Clintons haiti-dilemma

Amerika heeft een rijke traditie van invasies in de Cariben en Midden-Amerika, maar nooit vertoond is een militaire interventie om een linkse president weer in het zadel te helpen. Zal dat nu gaan gebeuren?

SINDS AFGELOPEN zondag staat het licht op groen voor een Amerikaanse invasie in Haiti. De VN-Veiligheidsraad gaf zijn zegen en de kern van een potentiele invasiemacht deed een ‘algemene repetitie’ op een eilandje bij Puerto Rico. 'Wij zijn klaar voor de actie’, zei de commandant na afloop. Maar is Clinton dat ook?
De Amerikaanse president heeft andere katten te geselen. De apocalyptische tv-beelden uit Ruanda dwongen hem een troepenmacht naar Afrika te sturen. Het gevaar van een heropleving van de oorlog in Bosnie eist zijn aandacht op. In het Congres wordt het Whitewater-schandaal weer opgerakeld. En de strijd over zijn stokpaardje, de hervorming van de gezondheidszorg, is in een beslissende fase. Het moment is allesbehalve geschikt voor een ontknoping van de Haitiaanse crisis. Maar de geest is uit de fles. Alleen al om zijn reeds gehavende geloofwaardigheid te redden is Clinton verplicht om de Haitiaanse impasse op de een of andere manier te doorbreken.
Dat wil niet zeggen dat de invasie er zeker komt. Voorlopig hoopt Washington de klus te kunnen klaren met psychologische oorlogsvoering. Clinton had de toestemming van de Veiligheidsraad niet nodig om Haiti binnen te vallen - al is het wel de eerste keer dat Amerika iemands mening vraagt alvorens in zijn eigen hemisfeer een militaire actie te ondernemen - en hij zou de resolutie zeker niet in stemming hebben gebracht als de goedkeuring niet op voorhand vaststond. Belangrijk is vooral dat de VN-resolutie de herinnering oproept aan een soortgelijke resolutie voor de Golfoorlog, en dit zou de Haitiaanse machthebbers moeten overtuigen van het feit dat de president het meent en dat het hoog tijd wordt om de witte vlag te hijsen.
Maar wat als de junta dat koppig blijft weigeren? Is een invasie dan onafwendbaar? Enkele weken geleden nog leek bijna iedereen in Washington ervan overtuigd dat de invasie niet alleen onafwendbaar was maar ook zeer spoedig zou plaatsvinden. Niet omdat het herstel van de Haitiaanse democratie Washington zo na aan het hart ligt, maar louter wegens binnenlandse redenen. Onder druk van zijn linkerzijde en vooral van de zwarte congresleden die hij van zich had vervreemd tijdens de debatten over Nafta en de bijstandshervorming, had Clinton het embargo tegen Haiti verscherpt en een einde gemaakt aan Bush’ beleid om de bootvluchtelingen zonder meer naar Haiti terug te sturen. Die stappen leidden tot een grote stijging van het aantal bootvluchtelingen. Om een botsing te vermijden met zijn rechterflank en de politiek machtige staat Florida, besloot Clinton om de vluchtelingen buiten de Verenigde Staten te houden en ze onder te brengen in kampen in de Amerikaanse militaire basis van Guantanamo, Cuba en in andere Caribische landen. Maar het zag er naar uit dat het embargo de armoede in Haiti zo ondraaglijk zou maken dat de exodus steeds massaler zou worden en de kampen spoedig een verzadigingspunt zouden bereiken. En dan zou Clinton geen keuze meer hebben: het embargo afschaffen of terugkeren naar de vluchtelingenpolitiek van Bush zou enorm gezichtsverlies betekenen; de vluchtelingen in de Verenigde Staten zelf herbergen zou een binnenlandse politieke storm verwekken en nog meer Haitianen aanzetten om te vluchten. Een invasie zou dan zijn enige optie zijn.
TOT ZOVER DE conventional wisdom van enkele weken geleden. De redenering bleek echter een zwakke schakel te bevatten: de veronderstelling dat het embargo de stroom boot vluchtelingen steeds groter zou maken. In de eerste week van juli pikte de Amerikaanse kustwacht 12.345 bootvluchtelingen op. In de derde week van juli was hun aantal gedaald tot 216. Kwam dat door het slechte weer? Maar ook toen de zee weer kalm werd, bleef de verwachte exodus uit. Zelfs de regering in Washington leek verrast. Maar het effect was snel voelbaar: het sabelgeratel in Washington verstomde en de mediacampagne die het State Department begin juli had gelanceerd over de toegenomen terreur in Haiti viel plots stil. 'Als je Washington moet geloven dan flakkerde de terreur op 3 juli plots op en verminderde ze dramatisch op 17 juli’, zo zei een waarnemer van een mensenrechtenorganisatie in Haiti tegen de Washington Post. 'In werkelijkheid is de mensenrechtensituatie hier in de laatste drie maanden dezelfde gebleven: verschrikkelijk. Het enige wat veranderde was het standpunt van de Amerikaanse regering. Begin juli gebruikte ze de terreur als argument voor een eventuele invasie, nu vindt ze dat niet meer nodig.’
