Clinton in china

Het staatsbezoek van Bill Clinton aan China wordt door zijn woordvoerders nu al even ‘historisch’ genoemd als het bezoek van Richard Nixon in 1972. Die constatering is maar gedeeltelijk juist. Clintons bezoek luidt een nieuwe etappe in van de toenadering die onder Nixon begon. De ping-pongdiplomatie resulteerde in een spoedig einde van de Vietnam-oorlog, de intrede van de Volksrepubliek China in de Veiligheidsraad en een strategische samenwerking waardoor China eind jaren zeventig, na het aantreden van Deng Xiaoping, een stille bondgenoot van de Amerikanen in Azië werd. Begin jaren negentig nam ook de economische samenwerking met sprongen toe dankzij de inspanningen van president (en oud-ambassadeur in Beijing) George Bush en zijn entourage van pro-Chinese zakenlieden en bedrijfsconsulenten.

Als kersverse president dreigde Clinton aanvankelijk roet in het eten te gooien. In zijn campagne van 1992 had hij beloofd om de handelsrelatie afhankelijk te maken van de Chinese vorderingen op het gebied van de mensenrechten. Hij liet zich echter snel inpakken door de China-lobby in Washington, die naarstig hielp om zijn campagnekas te spekken. In 1994 besloot Clinton om handel en mensenrechten dan maar te ‘ontkoppelen’. Zijn belangrijkste argument luidde dat sancties geen adequaat middel waren om de Chinese overheid tot een humaner beleid te dwingen.
In werkelijkheid werden de mensenrechten naar het tweede plan gedegradeerd. Het bedrijfsleven is nu eenmaal minder geïnteresseerd in mensenrechten dan in de fast bucks die het kan verdienen op de chaotisch groeiende Chinese markt met zijn nauwelijks door sociale wetgeving beschermde werknemers.
Hoe hypocriet deze 'ontkoppeling’ was, bleek enkele jaren later toen Washington toch weer handelssancties tegen China afkondigde omdat Chinese bedrijven zich bezondigden aan het illegaal kopiëren van Amerikaanse cd’s, films, video’s en software voor computers. Nu werd het sanctiemiddel opeens wel effectief geacht, en terecht, want Beijing ging door de knieën en nam onmiddellijk maatregelen.
Om Clintons bezoek te beoordelen, schrijft de New York Times, moet je minder kijken naar wat hij doet dan naar wat hij niet doet. Hij gedraagt zich niet als de leider van een handelsdelegatie. Hij voert geen informele gesprekken met economische topfunctionarissen en bezoekt geen fabrieken. Hij zegde zelfs een bezoek aan de General Motors-fabriek in Shanghai af om elke schijn te vermijden dat hij op handelsmissie is. De handel tussen de twee landen leidt namelijk allang een eigen leven.
China is na Japan de tweede handelspartner van de Amerikanen in Azië. Amerikaanse bedrijven hebben inmiddels 36 miljard dollar in China geïnvesteerd - acht maal meer dan in 1989. Ruim de helft van de 'Fortune 500’ (de vijfhonderd grootste Amerikaanse bedrijven) heeft een substantiële investering in China uitstaan. De Amerikaanse managers die dezer dagen nog eens voor anderhalf miljard dollar aan contracten met Chinese partners tekenen, kunnen het heel goed zonder de diplomatieke steun van hun staatshoofden stellen.
De toegevoegde waarde van het bezoek ligt geheel in de sfeer van de public relations. In zijn televisiedebat met president Jiang Zemin en in zijn redevoering op de universiteit van Beijing legde de Amerikaanse president de nadruk op het belang van de mensenrechten. Maar hij beperkte zich tot algemene beschouwingen en maakte geen woord vuil aan de provocerende arrestatie van aan aantal dissidenten vlak voor zijn aankomst. Zijn programma is zo samengesteld dat geen enkele dissident zijn pad kruist, zelfs niet de afgezette partijvoorzitter Zhao Ziyang die het in 1989 voor de demonstrerende studenten opnam. Zulke incidenten zouden maar afleiden van de hoofdzaak, namelijk goede relaties met een 'stabiel en open China’, zoals Clinton telkens weer benadrukt. Dat is de ware boodschap die hij overbrengt. De mensenrechten zijn een zuiver retorisch thema geworden, de 'ontkoppeling’ is voltooid.