Over lijden en lachen

Club van klagers

Joden worden van oudsher gezien als de uitvinders van ‘Der Witz’, de mop. Maar wat maakt joodse humor nu zo typisch joods? Het sleutelbegrip is kvetch.

De Amerikaanse dichteres, activiste en verhalen­vertelster Grace Paley – ze wordt in Nederland nauwelijks gelezen, helaas – schreef veel verhalen waar de joodsheid van afdruipt. Je kunt de kippensoep bijna ruiken, je hoort de knauwende New Yorkse accenten van haar oudere personages, maar vooral valt er veel te grijnzen om dingen waarom je ook zou kunnen huilen. Of dat laatste nu zo specifiek joods is kun je betwisten, maar het werk van Paley brengt het jodendom vaak in verband met humor: niet alleen door geestig te zijn, maar ook door het fenomeen grap bloed­serieus te analyseren.

Het verhaal Dreamer in a Dead Language volgt de losbandige Faith, die met haar twee prepuberale zoontjes haar ouders bezoekt in een bejaardenhuis in Brooklyn. Het wordt een pijnlijke visite, die een diepe generatiekloof aan het licht legt tussen Faith en haar vader, een Jiddische dichter. De verwijdering openbaart zich het duidelijkst in hun verschillend gevoel voor humor. De kern van het verhaal is dan ook een mop, verteld door de vader. Die mop gaat ongeveer zo: het is omstreeks 1939. Een oude jood komt bij een reisbureau, kijkt naar de wereldbol en zegt: luister, ik moet hier weg. Wat raadt u aan, Herr Agent? Amerika? De verkoper schudt zijn hoofd: sorry, daar zitten ze aan hun quota. Ts, zegt de jood en wijst een andere plek op de bol aan. Frankrijk? Ook niet, de laatste trein is al vertrokken. Nu, Rusland dan? Nee, zegt de agent, daar laten ze niemand in op het moment. De jood wijst nog wat plaatsen aan maar overal zijn de poorten dicht, de boten weg. Oi, roept de arme jood, en hij duwt de wereldbol aan de kant. Maar hij is niet zonder hoop en zegt: dus deze is opgebruikt, Herr Agent. Luister, heeft u niet een andere?

Faith’s zoontje lacht om zijn opa’s grap, trots dat hij hem begrepen heeft, maar bij haar kan er geen lachje af. Ze haat de mop. Sterker, ze vindt het geen mop, maar simpelweg een afschuwelijk verhaal. Niet heel verwonderlijk, want Paley stelt ons Faith voor als iemand die moeite heeft om zichzelf op de hak te nemen. En laat de mop van de oude jood het nu net van een diepe zelfspot moeten hebben.

Aan het einde van het verhaal blijkt echter dat Faith net als haar vader behoefte heeft aan relativering, wanneer haar eigen zoon haar confronteert met het gewicht van zijn jeugdige ernst. De drie hebben het bejaardenhuis verlaten en zitten op een strand. Faith, uitgeput van het bezoek, stelt grappend voor dat de jongens haar begraven. De kleinste begint meteen enthousiast te spitten, maar de oudste raakt in paniek als hij zijn moeder onder het zand ziet verdwijnen, roept ‘hou op!’ en barst bijna in tranen uit. De manier waarop de moeder vervolgens uitvalt tegen het kind is ironisch: ‘Goddamn it, Richard’, zegt ze, ‘what’s the matter with you? Everything is such a big deal. I was only joking.’

In Faith’s felle reactie valt frustratie te lezen over haar eigen gebrek aan lichtheid. Maar ‘the grave’ – wat zich laat vertalen als ‘het graf’, maar ook als ‘de ernst’ – wordt in deze laatste passage toch door haar tot grap gemaakt. Precies wat de mop van haar vader ook doet.

‘Ik lach om niet te huilen’, zei de Mokumse moppentapper Max Tailleur. Het is een gangbaar idee over joodse humor: dat die onlosmakelijk verbonden is met lijden. Arnon Grunberg in De joodse Messias: ‘Als hij eenmaal ging lijden zou het met de humor vanzelf goedkomen.’ De komiek Jon Stewart grapt: ‘Joden en zwarten hebben dezelfde geschiedenis – tweeduizend jaar bullshit. We uiten ons lijden alleen anders: zwarten ontwikkelden de blues; in ons kwam het niet op om het op muziek te zetten.’

Muziek misschien niet, maar het joodse afzien kwam terecht in een onvoorstelbare hoeveelheid grappen waarin het lijden zelf de grap is. In Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten schreef Freud dat hij niet wist of er een ander volk was dat in zulke mate de spot dreef met zichzelf. Zijn analyse van ‘Der Witz’ ontvouwde zich via een heel arsenaal aan joodse moppen (die waren volgens hem namelijk het grappigst en het interessantst). Eén daarvan werd geadopteerd door Groucho Marx en beroemd geciteerd door Alvy Singer in Woody Allens Annie Hall, als de essentie van zijn bestaan: ‘Ik zou nooit bij een club willen horen die zo iemand als ik als lid zou nemen.’

