Chroniqueur van het oude Italië

ETTY MULDER
REDE EN VERVOERING: HELENE NOLTHENIUS, 1920-2000
Vantilt, 320 blz., € 29,50

Toen hij in 1990 met emeritaat ging, gaf de Utrechtse historicus H.W. von der Dunk zijn afscheidscollege de titel ‘De muze herrezen’. Het was een lofzang op de terugkeer van de zogenoemde ‘verhalende’ geschiedschrijving, die een reactie was op de enkele decennia overheersende tendens onder historici om vooral ‘wetenschappelijk’ te werk te gaan, wat doorgaans resulteerde in volmaakt droogstoppelig proza dat bezweek onder vakjargon, verwijzingen naar allerlei ‘modellen’ en het liefst zoveel mogelijk tabellen en grafieken. Von der Dunk hield een pleidooi voor een meer literaire benadering van de geschiedenis, waarbij de historicus de ‘stof’ van het historische materiaal door het verfbad van zijn eigen ‘wezen’ haalde, waardoor hij in staat was ‘ruimte te scheppen’ rondom het feitelijke onderwerp.
Hoewel Von der Dunks eigen boeken zijn geschreven in een abominabel proza, waarbij de door hem aangewende ‘literaire middelen’ zich beperken tot moeizame grammaticale constructies en het overvloedig strooien met (niet zelden verkeerd gebruikte) onalledaagse woorden, had hij natuurlijk wel gelijk. Uiteraard wordt in dit verband vaak verwezen naar het werk van Johan Huizinga. In zijn briljante studie Orde en trouw (2006) heeft Willem Otterspeer overtuigend laten zien dat de beroemde historicus vooral ook een heel groot schrijver was, die juist door zijn literaire meesterschap in staat was het verleden op te roepen, bijna tastbaar te maken.
Dat niet alleen Huizinga over dergelijke evocerende vermogens beschikte, bleek uit het werk van de muziekhistorica Helene Nolthenius, die naast haar strikt vakwetenschappelijke werk ook tal van historische romans en enkele belangrijke cultuurhistorische studies op haar naam heeft staan. Nadat zij in 1948 was gepromoveerd op een dissertatie over Italiaanse muziek van de dertiende eeuw publiceerde ze drie jaar later het veelgelezen Duecento: Zwerftochten door Italië’s late Middeleeuwen, dat opent met een zin die aan Huizinga doet denken: ‘Dit is het relaas van een tijd die hels en heilig was met een felheid die ouderdom bant.’ Het was een lyrisch boek, dat een breed publiek aansprak, maar waarop Nolthenius later met gemengde gevoelens terugkeek omdat het wat al te literair was en te weinig werd getemd door de ‘wetenschap’. Maar wat zij in dit boek wel wist op te roepen – evenals in latere publicaties als Renaissance in mei (1956) en haar grandioze Franciscus-biografie Een man uit het dal van Spoleto (1988) – zijn de geur, de kleur, de smaak en niet in de laatste plaats de klank van Italië op het breukvlak van Middeleeuwen en Renaissance. Iets wat ook gold voor haar fictie, zoals Een ladder op aarde (1968) en de avonturen van de monnik Lapo Mosca, die als middeleeuwse speurder zeven jaar vóór Umberto Eco’s De naam van de roos zijn opwachting maakte.
Uit het boek dat Nolthenius’ oud-studente, collega en vriendin Etty Mulder over haar heeft geschreven, wordt duidelijk dat de twee zielen die in haar borst huisden, de literaire en de wetenschappelijke, niet altijd in harmonie met elkaar leefden. Tegenover de studenten die bij haar in Utrecht muziekgeschiedenis studeerden, en die niet zelden gelokt waren door haar populaire cultuurhistorische boeken, trok zij een façade van strenge wetenschappelijkheid op. Ondanks de overduidelijke bewondering en sympathie die Mulder voor haar voelt, blijkt dat Helene Nolthenius geen gemakkelijk mens was. Wie te dichtbij kwam kon onverhoeds stuiten op een ongenaakbaar pantser van eruditie en afstandelijkheid.
De verklaring hiervoor zoekt Mulder deels in de traumatische echtscheiding van Nolthenius’ ouders en haar ervaringen in de oorlog. Nadat zij door een onvoorzichtig bezoek aan een ondergedoken joodse vriendin was gearresteerd, had haar vader haar vrij gekregen door zichzelf aan te geven, waarna hij naar Dachau werd afgevoerd. Volgens Mulder was haar verhoor door de SD er de oorzaak van dat zij een levenslange afkeer had van situaties die op een ondervraging leken, zoals tentamens en indringende interviews.
Hoewel de compositie van Mulders boek wat brokkelig is en de meeste hoofdstukken een volstrekt ander karakter hebben, terwijl de auteur heel wat stroever schrijft dan haar onderwerp, geeft Rede en vervoering een interessant beeld van de drijfveren, spiritualiteit, eruditie, creativiteit, oorspronkelijkheid en veelzijdigheid van Helene Nolthenius. Het roept tevens een beeld op van een intellectuele, academische wereld die door een eindeloze reeks reorganisaties en bezuinigingen bijna evenzeer verleden tijd is als het door Nolthenius bestudeerde, beschreven en bezongen Italië van Franciscus, Dante en Petrarca.
En niet in de laatste plaats laat het boek zien dat literatuur en wetenschap elkaar niet per se hoeven te bijten. De evocatieve boeken van Nolthenius openden immers, evenals die van Huizinga, een venster op een andere manier van geschiedschrijving, waarin vooral de belevings- en gedachtewereld, kortom de mentaliteit van mensen uit het verleden centraal staat. Terecht wijst Mulder erop dat Nolthenius niet alleen een voorloper van Umberto Eco was, maar ook van historici als Michel Vovelle en Carlo Ginzburg. Dat was niet zozeer het gevolg van een nauwkeurig omschreven wetenschappelijke methode, maar vooral van een bepaalde houding, van inlevingsvermogen, van een grote eruditie en van literair talent. Het ‘verfbad’ waar zij haar ‘historische stof’ doorheen haalde, was van een grotere rijkdom en intensiteit dan waarover haar meeste Nederlandse collega’s beschikten.

Tegelijk met de biografie van Etty Mulder verscheen bij uitgeverij Vantilt een herdruk van Nolthenius’ geschiedenis van het Gregoriaans, Muziek tussen hemel en aarde