Cissy krijgt een biografie

Naast alle actuele young adult-literatuur staat de Joop ter Heul-omnibus nog steeds overeind. Waar ligt dat aan?

Wat de Engelse kinderboekenschrijfster Enid Blyton toch niet echt gelukt lijkt – telkens nieuwe generaties lezers/meisjes betoveren met haar Pitty gaat naar kostschool-serie – heeft onze Cissy van Marxveldt wonderwel bereikt met haar Joop ter Heul-boeken, waarvan het eerste deel, De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul, nu bijna een eeuw geleden verscheen. Anne Frank was een bekend liefhebster en liet zich in haar dagboek inspireren door Joop en de andere leden van de Jopopinoloukico-club, en – zoals we sinds de vorig jaar verschenen biografie van Jolande Withuis weten – prinses Juliana schreef brieven aan vriendinnen geheel in Van Marxveldt-stijl. Naast alle spannende en actuele young adult-literatuur blijft de Joop ter Heul-omnibus nog steeds overeind staan, en waar dat nou aan ligt?

In haar biografie Cissy van Marxveldt geeft publiciste en voormalig hoofdredacteur van het vaktijdschrift Biografie Bulletin Monica Soeting een paar mogelijke verklaringen voor de blijvende populariteit. Allereerst leenden Van Marxveldts relativerende schrijfstijl en gevoel voor ironie zich uitstekend voor de zogenaamde bakvisroman, oftewel de roman voor meisjes, een genre dat rond de vorige eeuwwisseling volop in ontwikkeling was. Daarnaast personifieerde de schrijfster in Joop het opstandige meisje dat in verzet is tegen het vrouwelijk keurslijf dat op haar leeftijd alras knellender wordt. De suggestie van de biografe is dat de schrijfster haar eigen ambities en aspiraties in haar hoofdpersonage verwerkelijkte, waarmee de Joop ter Heul-boeken een vorm van ‘autobiografictie’ zouden zijn. Hoe conventioneel het verhaal zich aan het oppervlak ook moge aandienen – spring-in-het-veld wordt uiteindelijk getemd door toekomstig echtgenoot en nakend huisvrouwenbestaan –, het boek biedt de mogelijkheid tot ‘tegenlezen’, oftewel het ontwaren van een meer subversieve subtekst. Zoals Soeting in haar nabeschouwing nog eens schrijft: ‘De serie laat meisjeslezers zien dat ze zelf keuzes kunnen maken voor wat hun toekomst betreft.’

Medium 21 cissy
Cissy van Marxveldt met Ynze en Leo in de tuin van de Lomanstraat, Amsterdam, eind jaren twintig © Uitgeverij Atlas Contact

Cissy van Marxveldt is een wonderlijke biografie geworden: de schoolse aanpak in combinatie met een feministisch academisch discours, de nadruk op de geschreven in plaats van de geleefde werkelijkheid en de tamme, niet bepaald enthousiasmerende of prikkelende schrijfstijl doen het levendige werk van een geliefd schrijfster acuut fossiliseren. En, even erg: de schrijfster komt niet achter het werk te voorschijn. De openingszin – ‘Cissy van Marxveldt werd op 24 november 1889 in het Friese Oranjewoud geboren’ (hoofdstuk 1 heet ‘In Oranjewoud geboren’) – zou in zijn ambtelijke mededeelzaamheid misschien nog ironisch bedoeld kunnen zijn (het was immers Setske de Haan die werd geboren, haar schrijverspseudoniem zou nog even op zich laten wachten), maar de biografie maakt duidelijk dat enige ironie of jopiaanse Spielerei Soeting vreemd is.

‘Ik meen er niets van hoor dagboek. O ik had zoo’n lach, en ik kon haast niet eens zeggen “I am sorry”’

Langs chronologische lijnen schetst ze het leven van een jongensachtig, leergierig meisje dat haar ongerichte toekomstplannen nog even kan uitstellen door in Engeland au pair te worden. Ze houdt een dagboek bij, en schrijft brieven naar haar ouders; belangrijke bronnen waaruit Soeting rijkelijk citeert. Duidelijk is een schrijfster haar pen aan het oefenen; in de directe manier van verhalen vertellen, het eigen vocabulaire, de grappen en de overdrijvingen ligt Joop ter Heul onmiskenbaar al op de loer. ‘We liepen door Fleet street een verbazend drukke straat en daar opeens had ik een ouwe heer gevangen. Toby die ik aan de pushcar vastgebonden had, was om die ouwe heer die vol aandacht voor een winkel stond, heengedraaid en de Mijnh. zat heelemaal in ’t touw vastgerold. Wanneer ’t nou eens een jongen geweest was… ik meen er niets van hoor dagboek. O ik had zoo’n lach, en ik kon haast niet eens zeggen “I am sorry”.’

