Cia-crack

De ‘war on drugs’ in Amerika lijkt een pendant te heben gehad: ‘war wìth drugs’. De CIA heeft mogelijk zelf crack geïntroduceerd in de zwarte wijken. Hoe diep zit de CIA-Contra-crack-connectie?
HET MARTIN Luther King-Drew Medical Center in Los Angeles is een hospitaal met een reputatie. Het leger zendt zijn chirurgen ernaar toe om zich te scholen in de behandeling van kogelwonden. De schietpartijen die met de crackhandel gepaard gaan, zorgen voor een ononderbroken aanvoer van patiënten. Bij dit hospitaal verzamelde zich onlangs een menigte zwarten. Velen kwamen uit de omliggende armenwijken. Ze ontstaken kaarsen om vrienden en familieleden die door crack stierven te herdenken. ‘What’s the word on the street?’ riep Maxine Waters, de strijdlustige dame die dit stadsdeel vertegenwoordigt in het Congres. Honderden stemmen schreeuwden het antwoord: ‘Have you heard about the CIA?’

De crackverslaafden in South Central Los Angeles hebben het niet gehoord. Zij leven in hun eigen wereld, waarin alles draait rond de jacht op de intense maar korte euforie die de crackpijp schenkt. Maar voor andere bewoners, die zich al jaren afvragen hoe de crackhandelaren hun buurt zo plots konden overweldigen en er straffeloos hun gang konden gaan, bevestigden recente onthullingen in de San Jose Mercury News hun ergste vermoedens: een door de CIA geleide Nicaraguaanse rebellengroep introduceerde de nieuwe drug op de Amerikaanse markt.
Het is niet de eerste keer dat de Contra’s, zoals de anti-Sandinistische rebellen werden genoemd, worden beschuldigd van cocaïne-smokkel. Tien jaar geleden al bekenden piloten die in opdracht van kolonel North’ ‘schaduw-CIA’ de Contra’s bevoorraadden, dat hun vliegtuigen gevuld met drugs naar de Verenigde Staten terugkeerden. Ook de officiële CIA en zelfs vice-president Bush werden toen beschuldigd van medeplichtigheid. Een Congrescomité dat de zaak onderzocht, vond daar geen bewijzen voor. Maar het ontdekte wel dat de Amerikaanse regering de vervolging van drugssmokkelaars verbonden met de Contra’s had belemmerd.
'Als je vraagt: was de CIA rechtstreeks betrokken in drugssmokkel? dan is het antwoord: nee’, zei Jack Blum die het Congres-ondezoek leidde. 'Maar als je vraagt: heeft de regering in het kader van de oorlog tegen de Sandinisten kanalen geopend die door de drugssmokkelaars werden gebruikt, wisten ze dat die smokkelaars dat deden en zorgden ze ervoor dat ze niet werden vervolgd? dan is het antwoord op al die vragen: ja.’
DE NIEUWE onthullingen in de San Jose Mercury News lijken die stelling te bevestigen. In een serie gedetailleerde artikelen, getiteld 'Dark Alliance’ ('Duister Verbond’), stelt reporter Gary Webb dat de grootste Contra-organisatie, het FDN, jarenlang intensief betrokken was in drugssmokkel en door de Colombiaanse drugskartels werd gebruikt als bruggehoofd voor de cocaïne-invasie van de Amerikaanse markt in de jaren tachtig.
Het FDN was in grote mate de creatie van de CIA, die zowel over de militaire als de politieke activiteiten van de groep de strikte controle had. Het legertje werd geleid door Enrique Bermudez, een kolonel van de Nationale Garde van Somoza, de dictator die in 1979 door de Sandinisten werd verdreven. Volgens Webbe was een van zijn adviseurs, Norwin Meneses, tevens een vertrouwensman van de Colombiaanse drugskartels. Hij zou de drugssmokkel voor de Contra’s hebben georganiseerd.
De man belast met de verkoop van de cocaïne was Danilo Blandon, volgens Webb een Contra-leider in Californië. Hij verkocht tonnen cocaïne aan Ricky Ross, een dealer in Los Angeles. Ross zette het poeder om in crack en verkocht die aan de Crips en de Bloods, twee straatbenden uit Los Angeles. Cocaïne was tot dan nog een drug die vooral door blanken werd gesnoven, het was te duur voor de meeste zwarte gettobewoners. Maar door de omzetting van het poeder in crack kon het in kleine, geconcentreerde doses worden verkocht. Bovendien verkochten de drugskartels hun produkt via de Contra’s spotgoedkoop om een massamarkt te creëren. De Crips en de Bloods werden machtige ciminele organisaties met duizenden leden die crack populair maakten, eerst in de zwarte wijken van Los Angeles, later in de andere Amerikaanse binnensteden. De opmars van crack ging gepaard met een explosie van geweld.
