Clintons oorlog tegen wil en dank

Keer op keer worden voorstellen tot VN-optreden op het wereldtoneel gesmoord in het Amerikaanse veto. Bill Clintons buitenlandse politiek zigzagt naar een nieuw isolationisme. En naar honderden wereldoorlogen.

NEW YORK - Te oordelen naar de tijd die het tv-journaal eraan besteedt, zijn de billen van een Amerikaanse tiener honderd keer belangrijker dan de levens van tweehonderdduizend Afrikanen. Die billen behoren toe aan Michael Faye, die er in Singapore vier stokslagen op kreeg wegens vandalisme. Zowel Clinton als ex-president Bush hadden Singapore herhaaldelijk verzocht de jongen genade te verlenen en in heel het land werden petities verzameld. De straf was het onderwerp van opiniepeilingen en eindeloze debatten in talkshows.
Slechts een fractie van de media-aandacht ging naar de killing fields van Ruanda, waar naar verluidt al tweehonderdduizend mensen zijn omgekomen. De evacuatie van blanken wist nog enige aandacht te trekken, maar daarna was het gedaan - tot de beelden van verminkte lijken de belangstelling eventjes opnieuw deed opflakkeren. Zelfs de New York Times vond het uitmoorden van een compleet hospitaal slechts een eenkolommertje op een binnenpagina waard. De oorlogen die woeden in landen als Angola krijgen zelfs die aandacht niet, terwijl ook Somalie wel van de kaart lijkt geveegd sinds de westerse militairen er vertrokken zijn. Het enige Afrikaanse land dat nog nieuwswaarde lijkt te hebben is Zuid-Afrika, wellicht vanwege de herkenbaarheid van de zwart-blanktegenstellingen.
De Belgische en Franse para’s evacueerden hun rasgenoten en keken toe terwijl de burgers van Ruanda werden afgeslacht. Voor Washington is het sturen van troepen naar Ruanda ‘ondenkbaar’, zoals een regeringswoordvoerder het uitdrukte. De Amerikaanse militairen die vorig jaar naar Haiti gingen om er de democratie te helpen herstellen, lieten zich door een betoging van een handvol gespuis op de vlucht jagen. De Republikeinse senaatsvoorzitter Dole vertolkte het standpunt van zijn collega’s en de regering toen hij opmerkte dat Haiti 'geen Amerikaans leven waard is’. Bosnie is dat wel, volgens Dole; hij steunt althans de Navo-aanvallen op de Serviers, waarmee Amerikaanse piloten hun levens riskeren. Bosnie krijgt dan ook veel aandacht in de media, misschien omdat het daar een oorlog tussen blanken betreft. Maar Washington laat er geen twijfel over bestaan dat Bosnie in geen geval Amerikaanse grondstrijdkrachten waard is. En precies die zekerheid ligt aan de basis van de brutale Servische strategie.
'DOOR GEEN OVERTUIGENDE uitleg te geven over de noodzaak van Amerika’s blijvende inzet in de wereld, moedigt de president de werdergeboorte van het isolationisme aan, zowel bij links als bij rechts.’ Dit zei Bill Clinton tijdens de verkiezingscampagne van 1992 over George Bush, maar vandaag lijken die woorden autobiografisch. 'In heel mijn leven heb ik geen president meegemaakt die zich zo weinig bezig houdt met buitenlandse politiek als Clinton’, jammerde onlangs Zbigniev Brzezinski, de nationale veiligheidsadviseur onder Carter.
De Amerikaanse regering heeft zich sinds het aantreden van president Clinton steeds afstandelijker opgesteld tegenover conflicthaarden in de wereld. Toch verschilt dit isolationisme van het oude isolationisme dat ervan uitging dat Amerika geen belangen te verdedigen heeft buiten zijn eigen landsgrenzen. Waar het over Amerika’s internationale economische belangen gaat, is Clintons regering allesbehalve isolationistisch: Clintons inzet voor het Nafta-akkoord, zijn inspanningen om de economische banden aan te halen met Zuidoost-Azie, de buitengewone moeite die zijn ministerie van Handel zich getroost voor Amerikaanse bedrijven in heel de wereld, en de onophoudelijke druk op Japan illustreren dat de huidige Amerikaanse regering wat dat betreft actiever is dan ooit. Maar haar houding is heel anders waar het gaat om de bescherming van de mensenrechten en de ordehandhaving in de wereld. Voor Washingtion is in Angola, Georgie en Burundi - om drie landen te noemen waar een VN-interventie strandde op een Amerikaans veto - het sop gewoon de kool niet waard.
