Jan Donkers, Mijn muziek

Chuck en ik, Joe en ik, Dough en ik

Jan Donkers

Mijn muziek

Atlas, 256 blz., e 19,60

De muzieksmaak van Jan Donkers laat zich samenvatten tot de openingszin van zijn verhaal over Jerry Lee Lewis: «Ach, waar zijn ze gebleven, die tijden?» Mijn muziek, het boek van Jan Donkers, gaat over die smaak. En over Jan Donkers. Gaat het niet over artiesten? Jawel: over die artiesten volgens Jan Donkers. En die artiesten met Jan Donkers. En soms Jan Donkers volgens die artiesten. Is dat functioneel? Soms. In het hoofdstuk over Gene Clark bijvoorbeeld, waarin Donkers een fan van Clark ontmoet. Die laat Donkers exclusief een single van Clark horen. «Omdat ik Jan Donkers ben», schrijft Jan Donkers. De fan vraagt hem honderduit over zijn ontmoetingen met Clark, «being the excellent journalist you are». Uiteindelijk stuurt diezelfde fan hem later een mail met de tekst «Please stop e-mailing me». Donkers realiseert zich: hij heeft de fan dichter bij zijn idool gebracht, heeft diens doel gediend en is daarmee «als bron uitgeput en waardeloos geworden».

Zoals ook soms die nadrukkelijke, immer uitgesproken mening van Donkers functioneel is. Wanneer hij bijvoorbeeld Dolly Parton, die hem diep heeft teleurgesteld, brieven schrijft, waarin hij het zo ongeveer uitmaakt. Maar vaker is het volstrekt overbodig, of zelfs ronduit irritant, door die combinatie van stelligheid en willekeur. Morrisey? «Kloteloze muziek», oordeelt Donkers. Want: «Ik bedoel, hoe kun je nu een zanger serieus nemen die de regel ‹Girlfriend’s in a coma/ and I’m feeling so sad› uit zijn mond kan krijgen». En nu maar hopen dat dit ironie is, exact de stijl waarin Morrisey (hij wel) uitblinkt.

Geregeld geeft Donkers de lezer het gevoel dat wanneer hij had willen lezen wat zijn zoon Sander – naar wiens bundel Lipstick Sunset hij quasi-nonchalant verwijst – wel deed (hartstochtelijk schrijven over artiesten en hun kleurrijke levens), die lezer een ander boek van dezelfde schrijver had moeten aanschaffen. Fred Eaglesmith, wiens leven goed is voor wel drie boeken, krijgt in Mijn muziek welgeteld één pagina. Want: «Zie voor veel meer over Fred Eaglesmith het hoofdstuk Hoe Elgersma Eaglesmith werd in mijn boek De tweede Amerikaanse eeuw.»

Een paar pagina’s verderop, The Grateful Dead, zelfde verhaal: drie alinea’s en dan een doorverwijzing naar De tweede Amerikaanse eeuw. Wat is dit, een boek of een boodschappenlijst? Jan Donkers is wat Joost Zwagerman een «popfundamentalist» noemt. Het bezwaar tegen popfundamentalisten is niet eens zozeer hun immer nadrukkelijk Mening. Die heeft Zwagerman ook, maar waar hij nimmer nalaat die te onderbouwen, dogma’s schuwt en het met allure opschrijft, nemen popfundamentalisten die moeite niet. Omdat immers toch al duidelijk is wat deugt en wat niet. De popfundamentalist loopt zowel de journalist als de schrijver in de weg.

Er staan fraaie stukken in Mijn muziek, over de vergeten Joe South bijvoorbeeld. Maar die zijn mooi niet dankzij, maar ondanks de aanwezigheid van Jan Donkers daarin. Want waarom moet de lezer in dat verhaal over Joe South lezen wat het op één na mooiste cadeau was bij Donkers’ afscheid bij de vpro? Waarom een verhaal over Chuck Prophet beginnen met de zin: «Ik nam Chuck Prophet mee naar een Indonesisch restaurant, meteen nadat hij in Paradiso een solo-optreden had gedaan.» Chuck en ik, Joe en ik, Dough en ik. Jan Donkers heeft prachtige reportages gemaakt en verhalen geschreven. De egotrip die Mijn muziek is, doet zijn kwaliteiten als stilist en verhalenverteller ernstig tekort. Het boek is een misverstand, want een zichtbaar haastig geschreven poging tot een monument voor iemand wiens oeuvre op zichzelf al monumentaal is.

Maar wellicht dienen we het vooral te lezen als een politiek pamflet. Want erger nog dan slechte muziek is natuurlijk Bush. In een vermakelijk hoofdstuk over Donkers’ herinneringen aan zijn tijd als deejay in Austin kunnen we lezen dat hij het Bush Haters Handbook in de kast heeft staan. Dat zullen we weten ook. Het meest potsierlijk pakt dat uit in het hoofdstuk over Merle Haggard, die inmiddels strijdt tegen de Irak-oorlog. «Als ik raadgever van Bush was», schrijft Donkers, «zou ik denken dat dergelijke woorden, uit de mond van de man die Okie from Muskogee en Fighting Side of Me op zijn naam heeft, betekenen dat ik verkeerd bezig was. Maar zo werkt het natuurlijk niet, onder de huidige junta.» En het rommelde nog lang na, in Washington.