Blandon werd in 1986 tijdens een politierazzia gearresteerd, maar hij werd nergens van beschuldigd en snel weer vrijgelaten. Later werd hij opnieuw aangehouden door de politie van Los Angeles, maar weer werd hij vrijgelaten, op bevel van Washington. Pas in 1992, lang na het einde van de burgeroorlog in Nicaragua, werd Blandon eindelijk ingerekend door de DEA, de federale drugspolitie. Om celstraf te ontlopen, begon hij te werken als verklikker voor de DEA. Met zijn hulp werd Ross, de crack-koning van South Central, in 1995 aangehouden. Op het proces tegen Ross was Blandon de kroongetuige. Maar op verzoek van de federale aanklagers verbood de rechter de advocaten Blandon te ondervragen over zijn banden met de CIA. Toen hem werd gevraagd wie in het FDN het bevel voerde over de drugssmokkel, antwoordde hij: 'We kregen onze bevelen van de… van andere mensen.’
DE OVERIGE Amerikaanse media besteedden aanvankelijk geen aandacht aan de onthullingen in de San José ercury News, hoewel er op zwarte talk-radio’s over bijna niets anders werd gepraat en duizenden mensen in Los Angeles hadden betoogd om de crack-Contra-CIA-connectie aan te klagen.
De Washington Post verbrak het stilzwijgen met een eigen onderzoek. Dat bevestigde de feiten die de Mercury News had aangedragen, maar volgens de Post had Webb de rol van de Contra’s in de cocaïnesmokkel overdreven. En hij zou, vervolgt de Post, zijn lezers hebben misleid: Webb gaf geen enkel bewijs dat de CIA op de hoogte was van de drugssmokkel, laat staan dat zij rechtstreeks betrokken was. Hij omschreef het FDN plompverloren als 'het leger van de CIA’. Suggestief gaf hij als logo voor de serie het beeld van iemand die crack rookt in combinatie met het CIA-insigne. Zo suggereert hij volgens de Post dat de CIA een rol speelde en velen die de serie lazen hebben inderdaad deze conclusie getrokken. Vandaar ook de woede. De Contra’s zijn er niet meer om woedend op te zijn, de CIA wel.
'Onzin’, zegt Gary Webb als ik hem de kritiek van de Washington Post voorleg. 'Ze hebben me op geen enkel foutje kunnen betrappen. Ik heb nooit geschreven dat er bewijzen zijn dat de CIA betrokken was. Het is waar dat veel mensen die conclusie trekken, maar daar ben ik niet verantwoordelijk voor. Het is niet misleidend om het FDN “het leger van de CIA” te noemen, want dat was het ook. Ook het logo is niet fout: het drukt uit dat er een verband bestond tussen een operatie van de CIA - de Contra-oorlog - en de drugsplaag. Die link hebben we bewezen. Ik schrijf ook duidelijk wat we niet hebben kunnen bewijzen. Ons spoor stopt aan de deur van de CIA. Niemand bij de CIA was bereid om met ons te praten.’
Ik vraag hem of hij het aannemelijk vindt dat de CIA van niets wist. Webb aarzelt even. 'Daar spreek ik mij niet over uit’, zegt hij tenslotte. 'Maar alle personen die vertrouwd waren met de interne werking van het FDN met wie ik heb gesproken, zeggen dat het onmogelijk is. We hebben bovendien net nieuwe informatie onthuld die bewijst dat de autoriteiten op de hoogte waren van de Contra-drugssmokkel. Jammer genoeg was dat nog niet verschenen toen de Post reageerde. Ik vraag me wel af hoe ze die feiten zouden wegwuiven.’
DE NIEUWE INFORMATIE steunt vooral op een affidavit beëdigde verklaring) uit 1986 van Thomas Gordon, die toen detective was van het bureau van de sheriff van Los Angeles. Dit affidavit was een aanvraag voor een bevel tot huiszoeking bij Blandon en zijn medewerkers. Volgens dit document waren ruim honderd FDN-aanhangers betrokken bij de drugssmokkel. Zowel de DEA als het FBI waren hiervan al jarenlang op de hoogte omdat ze informanten hadden in Blandons organisatie. Het affidavit was gebaseerd op interviews met die informanten.
