Citeerbare pretenties

Op 11 mei wordt de Libris Literatuurprijs 2009 uitgereikt. Een goede kanshebber is Onze oom van Arnon Grunberg. Dat is niet geheel terecht.

Medium grunberg

In het land der letteren is de grunbergiaanse herhaling inmiddels een bekend verschijnsel. Niet alleen Grunberg bedient zich ervan, er zijn ook al navolgers. Volgens Hugo Brandt Corstius heeft deze herhalingsvorm de functie een woord ‘nader te bepalen, tegen te spreken, belachelijk te maken’. Ook de veelvuldige toepassing ervan maakt deze stijlfiguur zo grunbergiaans. Op bijna iedere pagina van zijn proza tref je wel een zin aan als: ‘Bent u dan een beest? Is dat wat u mij probeert te vertellen, dat u een beest bent, vermomd als architect, dat er boven mijn familie een beest woont? Dat ik het beste plekje van Amsterdam verhuurd heb aan een beest?’ Dat er met de grunbergiaanse herhaling vooral veel belachelijk wordt gemaakt en tegengesproken, lijdt geen twijfel. Dus waar blijft die ‘nadere bepaling’?

Vermoedelijk in een vorm van herhaling waarover je nooit iets hoort, namelijk Grunbergs veelvuldig gebruik van woorden als ‘pijn’, ‘ijdelheid’, ‘sentiment’ en ‘zelfbedrog’. In hoofdstuk 3 van De asielzoeker bijvoorbeeld, kom je 15 keer ‘het geluk’ tegen, 11 keer ‘de dood’, 3 keer ‘de schoonheid’, 7 keer ‘missen’ (5 keer als verbogen werkwoord), 15 keer ‘illusies’, 14 keer ‘illusieloosheid’, 6 keer ‘verliefdheid’, 7 keer ‘verliefd’, 3 keer ‘liefde’, 6 keer ‘hoon’, 4 keer ‘de waarheid’, 8 keer ‘pijn’, 5 keer ‘zelfbedrog’, 8 keer ‘hoop’ (3 keer als verbogen werkwoord), 26 keer ‘een mismaakte’, 2 keer ‘immoreel’, 2 keer ‘zenuwinzinking’, 2 keer ‘waanzin’, 3 keer ‘waanzinnig worden’ – om nog maar te zwijgen over ‘redding’, ‘mededogen’, ‘afschuw’, ‘verveling’, ‘het mysterie’, ‘verleden’, ‘toekomst’, ‘schaamte’, ‘eenzaamheid’, ‘het kwaad’, ‘leugens’, ‘passie’, ‘jaloezie’, ‘vriendschap’, ‘sentiment’, ‘angst’, ‘hel’, ‘vergetelheid’, ‘gek worden’, ‘ijdelheid’ en ‘vrede’. En dat op slechts 26 van de 350 pagina’s. Best knap voor iemand die ooit eens heeft gezegd dat het in dit leven juist om de heel kleine gevoelens gaat.

Staan ook die woorden er voor de leukigheid? Het heeft er niet de schijn van. Het lijkt Grunberg wel degelijk ernst te zijn als hij bovengenoemd hoofdstuk zo begint:

‘De nacht is een woestijn vol geluiden, gefluister, gekraak, gekreun, gezang, gezoem, en ook gesmoord gegiechel dat van onder de dekens komt. De gelukkigen weten dat hun geluk niet kan en niet mag bestaan en daarom verborgen moet blijven. Beck ligt onder de kapstok, hoort alle geluiden en verheugt zich op het geluk dat niet meer van hem is, het geluk waar hij dwars doorheen kijkt. En hoe meer hij zich op dat geluk verheugt, hoe meer hij tot de conclusie komt dat geluk een blauw gezichtsmasker is waarachter de dood hem grijnzend aanstaart.’
Nu weet ik niet, in tegenstelling tot de literatuurkritiek en het leeuwendeel der Nederlandse lezers, wat ik met zo’n passage aan moet. Hoezo ‘het geluk van de gelukkigen kan en mag niet bestaan’? Wat nou ‘geluk is een blauw gezichtsmasker waarachter de dood grijnzend staart’? Snel doorlezen heeft geen zin, want bij Grunberg wemelt het van dit soort bespiegelingen. Hij is wat je noemt een beschouwelijk schrijver, die ons niet alleen de pijn en ijdelheid van de mensen wil laten zien, maar daar ook nog iets over wil zeggen. Nu is dat geen probleem zolang de schrijver ook echt een denker is. Maar voor Grunberg is beschouwelijk proza een paar maten te groot. Hem past beter de rol van observator en beschrijver, met zijn oog voor saillante details en een talent voor trefzekere zinnen. (‘De angst voor het verlies begint al bij de bagage’ en ‘Tussen mens en chaos stond de formaliteit’ schieten mij dadelijk te binnen.) Maar zelfs met zijn talent is hij kwistig. Zó citeerbaar wil Grunberg zijn dat hij met levenswijsheden strooit alsof het snoepgoed is, terwijl het ook hier vooral de suggestie van diepzinnigheid is die het meeste werk doet. Neem nu deze regels uit Het aapje dat geluk pakt:

