Christus’ rede

De naam Johann Paul Friedrich Richter roept in Nederland zelden blikken van herkenning op. Dat wordt nauwelijks beter wanneer daaraan zijn pseudoniem ‘Jean Paul’ wordt toegevoegd. Hoogstens zal er een wat gemeenzame verwijzing naar Sartre in worden vermoed. Dat zit er zo’n anderhalve eeuw naast. Want Jean Paul (die zijn naam verfranste ter ere van Rousseau) vergaarde zijn Duitse literaire roem rond 1800.
Sindsdien viel hem de twijfelachtige roem van de klassieker ten deel. In Nederland werd voor het laatst van hem gehoord toen De Bezige Bij in 1981 zijn ironische ‘idylle’ Het leven van Quintus Fixlein uit 1796 in vertaling uitbracht. Roemloos verzonk ze in het moeras van vergeten boeken. Was dat helemaal ten onrechte? Zelf herinner ik mij weinig opwinding bij het lezen ervan. Nog maar vaag staat me bij waar het boek überhaupt over ging.
Maar nu lees ik een korte passage uit Jean Pauls roman Siebenkäs, die onder een véél langere titel in datzelfde jaar 1796 verscheen. Ook die passage heeft een wijdlopige titel, Rede des toten
Christus vom Weltgebäude herab, dass kein Gott sei, maar ik zit meteen rechtop. Hoe achteloos daarop ook vaak het
atheïsme wordt teruggeprojecteerd dat vandaag de dag intellectueel bon ton
is, een uitgesproken godloochening vind je in de eeuw van de Verlichting maar zelden.
Dit is er een, en hoe! Christus zelf is het die Jean Paul de boodschap van de dode God laat verkondigen waarmee Nietzsche pas bijna een eeuw later het Europese gemoed in de gordijnen joeg. Vanuit de hoogte daalt hij neer op het altaar van een voor altijd verdwenen
godheid en spreekt de verzamelde zielen van de gestorvenen toe: ‘Ik ging de
werelden door, ik steeg op naar de zonnen en vloog met de melkwegen door de woestenijen van de hemel, maar er is geen God. Ik daalde af zo diep als het Zijn zijn schaduwen werpt, blikte in de afgrond en riep: “Vader, waar bent U?” Maar ik hoorde alleen de eeuwige storm waarover niemand heerst en de glanzende regenboog uit het westen stond er zonder zon.’
De beelden die Jean Paul gebruikt komen bijna onveranderd terug in
Nietzsches beroemde fragment 125
uit Die fröhliche Wissenschaft, over de ‘dwaze mens’ die op de markt met een lantaarntje God zoekt. ‘Star en sprakeloos Niets!’ zo laat Jean Paul de ontgoochelde Christus uitroepen. ‘Koude, eeuwige noodzaak! Waanzinnig toeval! Hoe eenzaam is iedereen in dit grote massagraf van het heelal!’ Nietzsche zei het op dezelfde manier: ‘Dolen we niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht?’
En ook Nietzsche is over de dood van God eerder verbijsterd dan opgetogen. ‘Het heiligste en machtigste wat de wereld tot dusver bezeten heeft is onder onze messen verbloed – wie wist dit bloed van ons af?’ roept hij als een moderne Lady Macbeth. De dood van God is een misdaad waaraan wij schuldig zijn, maar ‘hoe zullen wij ons troosten?’
Toch is er een belangrijk verschil tussen Nietzsche en Jean Paul. Want die laatste begint zijn Rede des toten Christus met een groot voorbehoud: ‘Wanneer ooit mijn hart zo ongelukkig en afgestorven zou zijn dat alle gevoelens die de godheid beamen daarin zouden zijn vernietigd, dan zou ik hem met het hierna volgende verhaal opporren. Dat zou me genezen en mij mijn gevoelens teruggeven.’
Het schrikbeeld van Jean Paul is dus geen realiteit, maar een fictie die het omgekeerde beoogt van wat ze zegt. De mogelijkheid van de dood van God wordt slechts opgeroepen om zich des te meer te kunnen verheugen in het tegendeel daarvan, waarin de werkelijkheid volgens Jean Paul weer tot zichzelf komt.
Zo is zijn wanhoopsperspectief ten slotte een enigszins perverse oefening
in vroomheid. Aan het eind van zijn stuk ontwaakt het gemoed uit zijn nachtmerrie: ‘Mijn ziel huilde van vreugde, dat ze God opnieuw aanbidden kon.’
Zo was het in die slotjaren van de achttiende eeuw voor Nietzsches
boodschap uiteindelijk toch nog te
vroeg, zoals ook die laatste zijn ‘dwaas’ op zijn beurt laat constateren dat zijn boodschap nog ontijdig is. ‘Dit ongelooflijke gebeuren is nog onderweg – het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen’, laat hij hem zeggen.
Het zou nog een eeuw duren voordat
de betekenis daarvan werkelijk zou doordringen, zo vermoedde hij. Daarin heeft hij gelijk gekregen, al was zelfs dat misschien maar een voorlopig gelijk. Voor een begrip van wat er bij Gods dood werkelijk op het spel staat, lijkt ook het welgemutste atheïsme van vandaag nog altijd te lichtzinnig.