De uitgangspunten van een nieuwe Europese energiepolitiek

CO2 - neutraal én onafhankelijk van Poetin

De huidige crisis wijst Europa op de pijnlijke afhankelijkheid van Russisch aardgas. Welke opties zijn er om onder het Russische energiejuk uit te komen?

Medium gas

Russische banken hebben sinds eind juli geen toegang meer tot de internationale kapitaalmarkten. Ook de levering aan Rusland van technologie voor olie- en gasboringen is gestaakt. Stelden de eerste sancties na de bezetting van de Krim door Rusland nog niet zo veel voor, de strafmaatregelen die de Verenigde Staten en de Europese Unie eind juli namen nadat vlucht MH17 was neergehaald zijn echt serieus te nemen. Rusland op zijn beurt sloeg vorige week terug met een boycot van vlees, vis, noten, melkproducten, groente en fruit uit het Westen.

De energieleveringen zijn vooralsnog ongemoeid gelaten. Ondanks alles komen er dagelijks schepen met Russische olie en kolen binnen in de haven van Rotterdam, en er stroomt nog volop Russisch gas door de leidingen naar Europa. Toch is de Europese Unie zich door het conflict weer pijnlijk bewust van haar grootste kwetsbaarheid. Gas, olie, steenkool en uranium – het moet allemaal van buiten komen. Olie en uranium spannen de kroon met importcijfers van respectievelijk bijna negentig en 95 procent. Maar voor gas is de EU het meest kwetsbaar, want ze is voor veertig procent afhankelijk van één leverancier: Rusland.

De roep om een energie-onafhankelijk Europa klikt dan ook steeds luider. Al was het maar omdat Europa zelf steeds minder gas heeft, en dus steeds méér moet importeren. Sjeng Scheijen schreef het twee weken geleden in De Groene: ‘Alleen door Europa te verlossen van het Russische energiejuk kunnen we onze zelfstandigheid en vrijheid waarborgen.’ vvd-Kamerlid Han ten Broeke zei tegen Nu.nl dat we ‘heel snel onafhankelijk [moeten] worden’. Kamerlid Michael Servaes van de pvda vindt dat we ‘dit moment absoluut [moeten] aangrijpen om daarmee door te pakken’.

Maar wie de opties overziet, komt er al gauw achter dat snelle onafhankelijkheid niet realistisch is. Enerzijds omdat Nederland in de afgelopen decennia juist heeft ingezet op méér samenwerking met Rusland, anderzijds omdat aan veel alternatieven voor Russisch gas grote nadelige effecten kleven. We kunnen bijvoorbeeld meer steenkool gaan verstoken in plaats van gas, maar dat zorgt voor een sterke verhoging van de CO2-uitstoot. We kunnen bij Qatar, Nigeria of elders aankloppen voor vloeibaar gas dat overzee wordt ingevoerd, maar dat is bijzonder duur, en bovendien geen oplossing voor de Oost-Europese landen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevreesde grillen van Gazprom (geen havens). Met schaliegas zou de EU misschien wel twintig jaar vooruit kunnen, maar de winning daarvan is niet rendabel, en de publieke opinie is er fel tegen gekant. Kerncentrales zijn niet erg populair, de bouw ervan wordt steeds prijziger en kan eigenlijk alleen nog met staatssteun. Tot nu toe durft in Europa alleen David Cameron dat aan.

Logisch dus dat veel mensen hun hoop vestigen op duurzame energie. Hoe riskanter de import van fossiele brandstoffen uit het buitenland, hoe aantrekkelijker de energie die we zelf kunnen opwekken. Nu komt veertien procent van Europa’s energie uit hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en waterkracht. De Europese Commissie wil dat we in 2030 op 27 procent zitten. Wat zou er moeten gebeuren als we vanwege het conflict met Rusland besluiten dat we veel sneller willen omschakelen naar een volledig duurzame energievoorziening? Om te beginnen: wat zou Nederland moeten doen?

John Kerkhoven is directeur van Quintel Intelligence, een bedrijf dat samen met onder meer Shell en GasTerra een model heeft ontwikkeld om scenario’s voor de toekomstige Nederlandse energievoorziening door te rekenen. In opdracht van actie-organisatie voor duurzaamheid Urgenda maakte hij een scenario voor een honderd procent duurzame Nederlandse energievoorziening in 2030. Dit is het scenario voor als je het, zeg maar gerust, grondig wil aanpakken. Momenteel is ruim 95 procent van de Nederlandse energie fossiel. Het Urgenda-scenario is opgesteld vanuit het idee dat we onze CO2-uitstoot drastisch moeten beperken en het is volgens Kerkhoven direct toepasbaar in de huidige discussie over energie-onafhankelijkheid. ‘Als je niet de reserves van de rest van de wereld wil opmaken, dan zul je binnen de EU iets anders moeten doen’, zegt hij. ‘Dat is precies waar dit scenario op aanstuurt: volledige onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen.’