‘Hij kust haar weer, even moet hij nog aan de ambassadeur denken en de vitaminepreparaten, dan laat hij zich meevoeren door zijn opwinding, zoals een kind zich laat meevoeren door een kinderlokker, wetend dat er iets niet helemaal klopt, maar zijn nieuwsgierigheid is groter, smachtend naar dat waar alle kinderen naar smachten: overtreding van de wet.’

Deze woorden hebben iets bezwerends, niet? Terwijl wat er staat klinkklare nonsens is. Ik heb nog nóóit een kind ontmoet dat ‘smachtte naar overtreding van de wet’. Bedoeld wordt denk ik dat de meeste kinderen nieuwsgierig zijn naar datgene wat hen door volwassenen wordt verboden. Maar een boek vol onopgedirkte gemeenplaatsen leest natuurlijk niemand.

Minstens zo hoogdravend zijn bij Grunberg de dialogen, met name de ruzies. Nu kun je als schrijver je personages op verschillende manieren verbaal ruzie laten maken. Je kunt ze elkaar concrete verwijten laten voorleggen, of ze gewoon lekker op elkaar laten schelden. Een interessantere maar ook wat pretentieuzere variant die de schrijver ter beschikking staat, is de ruzie waarbij de tegenstanders elkaar met psychologie schaak proberen te zetten. Je treft die variant aan in alle boeken, toneelstukken, film- en televisieproducties die pretenderen iets van de menselijke aard bloot te leggen, van The Bold and the Beautiful tot de toneelstukken van Edward Albee, om eens twee uitersten te noemen. En ook bij Grunberg.

Het loont de moeite die twee uitersten nog even naast elkaar te leggen. Wat maakt de ruzies in, zeg, Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf zo veel beter dan die in ’s werelds meest bekeken soap? Om te beginnen zijn bij Albee de verwijten die men elkaar brengt kort en scherp, zelfs als er alleen maar gescholden wordt. In The Bold daarentegen probeert men elkaar vooral met wijdlopigheid te overbluffen. Dan is er bij laatstgenoemde nog die hinderlijke pretentie dat men elkaar diepe, pijnlijke waarheden verkondigt, terwijl men elkander slechts banaliteiten voor de voeten werpt. De ruziënde partijen staan hierbij zó lijnrecht tegenover elkaar dat hun onenigheid een soort beurtwisseling is met een voorspelbaar patroon: de een maakt de ander verwijten die de ander vervolgens hardnekkig ontkent. De enige bespeurbare emotie daarbij is animositeit. Bij Albee daarentegen wordt er dicht op de huid gestreden. Bij hem vind je, tussen alle verwijten door, kwetsbaarheid – niet alleen de soort die men bereid is de ander te tonen, maar ook en vooral de soort die de partijen bij elkaar weten bloot te leggen. Het is kwetsbaarheid die Albee voor pretentie behoedt en zijn dialogen spannend houdt.

Bij Grunberg ontbreekt de kwetsbaarheid ten enenmale. Zijn personages proberen elkaar slechts met snedigheden te overtroeven. Het lijkt soms wel of hij zijn dialogen zo uit een huisvrouwensoap heeft overgenomen. De banale karakteranalyses, de retorische vragen, het beurtelings maken en ontkennen van verwijten – het gekibbel stijgt er geen seconde bovenuit. Ondertussen vliegen de beladen termen je om de oren, terwijl er vaak in het geheel niets wordt gezegd. Bij Grunberg niet de puntigheid en scherpte van een Edward Albee, maar de wijdlopigheid en pseudo-diepzinnigheid van The Bold and The Beautiful.