Als de primaire bronnen zijn opgedroogd, laat de biografe zich verleiden – of ziet zich genoodzaakt – de levensloop te kleuren met historische, sociologische en anderszins theoretische uitstapjes. En het navertellen van alle andere, niet altijd even interessante, boeken. Terug in Nederland gaat Setske aanvankelijk als typiste werken op een Amsterdamse handelsonderneming; ze wordt even een carrièrevrouw avant la lettre, of een ‘New Woman’ zoals Soeting uitlegt met een uitgebreid exposé over dit fenomeen. Als ze eenmaal is gedebuteerd als romanschrijfster, in 1917, en Cissy van Marxveldt dus geboren is, worden we vergast op een uiteenzetting over het verschijnsel ‘pseudoniem’, met deze wervende beginzinnen: ‘Schrijverspseudoniemen maken duidelijk hoe auteurs zich binnen het literaire veld plaatsen. Genderaspecten spelen daarbij een grote rol.’ Naar eigen zeggen had haar man, Leo Beek, het pseudoniem bedacht, wat door Soeting wordt gewantrouwd. In de keus van het pseudoniem vermoedt ze een sociale ambitie die groter was dan haar vrouwelijke bescheidenheid, en in het zich schatplichtig verklaren aan haar man ziet ze de brave echtgenote aan het werk.

Sowieso is de biografe op zoek naar frictie om de kern van het schrijverschap van Van Marxveldt te kunnen benoemen. Annejet van der Zijl deed iets dergelijks in haar biografie van Annie M.G. Schmidt, Anna; ze wilde de mythe doorprikken die de schrijfster zelf had gecreëerd in interviews, namelijk dat ze nooit serieus erkenning had gekregen voor haar werk. Misschien had Schmidt ook wel last van de ‘conventionele vrouwenplot’, zoals Soeting die in deze biografie toelicht als de manier waarop de meeste vrouwen in het openbaar over hun leven en werk vertellen. Beide schrijfsters maakten zichzelf kleiner dan hun succes rechtvaardigde, Schmidt als inktkoelie – ‘u vraagt, wij draaien’ – en Van Marxveldt als schrijfster van ‘slechts’ vrolijke meisjesboeken, terwijl ze later toch ook ‘serieuzere’ romans schreef. Ook doet ze het in interviews voorkomen alsof haar werk gebaseerd is op haar leven, terwijl ze volgens Soeting in werkelijkheid een verhaal vertelde over haar leven dat overeenkwam met de levens van haar personages. Zelfkennis, zelfspot en zelfbehoud liggen dichter bij elkaar dan Soeting kennelijk kan vermoeden.

De biografe raakt naarmate het levensverhaal vordert steeds meer in gevecht met haar onderwerp. Ook een vorm van frictie, zij het waarschijnlijk onbedoeld. Het lijkt alsof ze haar object groter wil maken dan ze is, in de zin van: meer literair, meer feministisch. Bijvoorbeeld als ze, even academisch als belerend, commentaar geeft op Van Marxveldts uitspraken over eigen werk. Dat ze in feite een vals bewustzijn zou hebben, door Soeting een ‘innerlijk script’ genoemd. Wat ze in haar openbare leven niet kon of wilde doen, deed ze in haar werk. In Joop ter Heul projecteerde ze haar eigen verlangen naar onafhankelijkheid. Maar stel dat er nooit een Leo van Dil was verschenen na de hbs-tijd. Was Joop dan ook uitgegroeid tot de meisjesheldin die ze werd? Is niet juist rebellie die op zeker moment haar wapens in het gras kan leggen je ware, juist omdat het te mooi is om waar te zijn?

In plaats van de uitzonderlijkheid te vieren van een oeuvre dat voor verschillende generaties lezers onvergetelijk is, en voor veel schrijfsters-in-de-dop een belangrijke inspiratiebron, concludeert Soeting dat de schrijfster aan het eind van haar carrière terug bij af is. Als een journaliste haar vraagt of ze met iets nieuws bezig is, moet ze hartelijk lachen om de gedachte dat dat ‘een echte roman’ zou kunnen zijn. Soeting vraagt zich dan vreemd genoeg af of ze misschien bang is te geëmancipeerd te zijn geworden, of dat ze mogelijke critici niet wil verontrusten. Terwijl je ook zou kunnen concluderen dat er niets mis is met, of minderwaardig is aan, een goed meisjesboek, en dat de Joop ter Heul-boeken dat als geen ander bewijzen.