Claims

CLAIMS

In Texas is het farmaceutische bedrijf Merck veroordeeld tot het betalen van 24 miljoen dollar smartengeld, verhoogd met bijna het tienvoudige daarvan aan «punitive damages». Dat bedrag moet het leed en «verlies aan kameraadschap» compenseren van Carol Ernst, wier man door het gebruik van de pijnstiller Vioxx zou zijn overleden. Onwillekeurig vraag je je af hoe de rechtbank tot die becijfering gekomen is. Ze steekt wrang af tegen een medische praktijk waarin mensen overlijden omdat zij de paar duizend dollar voor een operatie niet bij elkaar weten te schrapen.

Misschien is Merck schuldig aan criminele nalatigheid, maar dit vonnis in een civiele rechtszaak geeft te denken. Die laatste lijkt het strafrecht steeds meer te gaan vervangen, in een ogenschijnlijke wending tot hogere gerechtigheid, waarin het slachtoffer eindelijk reële baat heeft bij het vonnis. In werkelijkheid dreigt de verbreiding ervan niet alleen het economische leven, maar ook het maatschappelijk geluk eerder te ondermijnen. Ze verheft het eisende individu tot de norm van een samenleving die steeds minder lijkt te begrijpen van haar eigen fatsoen.

Het dragende sentiment van deze gerechtelijke acties is het wantrouwen, dat in principe geen grenzen kent. Het kwaad kan zich overal manifesteren: daarover waren de moralisten van alle tijden het altijd al eens. Maar in zijn onbegrijpelijkheid leek het vanouds zowel de dader als zijn rechter te boven te gaan. Terwijl de één bezeten of verleid heette te zijn, vonniste de ander uit naam van het even transcendente principe van God en later de Staat.

Pas het moderne individualisme kon de misstap geheel en al aan de autonome wil van de dader toeschrijven en het civiele claimrecht zag daarmee zijn kansen schoon. Geen twijfel kon meer kieren tussen handeling en aansprakelijkheid, want een soevereine wil kent niet de troebelheid waartegenover het strafrecht nog wel eens genadig wilde zijn.

Voor het claimrecht werkte die logica snel ook andersom. Niet alleen de wil was verantwoordelijk voor het door hem aangerichte kwaad. Iedere catastrofe werd van de weeromstuit veroorzaakt geacht door een wil, die zelfs niet kwaad hoefde te zijn om toch aansprakelijk te blijven. Dat sloot naadloos aan op de illusie van een beheersbare wereld, want wat anders dan opzet kon de bron zijn van een kwaad dat ontegenzeglijk aan menselijk handelen ontsprong?

Voor het civiele recht kon iemand daarmee schuldig worden zonder dat in crimineel of zelfs moreel opzicht te zijn. Ironisch genoeg werd «schuld» daarmee weer de oude economische categorie waaraan het begrip ooit was ontsprongen. «Oog om oog, tand om tand» was ooit een economisch quitte-beginsel, dat het kon stellen zonder de vraag naar de kwaad willige intentie, waaraan wij iemands morele gehalte afmeten. Maar terwijl dat oudtestamentische beginsel nog overhuifd werd door een hemels baldakijn waarin de wil van God en het toeval elkaar in onberekenbaarheid in evenwicht hielden, heeft het claimrecht het toeval buiten bedrijf gesteld. Het negeert het menselijk ongemak, te moeten handelen in een onoverzichtelijke werkelijkheid, waarin zowel de gevolgen als de beweegredenen van de handeling ongewis zijn. Wie weet ooit precies wat hij doet en waarheen zijn daden zullen leiden?

Onverantwoordelijk handelen bestaat en het is aan het strafrecht daarover in ernstige gevallen een sanctie uit te spreken. Milder dan het claimrecht, houdt het nog altijd rekening met de ongewisheden daarin en behoudt daarin een open oog voor de mogelijkheid van een catastrofe zonder schuld: uit toeval, onvoorzienbare omstandigheden of men selijke beperktheid. Het civiele recht kan radicaler zijn en is daarom zoveel geschikter voor een wraakzucht die zich oudtestamentisch schadeloos gesteld wil zien. Het presenteert zich als mede dogende gerechtigheid voor het slachtoffer – en offert aan zijn cynisme een hele samenleving op, die zich vanaf nu in al haar handelingen ongenadig beoordeeld weet.

Op termijn tast de verkramping daarvan iedere menselijke verhouding aan. De dreiging van de claim leidt tot een vermijding van iedere mogelijke aansprakelijkheid, die des te kleiner wordt naarmate men minder doet. Iedere handeling vormt een risico, waarvan het tragische karakter systematisch wordt opgeofferd aan de illusie van de wil, die moreel niet schuldig hoeft te zijn om dat altijd al financieel te zijn.

De onbarmhartigheid van deze berekening spoort slechts met een samenleving die zichzelf als een financiële winst-en-verliesrekening ziet, met het individu als enige vennoot. Het maatschappelijk leven wordt daarmee een toneel van crediteuren-debiteuren, waarin ieder individu er voortdurend voor moet waken geen dupe te worden van de aanspraak of de aansprakelijkheid van de ander, want ook een gemiste claim geldt daarin als een verliespost.

Juridisering van de samenleving valt daarmee uiteindelijk samen met een verzakelijking waarvan het fatsoen het grootste slachtoffer is. Dat laatste leeft immers van de vergevingsgezindheid die bereid is te onderkennen dat niet iedere schuld inbaar en niet ieder verwijt uitspreekbaar kan en hoort te zijn. Het onderkent de tragische nevel van ongewisheid waarin iedere handeling een tasten is als in een donkere spiegel. En het weet dat ieder geluk afhangt van de omzichtigheid waarmee die marge van het pardon wordt geëerbiedigd: individueel en collectief – die door de eis van restloze compensatie gemakkelijk en onherstelbaar wordt verscheurd.