Opvallend is ook de bereidheid van zijn personages om, ongeacht de omstandigheden waarin zij verkeren, de psychediscussie aan te gaan. Als in Tirza hoofdpersoon Jörgen Hofmeester zijn vijftienjarige dochter Ibi met de huurder betrapt en die huurder met een stalamp een gat in zijn hoofd slaat, vindt zowel de dochter als de geslagene, Andreas geheten, nog volop aanleiding Hofmeester mentaal te ontleden. ‘Andreas is het probleem niet. Jij bent het probleem, papa. En dat ben je al heel lang’, voegt zij hem toe terwijl haar geliefde misschien wel verderop in zijn huurkamertje dood ligt te bloeden – weet zij veel. Ieder ander vijftienjarig meisje zou óf bij hem zijn gebleven, óf zich in haar kamer hebben opgesloten óf alles aan mama hebben verteld. Maar bij Grunberg studeert iedereen voor psychoanalyticus, en weten de moeders van niets. (Wat moeder er in dit geval overigens niet van weerhoudt zich in het conflict te storten met uitroepen als: ‘Zie je niet wat je doet? Begrijp je wel iets van je dochter?’ en: ‘Besta je eigenlijk wel? Leef je hier wel met ons?’ Natuurlijk, in werkelijkheid maken talloze mensen op deze manier ruzie. Maar je mag van een schrijver toch verwachten dat hij zijn holle frasen vernuftiger aanwendt dan de buren doen.)

Heeft Andreas intussen de politie gebeld? Verkeert hij dan in shock? Welnee. Als Hofmeester hem even later in zijn kamer opzoekt, zit hij rustig met wat tijdschriften aan tafel. Van die gapende hoofdwond lijkt hij hoegenaamd geen last meer te hebben als hij Hofmeester nuchtertjes op een aantal psychologische overpeinzingen trakteert waar de honden geen brood van lusten. En als Andreas tijdens dit spreekuur ook nog eens in gelukzalige dagdromen afdwaalt zodra Hofmeesters dochter ter sprake komt, is de geloofwaardigheid compleet zoek.

Het is datzelfde gebrek aan geloofwaardigheid dat mij verhindert Grunbergs werk als beklemmend te ervaren, zoals ik heb begrepen dat de liefhebbers dat wél doen. Moet ik het beklemmend vinden wanneer de majoor in Onze oom dat kind ontvoert en het midden in de nacht aan zijn vrouw cadeau geeft, terwijl die vrouw ‘ik wil haar niet’ roept? Maar hoe kun je dat beklemmend vinden als die man daarbij in alle ernst dingen zegt als: ‘Vanaf vannacht is dit mijn dochter. En daarom is het ook jouw dochter. Ik heb haar het leven geschonken. Dit is onze dochter. Begin van haar te houden. Dit is toch wat je wilde? Een kind om van te houden? Waar wacht je op? Waarom houd je niet van haar?’ Om een man die zó van alle realiteitszin verstoken is kun je je verwonderen, verbazen, misschien zelfs bescheuren. Maar je kunt je niet met hem identificeren. Zoals Bertolt Brecht zijn vervreemdingseffecten gebruikte om te voorkomen dat zijn publiek zich met de gebeurtenissen op het toneel identificeerde, zo word je bij Grunberg door de overdaad aan absurditeiten in feite buiten het verhaal geplaatst. Je staat erbij en kijkt ernaar. Zoals Grunberg zelf eens over de Amerikaanse schrijver Bernard Malamud zei: ‘Als iedere schrijver die de moeite is om serieus te nemen, dwingt Malamud zijn lezers zich te identificeren met de half-goeden en de half-mooien. Kortom, met echte mensen.’ Welnu, ik zou me graag identificeren met Grunbergs personages. Maar ze worden nooit echt. Ze missen een helft.