Waar hebben we het dan over? Een eerste uitgangspunt is dat we massaal gaan inzetten op groene stroom. In het scenario staat er in 2030 in Nederland een enorme hoeveelheid windmolens op zee en op land: de molens hebben samen ongeveer vijf keer de capaciteit van alle huidige kolencentrales bij elkaar. Er moet eenzelfde capaciteit (25 gigawatt (GW)) aan zonnepanelen op de Hollandse daken worden geïnstalleerd. Gezamenlijk leveren de windmolens en zonnepanelen 364 petajoule (PJ) aan energie in 2030, ongeveer achttien keer zo veel als vorig jaar. Niet onrealistisch, zegt Kerkhoven: ‘Duitsland heeft nu al meer windmolens en meer zonnepanelen dan wij in dit scenario gepland hebben voor 2030. Ook in Nederland hebben we hier voldoende ruimte voor.’

Tweede uitgangspunt: de groene stroom gebruiken om een einde te maken aan het gebruik van gas in de gebouwde omgeving. ‘We gebruiken meer dan de helft van alle aardgas om gebouwen mee te verwarmen. Dat gaan we in dit scenario met warmtepompen doen. Die onttrekken warmte aan de lucht, de bodem en het bronwater. Ze draaien op elektriciteit.’ Het zou natuurlijk een ongelooflijke tour zijn om alle bestaande gasinfrastructuur uit de gebouwde omgeving te slopen, maar de technologie is er. En we hebben al eerder laten zien tot zo’n omschakeling in staat te zijn: in de jaren zestig sloten we binnen korte tijd bijna alle huizen aan op aardgas.

Nog zo’n omslag: massaal elektrisch rijden om het personenvervoer te verlossen van zijn olieverslaving. ‘We rijden nu in zware auto’s met een verbrandingsmotor die actief gekoeld moet worden. Dat is ongelooflijk inefficiënt. Een elektrische auto presteert energetisch gezien minstens twee keer zo goed.’ Om de honderd procent onafhankelijkheid te halen moeten we volgens het scenario bovendien ons energiegebruik halveren. Kerkhoven: ‘We hebben in bijna iedere sector al de technologie om twee keer zo zuinig te zijn met energie. We kunnen huizen en kassen energieneutraal maken of zelfs omvormen tot kleine energiecentrales. Industriële producten zoals aluminium kunnen we recyclen, dan hebben we maar twintig procent van de energie nodig.’

‘We hebben in bijna iedere sector al de technologie om twee keer zo zuinig te zijn met energie’

We zouden een soort oorlogseconomie moeten voeren om dit scenario uit te voeren. Om het te laten werken zijn tot 2030 investeringen van twee miljard euro per jaar nodig in nieuwe energie-infrastructuur, zoals ‘slimme’ energienetten, batterijen en oplaadpalen. We moeten per jaar in totaal bijna 1,5 procent van het bnp investeren, maar dan zijn we in 2030 bijna volledig onafhankelijk van fossiele brandstoffen.

Er zitten grote dilemma’s in dit scenario, Kerkhoven is de eerste om dat toe te geven. Het grootste probleem is dat we biomassa moeten gaan gebruiken in plaats van kolen en gas om de warmte te produceren die de energie-intensieve industrie in grote hoeveelheden nodig heeft. Dat komt neer op de (weinig innovatieve) verbranding van houtsnippers. En die zijn schaars. Kerkhoven: ‘Voor de volledige onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen krijg je in dit scenario dus afhankelijkheid van biomassa terug. Die zul je moeten importeren van landbouwgronden in Oost-Europa en productiebossen in Canada. Dat is problematisch. Je bent netto wel beter uit dan in een business as usual scenario. Daarin zou de Nederlandse import-afhankelijkheid oplopen van dertig procent nu tot bijna tachtig procent in 2030, omdat we zelf steeds minder gas kunnen winnen. In het volledig duurzame scenario eindig je met een netto-afhankelijkheid van iets minder dan veertig procent voor de import van biomassa.’