Net als aan de mop uit het verhaal van Paley ligt aan dit grapje een besef ten grondslag van een soort vicieuze cirkel van uitsluiting. Waar je ook bent als jood, je zit altijd verkeerd. Zoiets. Alvy’s levensmotto typeert bovendien het soort zelfbeklag waarvan de hele joods-komische traditie is doordesemd. De levende koningin van deze traditie, Sarah Silverman, rekt de grenzen van die zelfspot al jaren op: ‘I was raped by a doctor… which is so bittersweet for a jewish girl.’ (Om die grap te begrijpen, moet je overigens wéten dat de stereotiepe joodse moeder haar dochter het liefst met een dokter ziet – denk aan de moeder van The Nanny: ‘My Franny is marrying a doctor!’ De joodse mop gaat dan wel vaak over uitsluiting, maar kweekt ook saamhorigheid door gedeelde kennis te veronderstellen.) Zeuren over jezelf is één ding, maar het joodse mopperen beperkt zich niet tot navelstaarderij. Die andere mop die beroemd werd door Annie Hall ging zo: twee oude vrouwtjes zitten in een hotel, de een zegt: ‘Boy, the food at this place is really terrible.’ De ander: ‘Yeah, I know, and such small portions.’

Dat klagen lijkt van oude rabbijnen­grappen tot sitcoms de gemene deler te zijn. Klagen over jezelf, klagen over anderen, klagen over het eten, klagen over je man, je vrouw, je zoon – die nog steeds geen Nobelprijs heeft! – klagen over klagen. Wat Woody Allens archetypische neurotische held in ieder geval gemeen heeft met soortgenoten als Jerry Seinfeld en Larry David is die haast constante verongelijktheid. Je zou bijna dubieuze generalisaties gaan maken over de fysieke uitingsvormen ervan. Ze verheffen hun stemmen, trekken hun schouders en wenkbrauwen op, steken hun handen in de lucht.

In zijn boek Born to Kvetch trekt schrijver en komiek Michael Wex het breder en stelt dat kvetch (Jiddisch voor klagen) een manier van leven is. Het boek onderzoekt hoe het Jiddisch zich gevormd heeft tot een taal bij uitstek om in te klagen. Een taal die de kvetch tot kunst en noodzakelijkheid verheft. Als The Rolling Stones-hit (I Can’t Get No) Satisfaction was vertaald in het Jiddisch, schrijft Wex, zou het worden: (I Love To Keep Telling You That I Can’t Get No) Satisfaction (Because Telling You That I’m Not Satisfied is All That Can Satisfy Me). Wex laat zien dat er in het Jiddisch een soort geslagenheid is geslopen die inherent werd aan het taaltje. Moeilijker is het om uit te leggen waarom het klaagzangerige Jiddisch daarmee ook inherent geestig lijkt. Een groeiend aantal geleerden doet een gooi naar de oorsprong en kern van joodse humor. De meesten gaan er daarbij natuurlijk, enigszins essentialistisch, van uit dat er inderdaad zoiets bestaat als een joodse sensibiliteit. Waar het humor betreft hoeft dat echter niet vanzelfsprekend te zijn, betoogt Ruth Wisse (docent Jiddisch aan Harvard) in haar boek No Joke. Ze wijst erop dat ‘joodse’ humor al te gemakkelijk aangemerkt wordt als specifiek joods, terwijl we dezelfde principes aantreffen in gojse grappen.

Was Lewis Carroll bijvoorbeeld niet dominee Charles Dodgson geweest, maar rabbi Chaim Dobrin, zo meent Wisse, dan had het best kunnen zijn dat we het gekibbel van Tveedledee en Tveedledum uit Alice’s Adventures in Wonderland hadden aangezien voor een typische talmoed-discussie tussen rabbijnen. En ook The Sopranos, waarin zo’n essentiële rol is weggelegd voor familie-etentjes, therapie en gezeur, had volgens Wisse met een paar aanpassingen The Cantors kunnen heten en een joodse serie kunnen zijn. Inderdaad, het is niet moeilijk om in Livia ‘I wish the Lord would take me now!’ Soprano een kvetcher van Olympisch formaat te herkennen.

A Conversation With my Father heet een ander verhaal van Grace Paley. De titel zou je direct naar Freud doen grijpen, maar dit verhaal, dat ook over humor gaat, is niet zo expliciet joods als Dreamer in a Dead Language. Hier is het niet de vader, maar de vertellende dochter die pleit voor een relativerend soort humor. De oude man is stervende en vraagt haar, de schrijfster, om nog eens gewoon ‘een simpel verhaal’ te schrijven in de geest van Tsjechov of Maupassant. Hoewel de vertelster zegt een enorme hekel te hebben aan de rechtlijnigheid van plot doet ze haar best haar vader te plezieren. Maar de in haar ogen ‘simpele’ vertelling van een tragisch leven waarmee ze aankomt voldoet niet. Grapjes, klaagt haar vader, je hebt een leuk gevoel voor humor, maar het is je grootste probleem als schrijver. ‘You don’t want to recognize it. Tragedy! Plain tragedy! Historical tragedy! No hope. The end.’

De oude, joods of niet joods, ervaart grappen­makerij als het tegenovergestelde van dat wat waar is, dat wat hem staat te overkomen: The End. De vertelster echter, weigert te erkennen dat het leven hopeloos zou zijn. Iedereen, echt of verzonnen, heeft recht op een open lot. ‘Its a funny world nowadays’, zegt ze. Humor, voor deze jonge, schrijvende dochter, is een open einde, de ruimte om dingen onbeslist te laten.

Maar in dit geval geeft Paley de vader het laatste woord: ‘Tragedy! You too. When will you look it in the face?’