Tijdens de razzia die met dit huiszoekingsbevel in de hand plaatsvond, identificeerde een van Blandons medewerkers, Ronald Lister, zich als een CIA-agent. Hij kreeg toestemming om naar het CIA-hoofdkwartier te bellen om zijn identiteit te bevestigen maar alle documenten in zijn woning werden in beslag genomen. Niet veel later echter kreeg het bureau van de sheriff bezoek van CIA-agenten, die alle documenten die uit Losters huis waren weggenomen, meenamen. Lister en Blandon werden vrijgelaten. Tot de Mercury News Gordons affidavit kon bemachtigen, beweerde de woordvoerder van de sheriff van Los Angeles dat alle documenten in veband met de razzia spoorloos waren verdwenen.
Sindsdien onderzochten ook de New York Times en de Los Angeles Times de affaire. Beide kranten stelden dat Meneses en Blandon geen leidende functie hadden in het FDN, dat slechts een deel van hun winsten naar de Contra’s ging, en dat Webb hun rol in de crack-invasie had overdreven. The Mercury News houdt vol dat Webb niet overdreef en benadrukt dat de andere kranten niets vonden om Webbs centrale stelling - dat de autoriteiten wisten dat de Contra-aanhangers cocaïne smokkelden en niets deden om hen te stoppen - te ontkrachten.
'PRECIES DAT HEEFT hier het meest kwaad bloed gezet’, zegt Jarette Fellows, hoofdredacteur van de L.A. Watts Times, een zwart weekblad in Los Angeles. Fellows woont in South Central, een zwaar gehavende zone met ruim een half miljoen inwoners. Het gebied staat bekend als 'the crack-capital of the world’. Het was hier dat de crackplaag begon en nog altlijd het hevigst woedt. Hier begonnen ook de rellen van 1992. Fellows noemt de verwoesting die crack hier heeft aangericht, 'een tragedie met holocaust-afmetingen, het wreedste dat ons zwarten is aangedaan sedert de slavernij. Niemand hier ontsnapt aan de plaag.’
Hij hoorde voor het eerst over crack in 1981, toen zijn broer stierf aan een overdosis. Zijn ouders zorgen voor de kinderen van zijn twee zussen die al vijftien jaar verslaafd zijn. In het huis naast het zijne wordt crack verkocht. 'De politie is er al tien keer binnengevallen maar de verkoop gaat gewoon door.’ Andere pushers hangen rond in zijn straat om klanten te onderscheppen. Onlangs beschoten ze elkaar met automatische wapens; de kogels boorden zich in Fellows’ slaapkamermuur. ’s Nachts beheersen de pushers de straten. Iedereen is bang. Duizenden verslaafden lopen hier rond als haveloze zombies. Duizenden baby’s wor den hier verslaafd geboren. Duizenden zijn door crack gestorven. En het einde is niet in zicht.
Damu Vusha is directeur van twee ontwenningscentra in South Central. 'De vraag is zo groot dat we elke dag verslaafden moeten wegsturen wegens plaatsgebrek’, zegt hij. Waarom is crack hier zo populair? Niemand dwingt de mensen toch om te roken, zo vraag ik hem. 'Als je een gebied waar veel pijn heerst overspoelt met een goedkope en, op korte termijn, zeer efficiënte pijnstiller, dan zal die gebruikt worden’, zegt hij laconiek. In de periode waarin de Contra’s cocaïne naar South Central brachten, ondernam de politie volgens Vusha geen enkele poging om de crackhandel in te dammen. 'Ook nu nog zie je politiewagens langs crackpushers rijden zonder in te grijpen.’
De droevigste slachtoffers van de drug zijn de crackprostituees, vindt Vusha. 'De meest menselijken worden “kersen” genoemd, de al wat afgetakelden heten “aardbeien”, en de meest uitgemergelden zijn de “rozijnen”. De naam is goed gekozen want het zijn verschrompelde, graatmagere karikaturen van vrouwen. Zij worden uitgezocht door seksuele perverten omdat die weten dat ze nauwelijks nog normale klanten kunnen vinden en bereid zijn om alles te doen om aan crack te komen. Die vrouwen walgen van zichzelf maar kunnen zonder hulp niet stoppen.’