Volgens de Amerikaanse ambassadewoordvoerder in Port-au- Prince is de laatste bocht in Clintons vluchtelingenpolitiek - de beslissing om de vluchtelingen in kampen buiten de Verenigde Staten te houden - de reden waarom de exodus zo drastisch is verminderd. Toch blijft zo'n zeventig procent van de vluchtelingen liever in de kampen dan dat ze terugkeren naar Haiti. 'Ik heb de boot genomen omdat er niets goeds meer is in Haiti’, zei een 23-jarige vluchteling in Guantanamo. 'Er is geen werk, geen vrijheid, geen eten. Ik ga nog liever dood dan terug te gaan naar Haiti, want daar leefden we eigenlijk ook niet meer.’ Het besef dat ze niet tot Amerika zelf zullen worden toegelaten, kan dus niet de enige reden zijn waarom er bijna geen Haitianen meer vluchten.
Reporters in Haiti zeggen dat de oorzaken van het opdrogen van de vluchtelingenstroom dezelfde zijn als die de exodus in gang zetten: armoede en terreur. De armoede in Haiti is nu zo extreem geworden dat de meeste kandidaat-vluchtelingen het geld om een plaats op een boot te kopen niet meer kunnen opbrengen. Een visser legde uit dat het hem nu zo'n f 6,50 kost in plaats van een gulden om naar de hoofdstad te reizen om zijn waren te verkopen, omdat de benzineprijs door het embargo is gestegen. En op de markt krijgt hij nog maar f 4,50 voor een pond kreeft, in plaats van f 7,30. 'Niemand heeft nog geld’, klaagde de man. 'Het is onmogelijk om weg te gaan en onmogelijk om te blijven.’
De Haitiaanse militairen die slim genoeg zijn om te beseffen dat de vluchtelingenstroom hun ergste vijand is, hebben de terreur opgedreven in Leogane en andere vissersdorpen waar de bootvluchtelingen vertrekken. Mensen die ervan worden verdacht bootreizen te organiseren, worden aangehouden en gefolterd. Boten worden verbrand. Een volle boot werd op zee beschoten, waardoor paniek ontstond en bijna tweehonderd mensen verdronken.
VOLGENS DE WASHINGTON Post is het vluchtelingenprobleem als directe aanleiding voor een invasie verdwenen en is een militaire interventie voor eind augustus onwaarschijnlijk geworden. Voor de Clinton-regering betekent dit slechts tijdwinst - het Haitiaanse dilemma zal niet vanzelf verdwijnen. De gemakkelijkste en goedkoopste oplossing zou natuurlijk zijn als het triumviraat van het militaire regime - Cedras, Francois en Biamby - de plaat zou poetsen. Dat blijft een mogelijkheid. De drie machthebbers ontkennen natuurlijk dat ze onder geen beding het land zullen verlaten - maar Baby Doc Duvalier deed dat ook, tot op de dag van zijn vertrek. De Amerikaanse regering zegt niet te onderhandelen met de junta, maar naar verluidt werd de drie kopstukken een vet pensioen en een veilig asiel beloofd in Frankrijk of Spanje. Voorlopig wil de vis niet bijten.
De Amerikanen exploreerden ook de mogelijkheid van een paleiscoup. Ze zouden geprobeerd hebben Biamby, de stafchef van het leger, tegen zijn twee kornuiten uit te spelen. Zonder succes; Biamby is Cedras dankbaar omdat die hem na de coup tegen president Aristide weer opviste en stafchef maakte. Biamby was in 1988 betrokken bij een mislukte coup. Hij vluchtte naar de Verenigde Staten en werd er acht maanden opgesloten in een gevangenis voor illegale immigranten, waar hij een forse Amerika-haat aan over hield. Biamby is samen met Francois de man achter de FRAPH en de zogenaamde attaches, de nieuwste reincarnatie van de Tonton Macoutes, de terreurgroep van het Duvalier-regime.
Volgens een zakenman die bevriend is met de Haitiaanse generaals geloven de juntaleden nog altijd dat Washington bluft, dat de invasie er nooit zal komen. Het laat zich makkelijk raden waarom. De Verenigde Staten hebben een rijke traditie van invasies in de Cariben en Midden-Amerika, maar nooit ondernam Washington een militaire interventie om een linkse en anti-Amerikaans klinkende president weer in het zadel te helpen. Integendeel. De generaals geloven dus niet dat Washingtons oppositie tegen hun regime erg diep zit.
