(28 november 1908 – 31 oktober 2009)

Claude Lévi-Strauss

De Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss lapte bij zijn beschouwingen over volkeren en hun mythes en culturen alle wetten van de wetenschap aan zijn laars. Hij is niet dood.

ZIJN LAATSTE twee boeken (uit 1994 en 1996) bevatten herinneringen aan Brazilië, waar hij tussen 1934 en 1939 woonde: brieven, foto’s, kleine beschouwingen. Saudades heten ze. Het laatste wat ik van hem las was Regarder, Écouter, Lire (1993). Ik kocht dit kleine boek uit schaamte, omdat hij voorgoed uit mijn blikveld verdwenen leek. Zo kun je niet omgaan met je oude vrienden, besefte ik ineens. Ik stelde me hem voor hoe hij het als ruim tachtigjarige schreef, in een reusachtige privé-bibliotheek waarin ook zijn verzameling mythes uit alle windstreken was ondergebracht, vast en zeker in meer dan vierhonderd volgestouwde ladenkasten waar hij af en toe uit gewoonte liefdevol in bladerde. Zachte muziek op de achtergrond – in een interview vertelde hij dat hij naar muziek luisterde wanneer hij schreef: Wagner, Strawinsky, Rameau. In mijn fantasie is hij altijd een ongelooflijk geleerde tovenaar en ik hoop me hem zo te blijven herinneren.
De eerste zin van dit boekje is al direct te lezen als een samenvatting van zijn werk over mythes, zonder dat hij het met zoveel woorden zegt. Hij stelt dat Proust de beschrijving van de gefingeerde sonate van de niet bestaande componist Vinteuil samenstelde uit zijn eigen indrukken van werk van Schubert, Wagner, Franck, Saint-Saëns en Fauré. Vinteuils werk is daar dus niet een samenvatting van, het is een nieuwe variant. Het vervangt dit werk niet maar breidt het uit. En precies dit geldt voor mythes, er bestaat niet een oermythe die ten grondslag ligt aan mythes, maar iedere mythe is een variant. De freudiaanse interpretatie van de Oedipus-mythe is dus niet de oerversie maar een van de vele versies die aan het bestaande corpus van de Oedipus-varianten moet worden toegevoegd. En ook interpretaties van mythes horen tot de mythes. En zo zal de korte herdenking van Lévi-Strauss die ik nu schrijf gaan horen tot de vele mythes die we elkaar over zijn leven en werk zullen vertellen.
Natuurlijk was hij helemaal geen tovenaar, maar een specialist die zich eerder thuis voelde bij de encyclopedische wetenschapsopvatting van de negentiende eeuw dan bij zijn modernere vakgenoten. Hij was een nomadische verzamelaar, een verzamelaar van mythes, die hij aan elkaar knoopte, zoals leden van een ‘primitieve’ gemeenschap hun visnetten volgens steeds dezelfde onderliggende principes aan elkaar knopen, terwijl die netten toch per gemeenschap en per cultuur verschillend zijn. Hij werkte net zo makkelijk met methodes die typerend zijn voor wat hij omschreef als ‘het wilde denken’ als met ‘rationele’ methodes die typerend zijn voor de westerse wetenschapper. Hij was een scharrelaar, een ‘bricoleur’ van mythes, een sjamaan, en tegelijkertijd een westerse rationalist. Structuralist en sjamaan, zo ga ik hem herdenken.
Wie zijn grote werken over mythes (verzameld in vier delen Mythologiques) wil volgen, moet van veel markten thuis zijn. Hij moet over grote kennis beschikken van de moderne linguïstiek, vooral van de fonologie, en van etnologie, en daar is weinig toverachtigs aan. Bovendien moet hij de bereidheid tonen de soms onnavolgbare relaties die Lévi-Strauss legde tussen duizenden kilometers van elkaar af liggende culturen te willen aanvaarden. Hij moet ze voor zoete koek slikken, zo kun je het ook zeggen. Ik herinner me nog goed de verrassingen waar ik voor kwam te staan toen ik ergens eind jaren zeventig Le cru et le cuit (1964) in de Engelse vertaling las, niet omdat ik mytholoog wilde worden, wel schrijver, dat was mijn ideaal en dus moest ik alles over mythes weten, dacht ik toen. Wat hij allemaal aan elkaar wist te praten, grensde aan het ongelooflijke, het ene onnavolgbare schema na het andere toverde hij voor ogen, alles bleek met alles samen te hangen en ik kreeg meer en meer het gevoel dat hij zijn uitgangspunten, zoals het overigens een encyclopedist past, alleen wilde bevestigen en niet weerleggen. De sjamaan nam het steeds meer over van de rationalist, zal ik maar zeggen. Juist hierom werd hij me dierbaar, deze voorvechter van het structuralisme en het rationalisme die tegelijkertijd alle wetten van de wetenschap aan zijn laars lapte en doodgewoon zijn eigen neus achterna ging. Deze tegenstelling die zijn hele werk doortrekt, stelde hem in staat de schitterendste boeken te schrijven, in een stijl die altijd op zoek was naar de scherpste formulering – bij hem verveel je je niet – en die nog altijd zo fris is als een hoentje. Ik begon stiekem te denken dat zijn werk gelezen moet worden als een geweldige en zeer specifieke vorm van documentaire romankunst, zoals je ook het werk van Freud kunt lezen, misschien zelfs zou moeten lezen.
En lachen kun je er ook mee, Lévi-Strauss werkt(e) regelmatig met beproefde middelen uit de wereld van de droogkomiek, soms ook bij zijn publieke optreden. Er bestaat een foto van de uitreiking van de Erasmusprijs waarop hij met zeer strakke kop te zien is tussen koningin Juliana en toen nog prinses Beatrix. Ik kan er niks aan doen, dit werkt bij mij geweldig op de lachspieren. En wat heb ik gelachen om de eerste zin van zijn meesterwerk Het trieste der tropen (1955, ik citeer de vertaling, 1962): ‘Ik heb een hekel aan reizen en ontdekkingsreizigers.’ Dan volgt een lijvig boek dat niets anders bevat dan treurig stemmende en zelfhatende verslagen van zijn eigen reizen en ‘ontdekkingen’.
Over ironie gesproken. In dit boek geen eurocentristische machobeschrijvingen van ‘verloren gegane’ beschavingen in Zuid-Amerika, maar melancholieke en precieze beschrijvingen en beschouwingen over volkeren en hun mythes en culturen. Plus snijdende commentaren op de gezelschappen waarin hij verkeerde. ‘Zo schenen mijn vrienden zich plotseling als Soedanese of Marokkaanse bazaarbezitters, als goede koloniale ambtenaren te gedragen, hetgeen zij trouwens beter hadden kunnen worden.’
Wat een schitterende roman, Claude Lévi-Strauss is niet dood.