Maar hoe formuleer je die combinatie van economisch eigenbelang en humanitaire onverschilligheid in een samenhangende strategische doctrine? Dat is niet eenvoudig, misschien zelfs onmogelijk. De regering-Clinton lost dit op door haar buitenlandse politiek zo low profile als mogelijk te houden. Dat is wellicht de reden waarom Clintons buitenlandse politiek wordt geleid door kleurloze, bijna onzichtbare figuren als Anthony Lake en Warren Christopher, en niet door opvallende persoonlijkheden als Kissinger of Brzezinski. Christopher zei onlangs in een interview dat Clinton elke week een keer tracht te vergaderen met zijn team voor buitenlandse politiek, maar dat dit niet altijd lukt. Dit ogenschijnlijke gebrek aan interesse lokt heel wat kritiek uit in de pers maar de meerderheid van de bevolking heeft er geen problemen mee: een president die bijna al zijn aandacht wijdt aan binnenlandse zaken is net wat ze willen. Want de misdaad, werkloosheid en falende gezondheidszorg in eigen land raakt hen meer dan wat er gebeurt in landen als Ruanda, waar ze nog nooit van hebben gehoord.
Maar de gruwelijke tv-beelden komen af en toe de rust verstoren. Als de Amerikaanse kijkers dag na dag een portie beschietingen op Gorazde krijgen voorgeschoteld, beginnen ze zich op den duur toch te ergeren aan de Amerikaanse passiviteit. Opiniepeilingen registreren het dalende vertrouwen in het buitenlands beleid; Clinton schiet wakker, belt het Navo-hoofdkwartier en stelt de Serviers een ultimatum. Dat bedaart de gemoederen voor een tijdje, tot een nieuw bombardement aan tv-beelden de alarmbel weer doet rinkelen.
Het resultaat is een buitenlandse politiek die lijkt te zigzaggen, gedreven door schommelingen in opiniepeilingen, die op hun beurt worden veroorzaakt door de soms arbitraire wijze waarop de Amerikaanse tv-netten conflicten al dan niet in de schijnwerpers plaatsen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vrijwel alle commentatoren in de Amerikaanse pers klagen dat er in Clintons buitenlands beleid geen lijn valt te ontwaren, geen samenhang. De regering praat enthousiast over de interventie in Somalie zolang de tv beelden toont van kinderen die worden gevoed. Dan komen er beelden van vermoorde Amerikaanse soldaten en de interventie wordt zo snel mogelijk beeindigd. Als de tv weinig aandacht besteedt aan Bosnie, zegt de Amerikaanse minister van Defensie dat Gorazde geen luchtaanvallen waard is; als vervolgens de ellende in Gorazde breed op tv wordt uitgemeten, dreigt Clinton prompt met luchtaanvallen. Als Haiti uit het nieuws is, zegt de Clinton-regering dat de verbannen president Aristide de impasse in stand houdt en dreigt ze hem te laten vallen. Dan besteden de tv-netten aandacht aan een nieuwe terreurcampagne in Haiti en komen er protestacties van zwarte leiders in Amerika - prompt prijst Clinton Aristide en kondigt nieuwe maatregelen aan tegen de Haitiaanse militairen.
De recente acties in Bosnie en Haiti wekken de indruk dat Clintons politiek tegenover buitenlandse agressors energieker wordt, maar dat is nog de vraag. Onlangs ondertekende de president 'beleidsrichtlijn 25’, die Washingtons standpunt formuleert inzake de VN-interventies en die een grote streep trekt door alles wat Clinton daarover tijdens zijn campagne heeft gezegd. Toen pleitte hij voor een permanent VN-leger, nu sluit hij dat niet alleen uit, hij stelt bovendien dat geen Amerikanen mogen worden ingezet onder een niet-Amerikaanse bevelhebber. De voorwaarden die de richtlijn stelt voor Amerikaanse deelname aan een VN-vredesmacht zijn zo strikt dat daarmee in feite deelname aan alle VN-operaties die momenteel aan de gang zijn wordt uitgesloten. Verder stelt de richtlijn dat Washington zijn financiele bijdrage aan het budget van de blauwhelmen drastisch zal verminderen.