Een ander obstakel bij het lezen van Grunberg is zijn explicatiedrang. Hij kan buitengewoon meeslepend schrijven als hij zijn uitleggerigheid weet te bedwingen. Maar steeds opnieuw geeft hij toe aan die vervelende neiging de lezer alles voor te kauwen. Niet zelden helpt hij er de spanning van zijn verhaal mee om zeep: ‘Tirza’s ziekte vernietigde niet alleen Tirza zelf’, lezen we halverwege Tirza, ‘met haar ziekte begon de vernietiging van de familie Hofmeester, en hoe meer de leden van de familie zich ertegen verzetten, hoe sneller het leek te gaan.’ Groter geweld kun je je verhaal niet aandoen dan door je lezers uit te leggen waar het allemaal over gáát. Of neem deze cruciale scène uit Onze oom, waarin de majoor en zijn soldaten midden in de nacht een verdacht echtpaar van hun bed lichten:

‘De vraag die hij had willen stellen – welk antwoord ook op de vraag was gekomen, de arrestatie had toch plaatsgevonden, maar het was zijn plicht dergelijke vragen te stellen – had hij niet kunnen afmaken, aangezien een van de verdachte individuen reikte naar iets wat op het nachtkastje lag, vermoedelijk een wapen.

Op dat moment begon de korporaal te schieten.

Hij schoot alsof het de eerste keer was dat hij dat deed. Hij leek er niet mee te kunnen stoppen.

De majoor had niet gezien dat de korporaal zijn vinger aan de trekker had. Hij zei altijd tegen zijn mannen: “Zet je vinger pas aan de trekker als het noodzakelijk is. Niet eerder.”
Te vroeg schieten was net zo gevaarlijk als te laat schieten.

“Stop!” had de majoor geroepen. “Stop! Idioot!”’

Dat ‘vermoedelijk een wapen’ staat er om de lezer geheel ten overvloede uit te leggen waarom die korporaal begint te schieten. En bij het woordje ‘vermoedelijk’ denk je al meteen: er zal wel een bril op dat nachtkastje liggen. En inderdaad. Hoe je met drie woorden alles kunt weggeven. En dat hele stuk vanaf ‘De majoor had niet gezien dat…’ tot en met ‘… te laat schieten’ kun je doorstrepen. Waar is zulk oponthoud goed voor? Nergens voor, maar Grunbergs werk staat er vol mee. Eveneens uit Onze oom: ‘Ze hadden alvast een commode neergezet, en die commode stond er nog steeds, als teken van gefnuikte hoop.’ Wég met die gefnuikte hoop, laat mij er zelf maar achterkomen waarom dat ding daar staat. ‘Hij knipoogde naar het kind om haar in de samenzwering te betrekken, om haar duidelijk te maken dat niemand minder dan zij de verrassing was.’ Alsof ik niet begrijp waartoe een knipoog dient. ‘Zijn stem sloeg over van de spanning.’ Waarvan anders? ‘Hij masseerde voorzichtig zijn nek zonder dat daar een reden voor was. Hij had geen last van zijn nek. Hij deed het om iets te doen te hebben.’ Enzovoort. Hele alinea’s sneuvelen als je bij Grunberg de overbodige toelichtingen en de nodeloze herhalingen doorstreept.

Als je Grunberg een beetje aandachtig leest, valt het ook op hoe weinig kunstgrepen hij tot zijn beschikking heeft. Men lette voor de aardigheid eens op hoe dikwijls hij met natte nekken, bezwete voorhoofden en plakkerige handen komt aanzetten ter aanduiding van de zenuwachtigheid van zijn hoofdpersonages. Of op hoe vaak hij ze midden in een dialoog terloops aan een pukkel of wondje doet krabben. Of op de eigenaardigheid dat bij hem iedereen op vrijwel dezelfde toon spreekt met vrijwel hetzelfde woordgebruik. (In Onze oom, dat uit verschillende perspectieven wordt verteld, denkt iedereen zelfs hetzelfde.) Of op de uitdrukking ‘een tikkeltje’, die bij Grunberg zó vaak voorkomt dat je hem alleen daaraan al in Marek van der Jagt kunt herkennen.

Ik begrijp best dat de doorsnee lezer eenvoudigweg negeert wat hij niet kan gebruiken. Bij Grunberg houd je dan heel aardige dingen over. Maar critici zouden ieder woord moeten wegen. Waarom zijn zij, op iemand als Goedkoop na, tot dusver zo mild voor Grunberg geweest? Dat het slordig geschreven Onze oom hier en daar slecht is ontvangen, doet aan die vraag niets af: ook op Grunbergs vroegere werk viel heel wat af te dingen. Is hun behoefte aan een literaire held zo groot dat de critici speciaal voor hem de standaard hebben verlaagd?
Heus, bij Reve en Hermans viel er niet zo veel te schrappen. Die deden dat zelf.