Washington heeft bovendien Aristide altijd flink dwarsgezeten, terwijl men prettige relaties onderhield met de militaire leiders. Toen Aristide in 1991 het minimumloon wou verhogen van f 0,43 naar f 0,70 per uur, gaf het Amerikaanse Agentschap voor Ontwikkelingshulp (AID) een subsidie van 26 miljoen dollar aan een organisatie van bedrijfsgroepen om de politiek van de Haitiaanse president in de wielen te rijden. Intussen betaalde de CIA een loon aan Cedras en andere generaals, zogenaamd in ruil voor informatie over drugssmokkel, waarin diezelfde generaals tot over hun oren zaten. Cedras en Francois werden zelfs door drugsbaron Pablo Escobar in Colombia onthaald op een feestje nadat hij dertig ton cocaine via Haiti naar Amerika had geloodst. De CIA gaf ook jaarlijks een miljoen dollar aan de Service Intelligence National, waarvan iedereen wist dat haar nominale taak, de bestrijding van de drugssmokkel, slechts een facade was. De SIN smokkelde zelf drugs en hield zich voor de rest onledig met politieke terreur. Het stond de goede relaties met de CIA niet in de weg.
Ook het Pentagon onderhield goede contacten met de Haitiaanse legertop. Francois en vele andere Haitiaanse officieren werden getraind in de US Army School of the Americas in Fort Benning. Onder de gediplomeerden bevonden zich Noriega, Hugo Banzer (ex-despoot van Bolivia), d'Aubuisson (leider van de Salvadoriaanse doodseskaders). Ook drie kwart van de Salvadoriaanse militiaren die betrokken waren bij afslachtingen van burgers, leerden er de kneepjes van het vak.
En na de staatsgreep tegen Aristide bleven de CIA en het Pentagon de verkozen president van Haiti tegenwerken. De CIA hielp mee aan de op leugens van Cedras en zijn trawanten gebaseerde lastercampagne tegen Aristide. Het Pentagon keerde zich tegen elke steun aan Aristide. Walter Slocombe, de adjunct-defensieminister, zei ooit dat de regering nooit het leven van Amerikaanse soldaten zou riskeren om 'die psychopaat’ (Aristide) weer aan de macht te helpen. Het was op Slocombe’s aandringen dat Washington in oktober vorig jaar een contingent Amerikaanse militaire trainers terugtrok, nadat ze in Port-au-Prince waren gestoten op een handjevol anti-Aristidebetogers. Die gemakkelijke overwinning was voor de Haitiaanse militairen het duidelijkste signaal dat Clinton geen invasie zou riskeren voor Aristide.
Er waren meer signalen die op die manier konden worden geinterpreteerd: de beweringen van de Amerikaanse ambassade in Haiti dat de rapporten van mensenrechtenorganisaties en journalisten over de terreur erg overdreven waren, de kritiek van Amerikaanse regeringswoordvoerders op Aristide en - bovenal - de oppositie in het Congres tegen een eventuele invasie. Het verzet komt niet alleen van de Republikeinen die tegen een militaire interventie in Haiti zijn maar ook van vooraanstaande Democraten zoals de invloedrijke senator Sam Nunn. Zelfs sommige zwarte congresleden die nochtans het actiefst waren in hun steun aan Aristide, betwijfelen of een invasie wel zo'n goed idee is. Overigens heeft nog geen enkele prominente Haitiaanse leider zich ondubbelzinnig voor een invasie uitgesproken. Een meerderheid van de Haitiaanse parlementsleden is tegen en zelfs Aristide heeft er niet duidelijk om gevraagd, al laat hij tussen de regels wel blijken dat hij dat wil.
DE HAITIAANSE JUNTA heeft dus redenen om te geloven dat de invasie zal uitblijven, zeker als ze er in slaagt om het aantal bootvluchtelingen laag te houden. De machthebbers weten dat de Verenigde Staten hun vingers hebben gebrand in Somalie en geen trek meer hebben in buitenlandse militaire avonturen, tenzij het 'echt nodig’ is. Maar ze ziet de Amerikaanse regering nog geen aanstalten maken om de publieke opinie ervan te overtuigen dat een interventie in Haiti 'echt nodig’ is.
Om de drempel voor een invasie te verhogen hebben de militairen de terreur in Haiti aangescherpt. Op het eerste gezicht lijken ze daarmee in eigen vlees te snijden, want met elke terreurdaad bevestigen ze de argumenten van hun tegenstanders. Maar tegelijk intimideert de terreur de bevolking zodanig dat er geen betogingen en stakingen op gang komen zoals in 1986, waardoor het vertrek van Baby Doc Duvalier werd bespoedigd. En bovendien zet de junta zo voor Amerikaanse tv-kijkers de gevaren in de verf van een interventie in dit 'land van wilden’. In dat kader heeft de door de junta aangestelde president Jonassaint de eventuele invasiemacht ook bedreigd met voodoo-toverkunsten en een leger van zombies.
