Circusact met bloemkolen

Arjan Visser, Paganinipark. € 17,95

Medium visser paganinipark

Recensenten beweren nogal eens dat je een te bespreken boek het best kunt beoordelen wanneer je de achterflap niet gelezen hebt. Dat leidt alleen maar af. Het stuurt je, nog voordat je ook maar één prozazin gelezen hebt. Die bewering kun je natuurlijk doortrekken: eigenlijk zou je ook niet moeten weten wie de auteur is, of bij welke uitgeverij het boek is verschenen. Of nog beter: of het Nederlands is of vertaald. Je zou het moeten lezen in een kamer zonder ramen of in een geblindeerde auto waarvan je niet weet waar-ie naartoe rijdt.
Enfin, ik las Paganinipark van Arjan Visser in een zwart-witte proefdruk, vond er het mijne van, kreeg vervolgens de officiële druk in handen en voelde me meteen op het verkeerde been gezet: het omslag doet nog het meest denken aan een veelkleurig aanplakbiljet dat de komst van een circus aankondigt. Opeens ga je anders over het boek denken. Zou het een circusact zijn?
Want Paganinipark is niet zomaar een boek, het leest als een telenovela, zo’n theatrale Spaanse soap waarin verraad, liefde en moord schering en inslag zijn. Waar Nederlandse soaps nog iets van een drama weg hebben, lijken telenovelas doorgaans nog het meest op een middelbare-schoolmusical. Paganinipark draait om Niccoló Stokvis, het product van een ongelukkige vrijage tussen een Italiaanse schone en een Nederlandse marktkoopman. Niccoló wordt een dag te laat geboren. Een slecht omen, denkt zijn moeder, die sindsdien permanent bang is dat het noodloot aan hem kleeft. En inderdaad, dat noodlot slaat toe. Het tweede en langste deel van het boek gaat over Gabriël Wezenman, een volkszanger in zijn midlife die met mazzel aan de jonge, knappe Niccoló wordt gekoppeld. Niccoló is met zijn gouden strotje de ster van het duo de Paganini’s; Gabriël is al lang blij met het beetje succes en de minnares die hem in de schoot vallen. Hij raakt zo ondersteboven van zijn geluk dat hij alleen nog maar bang kan zijn om het kwijt te raken – wat prompt gebeurt, als hij de gewelddadige dood van Niccoló in zijn schoenen krijgt geschoven. Een soap opera pur sang.
Arjan Visser debuteerde in 2003 met De laatste dagen, waarin een boerenfamilie aan het begin van de twintigste eeuw in de ban raakt van een rondtrekkende prediker. De roman leverde Visser de Anton Wachterprijs en de Geertjan Lubberhuizenprijs op en nog steeds, bij herlezing, is het een boek dat zijn urgentie behoudt; de moraal die uit godsdienst voortkomt, en onherroepelijk overtreden wordt, is een thema dat hij sterk uitwerkt, subtiel maar dwingend. Die urgentie is nergens te vinden in Paganinipark. Visser doet zijn verhaal, schrijft vlot, zijn vertelling blijft nergens aan haken. Maar dat is precies het probleem: er blijft de lezer gewoonweg niets bij. De roman is zo glad dat je er niets wezenlijks van lijkt op te steken, zoals een thema dat aangrijpend wordt behandeld (bijvoorbeeld de verlammende angst om een dierbare te verliezen), een onverwacht sentiment of een originele formulering. Vooral het eerste deel is grappig, met een onbeholpen jongen die zich per ongeluk tot vader neukt, maar er blijft aan het Italiaanse temperament van la Mama, Italiaanse steekwoorden incluis, een bloemkolengeur zitten.
De Werdegang van Gabriël doet denken aan iets dat wat melancholie betreft wel eens aangrijpender is geschreven (zie de vroege Leon de Winter), en de weg tot zijn nooddaad is wel eens sterker verwoord (zie Arnon Grunberg). Dat-ie een fatsoenlijk boek kan schrijven heeft Visser wel bewezen met De laatste dagen, maar dat talent lijkt hij voor Paganinipark niet te willen kapitaliseren. Hij lijkt aansluiting te willen zoeken bij het rijtje Kluun, Pieter Webeling, Robert Vuijsje – jongens die heel goed een verhaal kunnen vertellen, maar dat verhaal niet willen/kunnen opheffen tot echte literatuur.
Maar dat lijkt ook weer niet helemaal het geval, aangezien Visser zich in het derde deel revancheert: met de persoon van Anthony Drake, een officier van justitie die meer weet van de dood van Niccoló, zet Visser een figuur neer dat de clichés ontstijgt en tot leven komt. Anthony Drake – wat een geweldige soapnaam! – is gevangen in een liefdeloos huwelijk en als hij ’s avonds met háár hondje op pad wordt gestuurd, zoekt hij de herenliefde op in de bosjes van het Paganinipark. In een ingehouden stijl wordt de tragiek van die man met het hondje snijdend, de man die weet dat hij altijd terug moet naar zijn vrouw, omdat hij anders alles kwijtraakt – en zichzelf voorgoed zijn lafheid blijft verwijten dat hij dat niet durft te riskeren.
In het slotdeel komen de drie verhaallijnen samen en zet Visser de boel definitief op z’n kop. In een knotsgekke finale komen gillende sirenes de rechtbank in, zingt een man ten overstaan van het gerechtshof letterlijk zijn levenslied, spat de spanningsboog met een addertje onder het gras uit elkaar. Het is totaal over the top. Ugly Betty kan er niet aan tippen. En de lezer? Die blijft nonplussed achter. Die kijkt nog eens naar dat circusomslag en vraagt zich af of Visser hem 207 pagina’s lang in de maling heeft genomen.
Zoals Kees ’t Hart het altijd zei: ik ga er nog maar eens heel goed over nadenken.

ARJAN VISSER
PAGANINIPARK
De Arbeiderspers, 207 blz., € 17,95