DE OORLOGEN IN wat men de derde wereld noemt en in de periferie van de vroegere Sovjetunie worden steeds talrijker, bloediger en uitzichtlozer. De onwil van de westerse landen om in te grijpen, stijgt navenant. Er is inderdaad een 'Nieuwe Wereldorde’ aan het groeien maar die heeft weinig gemeen met het rooskleurige visioen dat president Bush na de Golfoorlog schilderde: in die nieuwe wereldorde zouden vrede en democratie bloeien en zouden de grootmachten, bevrijd van de Oost-Westrivaliteit, er samen voor zorgen dat agressie werd beteugeld. Het pakte anders uit en je zou er heimwee van krijgen naar de oude wereldorde, naar de zekerheden van de Koude Oorlog. De globale rivaliteit tussen de twee blokken bracht mee dat regionale conflicten een gevaar van escalatie inhielden. Beide grootmachten hadden er dus belang bij om elk in hun eigen invloedszone de orde te handhaven. Door de ineenstorting van het Oostblok hebben de meeste regionale conflicthaarden hun strategische belang verloren zodat de grootmachten ook minder noodzaak voelen om ze te blussen. Integendeel, ze slepen het brandhout aan: nu de wapenmarkt door het einde van de Koude Oorlog is geslonken, worden in de derde wereld wapens voor spotprijzen gedumpt.
De nieuwe wereldorde bracht ook een globalisering van de wereldeconomie met zich mee, die de economische tegenstellingen verder op de spits dreef. Voor de meest ontwikkelde landen betekent dat een steeds zorgwekkender werkloosheidsprobleem, maar op wereldschaal gaat het om bijna hele landen of regio’s die uit het globale produktieproces worden gekeild. Zwart Afrika als eerste.
In een spraakmakend essay in The Atlantic Monthly, 'The Coming Anarchy’, beschrijft Robert Kaplan hoe de nieuwe wereldorde er in de derde wereld kan gaan uitzien. Nu al ziet hij daar 'het wegkwijnen van de macht van centrale regeringen, de opkomst van regionale en stammenmacht, de ongecontroleerde verspreiding van ziekten en de groeiende alomtegenwoordigheid van oorlog’. De westerse landen zullen zich uit Afrika terugtrekken, voorspelt Kaplan, terwijl het continent een schokgolf zal ondergaan waardoor staten zullen instorten, grenzen zullen verdwijnen en het contact met de rest van de wereld beperkt zal blijven tot enkele gevaarlijke, ongezonde handelsposten, zoals toen de kolonisatie van Afrika begon. Het begin van de eenentwintigste eeuw zal in de derde wereld worden gekenmerkt door oorlog, chaotische conflicten zoals die zich in de vijftiende en zestiende eeuw in Europa voordeden, maar dan met moderne wapens. Evenals toen zullen de legers vooral bestaan uit huurlingen, vrijbuiters en troepen van krijgsheren die niet alleen elkaar bevechten maar vooral moorden en plunderen. In een passage die door de gbeurtenissen in Ruanda inmiddels ruimschoots werd bevestigd, stelt Kaplan dat mensen in een situatie van chaos en massale armoede in geweld een gevoel van bevrijding vinden.
Om de verhouding tussen de rijke landen en de rest van de wereld weer te geven, gebruikt Kaplan de metafoor van een limousine die door de armenbuurten van New York rijdt. Achter hun kogelvrije vensters kijken de rijken in hun luchtgekoelde luxe met afschuw of onverschilligheid naar de daklozen en criminelen in de morsige straten. Maar de rijke landen kampen zelf ook met groeiende problemen: armoede, chaos en geweld nemen ook in de Verenigde Staten en andere bevoorrechte zones toe. 'Naarmate de misdaad in onze steden toeneemt en de bekwaamheid van de overheid om de burgers te beschermen vermindert’, schrijft Kaplan, 'kan de stedelijke criminaliteit zich ontwikkelen tot een lage-intensiteitsoorlog, door te versmelten met raciale, religieuze en sociale conflicten.’
In sommige steden in Amerika heeft men nu al de indruk dat de misdaad de proporties van een oorlog heeft aangenomen. Dit verklaart wellicht de hevigheid waarmee veel Amerikanen op de stokslagenstraf van Michael Faye in Singapore reageerden. Men zou verwachten dat iedereen hier alleen al uit patriottische solidariteit die barbaarse straf zou veroordelen, maar veel Amerikanen waren enthousiast (hoewel de jongen misschien onschuldig was en zijn bekentenis misschien met folteringen was afgedwongen) en drukten hun spijt uit dat dergelijke straffen in Amerika niet worden toegepast. De honger naar bestraffing wordt steeds groter. Het Congres werkt momenteel aan een nieuwe anti-misdaadwet die meer doodstraffen en meer levenslange straffen wil invoeren. Er is een verharding aan de gang in de publieke opinie, een groeiende ieder-voor-zich-mentaliteit die de sombere voorspellingen van Kaplan alleen maar realistischer maakt.