Maar zelfs als de junta juist zou gokken wat betreft de invasie, is het nog de vraag of ze het embargo kan overleven. Hoewel dat embargo lang niet waterdicht is en het voor de militairen en hun handlangers zelfs nieuwe mogelijkheden creeert voor woekerwinsten door smokkel, dreigt het toch het gras voor hun laarzen weg te maaien. Een embargo is een bot wapen. Het treft arm en rijk, en arm het hardst. Maar omdat het de hele economie verarmt, blijft er voor de elite en de militairen steeds minder over om uit te persen. Bovendien laten de drugsbarons Haiti sedert het embargo links liggen. De militairen verliezen hierdoor hun drugsinkomsten, die worden geschat op 100 miljoen dollar per jaar.
DE JUNTA KLAMPT zich wellicht vast aan de hoop dat, als ze het maar lang genoeg uithoudt, de invasieplannen door congresoppositie op de lange baan worden geschoven en de gevolgen van het embargo zulke hartverscheurende tv-beelden zullen opleveren dat het om humanitaire redenen zal worden stopgezet.
Maar het zou ook kunnen dat de junta Clintons wil om militaire middelen te gebruiken onderschat. Zoals ex-minister van Buitenlandse Zaken Baker onlangs nog suggereerde, zou een geslaagde militaire interventie wonderen doen voor Clintons geloofwaardigheid. Zijn dreigementen, tegen de Bosnische Serviers bijvoorbeeld, zouden meteen een stuk ernstiger worden genomen. En de binnenlandse oppositie zou misschien best meevallen als Clinton het Congres voor voldongen feiten zou plaatsen.
Weinig congresleden durven het aan om een president tijdens een militaire actie aan te vallen, uit vrees 'onpatriottisch’ over te ko men. Als de operatie goed afloopt, zou Clintons binnenlandse populariteit omhoog kunnen schieten. Wat de president wellicht doet aarzelen, is niet het risico van een invasie zelf - de klus zou volgens militaire experts in enkele uren kunnen worden geklaard - maar de risico’s van de nasleep. Het oprollen van het netwerk van terreur op het platteland is immers een veel ingewikkelder en moeizamer karwei dan het neutraliseren van het Haitiaanse legertje. Na de bevrijding zouden vele Aristide-aanhangers ongetwijfeld wraak willen nemen. Dat zou de vorm kunnen aannemen van een wrede contraterreur, waarvoor de Amerikanen dan medeverantwoordelijk zouden lijken. De militairen en hun trawanten zouden intussen ook niet stil zitten. Ze hebben naar verluidt grote wapendepots aangelegd op het platteland om een guerrilla-oorlog te kunnen voeren tegen Aristide en zijn buitenlandse beschermers. Als de Amerikanen te snel zouden vertrekken, zou er een burgeroorlog kunnen uitbreken. De grote vrees in Washington is een herhaling van het Somalie-scenario: een interventie met een mooi begin maar een slechte afloop. De laatste Amerikaanse militairen staan op het punt uit Somalie te vertrekken en de burgeroorlog laait er weer op.
Maar blijven ze te lang, dan zal hun aanwezigheid meer en meer op een bezetting gaan lijken. In 1915 leidde een Amerikaanse invasie van Haiti tot een bezetting gedurende negentien jaar, maar in zoiets heeft Washington nu absoluut geen trek. Economisch is het sop de kool niet waard. Het zou slechts onwelkome herinneringen oprakelen aan de periode dat de Amerikanen Haiti raciale segregatie en dwangarbeid oplegden.
Bovendien zal dat het probleem waar het voor Amerika allemaal om draait, de exodus van bootvluchtelingen naar Amerikaanse kusten, waarschijnlijk niet oplossen. Haiti zal ook na een eventuele invasie door extreme armoede en politiek geweld geplaagd blijven, en velen zullen blijven dromen van een nieuw leven in Amerika.
Mogelijk zal Clinton alleen een invasie riskeren als de invasiemacht zeer snel wordt afgelost door een door de Verenigde Naties gesanctioneerde multinationale vredesmacht. Washington zegt dat het hiervoor voldoende toezeggingen heeft gekregen van andere landen, maar alleen Argentinie heeft zich openlijk bereid verklaard om deel te nemen. Bijna alle andere Amerikaanse staten zijn tegen een invasie. Achter de schermen kunnen er ongetwijfeld wel enkele met de nodige druk tot andere gedachten worden gebracht. Maar hoe dan ook zal die vredesmacht sterk genoeg moeten zijn om de explosieve spanningen in Haiti in bedwang te houden, zodat de Amerikanen niet opnieuw in de bres moeten springen - want een tweede interventie in Haiti zou zeker nog minder populair zijn dan een eerste.