Veel zwarten geloven dat de crack-invasie deel uitmaakt van een blanke samenzwering om de zwarte gemeenschap te ontwrichten of zelfs uit te moorden. In de Contra-drugsonthullingen zien ze een bevestiging van hun theorie. 'Dit zou een geval kunnen zijn van poging tot massamoord’, zegt de zwarte psychiater Frances Cress Welsing. 'Misschien moeten we Neurenberg-processen organiseren.’
De aanhangers van de samenzweringstheorie wijzen op eerdere vergelijkbare gevallen, zoals een experiment van 1932 tot 1972 in een regeringshospitaal in Tuskegee, waar 652 zwarten die aan syfilis leden geen behandeling kregen omdat men de eindstadia van de ziekte wou bestuderen. En ze hebben het over de jaren twintig en vijftig, toen de politie een oogje dichtkneep terwijl de maffia het zwarte Harlem overspoelde met heroïne, en de jaren zestig toen de politie drugs verstopte in de huizen van Black Panthers om hen te kunnen arresteren. Ze stellen dat de CIA al eerder samenwerkte met elementen waarvan men wist dat ze drugs naar de VS smokkelden - in Laos, Afghanistan, Myanmar, Panama, Honduras en Bolivia - en ze wijzen erop dat de meerderheid van diegenen die gevangen zitten wegens drugsbezit zwart zijn, terwijl de grote meerderheid van de drugsgebruikers blank is (volgens een recente studie is een derde van de zwarte jongemannen tussen 20 en 29 jaar gedetineerd of voorwaardelijk vrij).
Al die argumenten zijn op zich juist, maar bewijzen ze dat er een antizwarte samenzwering bestaat? 'Dat geloof ik niet’, zegt Fellows, 'maar ik geloof wel dat de CIA de drugssmokkel door de Contra’s oogluikend liet gebeuren omdat de opbrengst naar “het goede doel” ging en omdat de slachtoffers toch maar arme zwarten in South Central waren. Als die drugs naar blanke voorsteden zouden zijn gegaan, zou de CIA het niet hebben toegelaten.’
'HET DOET ER in feite niet toe of de CIA zelf betrokken was bij de drugssmokkel of enkel een oogje dichtkneep’, zegt Congresafgevaardigde Maxine Waters. 'In beide gevallen is ze even schuldig.’ Op aandringen van Waters en andere zwarte Congresleden is de Senaat hoorzittingen begonnen en hebben de CIA en het ministerie van Justitie een grondig onderzoek beloofd. Maar er is nogal wat scepcis over wat dat zal opleveren. Het weekblad The Nation rapporteerde onlangs dat het ministerie van Justitie in 1986 de getuigenissen van een FBI-informante in de doofpot had gestopt. Zij had verklaard dat ze in Baranquilla (Colombia) verscheidene keren had gezien hoe vliegtuigen die in opdracht van North de Contra’s bevoorraadden, werden volgeladen met drugs. Een reporter van The Nation zag het logboek van een van de vliegtuigen die de informante had gezien, dat bevestigde dat het die bewuste dag inderdaad in Baranquilla was.
Zou het ministerie van Justitie eerlijker zijn nu een Democraat president is? Niet noodzakelijk, beweren sommigen, want ook Clinton gaat niet vrijuit. Een deel van de drugssmokkel zou gebeurd zijn via een vliegveldje in Mena, Arkansas. Een van de betrokkenen was Dan Lasater, een lokale dealer en een kennis van Clinton, die toen gouverneur was van Arkansas. Lasater gaf geld aan Clintons campagnes en in ruil zou ook de gouverneur een oogje hebben dichtgeknepen… Deze beschuldiging dook op in het Whitewater-schandaal maar ze werd nooit bewezen.
De inspecteur-generaal van de CIA heeft onlangs meer tijd gevraagd voor zijn onderzoek, dat aanvankelijk in twee maanden zou worden beëindigd. Volgens Gary Webb is dat een goed teken. 'Als er niets te onderzoeken zou zijn, zou hij dat niet vragen.’
Leslie Cockburn, een CBS-journaliste die over de drugs-Contra-connectie een boek schreef, deelt zijn optimisme niet. 'Het probleem’, zegt zij, 'is dat de wereld zo verschrikkelijk is dat we niet de moed hebben om ze onder ogen te zien.’