, omdat anders mensenrechten van Nederlanders in gevaar dreigen te komen. De Filipijnse milieuadvocaat Antonio Oposa wist in de jaren negentig de ontbossing in zijn thuisland een halt toe te roepen door een beroep te doen op de rechten van ongeboren kinderen. Dat zulke vonnissen ook gunstig zijn voor niet-menselijk leven is juridisch gezien een bijzaak. Amelisweerd kan de Nederlandse staat niet voor het gerecht dagen om de verbreding van de A27 tegen te houden. Orang-oetans kunnen Unilever niet aanklagen vanwege het verdwijnen van hun leefomgeving. Zelfs als we praten over ‘natuurrecht’ gaat het over de rechten die de mens van nature zou hebben. Pas wanneer we loskomen van het juridische antropocentrisme kunnen we de ecologische destructie echt effectief bestrijden, geloofde Stone.

De roep dat de natuur ‘een stem’ moet krijgen klinkt steeds luider, of die nu komt van een filosoof als Bruno Latour met zijn voorstel voor een ‘Parlement van de dingen’, van boeken als Rechtsgelijkheid voor de natuur (Erik Kaptein) of De stem van de Noordzee (Laura Burgers, Eva Meijer en Evanne Nowak), of van inheemse volken voor wie het idee van een rivier als een levende entiteit helemaal niet zo vreemd is. De overheid van Nieuw-Zeeland nam dat argument over en kende Whanganui in 2017 als eerste rivier ter wereld een juridische status toe. Bangladesh, India en Colombia volgden dat voorbeeld. Wat ooit een radicaal idee leek van een ‘maffe professor’ is allang niet meer bespottelijk.