Cinekids over hun ouders

Cinekid, film- en televisiefestival voor de jeugd is natuurlijk vooral een zegen voor ouders. Het valt listig samen met de herfstvakantie en vormt zo een goedkoop en wellicht verantwoord alternatief voor de bioscoop, de dierentuin of iets nog ergers: een attractiepark. De verfoeide Disney (want glad, commercieel en politiek ook nog fout) had altijd goed door dat de helft van het publiek bij een kinderfilm uit ouders bestaat. De helft bovendien die de kaartjes betaalt en die dus vooral tevreden moet worden gesteld.

Mijn traditionele Cinekid-bezoek (ik ben geen haar beter dan andere ouders) werd dit jaar verrijkt door het commentaar van een ontevreden moeder achter mij. Even speelde ik met de gedachte om haar de mond te snoeren, maar het bleek het plezier van de kinderen niet te bederven en bovendien was het gemopper een leerzame afleiding bij de Zevenmijlsgympies, een curieus warrige animatiefilm van de Pool Krzystof Rynliewicz. Zo leerde ik dat een verantwoorde tekenfilm vooral niet op een Disney-film mag lijken. Kennelijk is de Doorluchtige Disney er niet in geslaagd om alle ouders tevreden te stellen. Rynliewicz heeft begrepen dat bijna alle ouders met Disney tevreden zijn en dat kinderen die niet met Disney dwepen, helemaal zeldzaam zijn. Daarom zal hij zijn hoofdpersonages vrij naar de meester hebben gemodelleerd. Hij liet zijn Disney-klonen echter ronddolen in een surrealistische wereld waarin echte rivieren door getekende landschappen stromen en gefotografeerde pannen getekende soep bevatten. Toch niet origineel genoeg voor moeder mopperkont, want de kat Marcel en de muis Iggy beleefden hun avonturen niet snel genoeg. Laat het een les zijn voor de kinderfilmmaker: denk vooral niet alleen aan kinderen.
Kinderen worden groot en dan zeggen (of schrijven of filmen) ze wat ze van hun ouders vonden in de tijd dat ze mee naar de film werden gesleept. Ik zag een mooie Duitse film van een groot kind van vijfendertig over zijn vader. Gemaakt voor het onvolprezen Das kleine Fernsehspiel, dus een dezer dagen zal het ontroerende Die Jahre der Kalte van Ulli M. Schuppel ver na middernacht een keer via het tweede Duitse net worden uitgezonden. Het gebeurde toen de kleine Ulli een jaar of zes was. Zonder wantjes speelde hij in de sneeuw en zocht troost bij zijn vader toen zijn vingers koud werden. Zijn vader zei dat hij zich niet moest aanstellen, want het was niet koud. Hij wist pas wat echte koude was, hij was in Wokuta geweest. Wokuta? Drie decennia later is de vader van Schuppel er niet meer om uit te leggen wat Wokuta is. Schuppel volgt zelf het spoor terug. In de kinderjaren van de DDR was vader Schuppel, toen nog maar net een jong volwassene, opgepakt wegens ongewenste politieke activiteiten. Verhoren, nog eens verhoren, weer eens verhoren en toen uiteindelijk na honderden pagina’s bekentenissen afgevoerd naar een werkkamp in de immer bevroren toendra’s van de bevriende Sovjetstaat. Wokuta; de bevroren hel op aarde.
Schuppel is niet de eerste filmmaker die een film over zijn vader maakte en hij zal ook niet de laatste zijn. Binnen de documentaire film is het misschien zelfs een genre te noemen. De vaderdocumentaire (we zijn nog freudiaans genoeg om in te zien dat de moederdocumentaire een ander genre is) geeft de mogelijkheid de geschiedenis via een zeer betrokken en persoonlijke invalshoek te benaderen. In het geval van Schuppel levert dat bijvoorbeeld op dat de mensen die hij spreekt die zijn vader hebben gekend zich verplicht voelen het verleden tot in alle details te laten herleven. Schuppel is bovendien intelligent genoeg om te beseffen dat de vragen over het hoe, wat, waar en waarom van zijn vader vooral ook betrekking hebben op hemzelf. Nu hij zelf de vaderleeftijd heeft, vraagt hij zich niet alleen af waarom zijn vader zo weinig prijs kon geven van zijn kamptijd, maar ook waarom hij als jongen niet de moed had om die getekende man in de ogen te zien.