Natuurlijk laat de echte wereld zich niet zo gemakkelijk manipuleren als de cijfers in het model van Quintel. Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat we het opgestelde vermogen aan windmolens voor 2020 met een factor 9 zullen vermenigvuldigen – iedereen weet hoe omstreden windenergie is. Ook een halvering van het energieverbruik is niet erg waarschijnlijk als we in ogenschouw nemen dat Nederland de afgelopen jaren gemiddeld iets meer dan één procent energie bespaarde. En hoe realistisch is het dat de Nederlandse overheid, die jaarlijks twaalf miljard euro verdient aan de verkoop van gas, zou meewerken aan het overbodig maken ervan? Dat zijn vragen die het model van Quintel niet beantwoordt.

Frans Rooijers is directeur van CE Delft, een vooraanstaand onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van energie. Radicale verduurzaming van de energievoorziening vindt hij onverstandig. ‘Het kabinet wil veertien procent van de Nederlandse energie duurzaam produceren in 2020. Daarvoor gaan we veertien miljard investeren in windmolens op zee. Maar de technologie voor windturbines is nog lang niet uitontwikkeld. Als je nu in een korte termijn nóg meer windmolens wil neerzetten, levert dat nog meer extra kosten op. Economisch gezien is het verstandiger om de huidige ontwikkelingen hun werk te laten doen, zodat je later gebruik kunt maken van de dalende kosten.’

CE Delft maakte eerder dit jaar vijf scenario’s voor Nederlands energievoorziening in 2030. Het scenario dat inzet op een volledig duurzame energievoorziening was tevens het duurste door de massale investeringen in nieuwe duurzame productiecapaciteit en energiebesparingsmaatregelen. ‘Bovendien zijn er hoge maatschappelijke kosten als je het fossiele energiesysteem zo snel bij het grof vuil zet’, zegt Rooijers. ‘Denk aan investeringen in kolencentrales en gasnetten die niet meer worden terugverdiend. Er zijn ook baten zoals minder CO2-uitstoot.’

Het is aan de samenleving om deze kosten af te wegen tegen de mogelijke baten, meent de CE-directeur. ‘Meer duurzame energie draagt bij aan meer onafhankelijkheid. Maar nu ineens heel snel verduurzamen vanwege Rusland, is niet per se logisch als je tegelijkertijd de kosten van energie onder controle wil houden. Dan kun je beter zeggen: we gaan onze inspanningen verdubbelen om gas uit het Middelandse-Zeegebied te halen. Ik zeg niet dat ik dat voorsta, maar het is een logischer oplossing vanuit de redenering dat je minder afhankelijk wil zijn van Rusland.’

Ook Coby van der Linde, directeur van het Clingendael International Energy Programme, is behoedzaam. ‘De vraag is hoeveel elastiek Nederland eigenlijk heeft om zo’n omslag naar een duurzaam energiesysteem nu heel snel te maken. We groeien niet zo hard dat we dat project kunnen financieren uit onze economische groei. Ik betwijfel bovendien ten zeerste of Europa er verstandig aan doet zo de nadruk te leggen op onafhankelijkheid. De EU is gebouwd op het idee dat vrijhandel en wederzijdse afhankelijkheid conflicten kunnen bezweren, omdat er dan een wederzijds belang is om niet tot het uiterste te gaan. Het streven naar zelfvoorziening druist daar tegenin.’

Als we de transitie die al in gang is gezet toch verder versnellen, zal vooral de energie-intensieve industrie daarvan het slachtoffer zijn, zegt Van der Linde: ‘Die concurreert mondiaal en zal aandeel verliezen als energie snel duurder wordt. Je kunt de situatie die dan ontstaat vergelijken met een heel sterke munt. Die dwingt concurrentie op kwaliteit af, in het geval van Nederland en Europa: inzetten op de productie en ontwikkeling van hoogwaardige technologie. Maar als we minder bulkproducten zoals staal en aluminium zelf maken, zullen we die moeten importeren. Je verlegt je afhankelijkheid dan feitelijk naar een ander deel van je economie. Want hoe je het ook wendt of keert: als je naar grondstoffen kijkt, zal Europa altijd een relatief arm gebied blijven. De logische exporteurs van de bulkproducten zijn dezelfde landen van wie we nu energie kopen: de Verenigde Staten, landen in het Midden-Oosten en Rusland.’

Deze discussie is niet nieuw. Van der Linde wijst op een ‘routekaart’ waarin de Europese energiecommissaris Günther Oettinger en de Russische minister van Energie, Alexander Novak, de grote lijnen uittekenen van de energiesamenwerking tussen Rusland en de EU tot 2050. Het document van maart 2013 ademt een sfeer van gedeelde belangen in de ‘Pan-European Energy Space’, maar twee cruciale feiten staan al droogjes op papier: de Europese overstap naar een klimaatvriendelijke energievoorziening zal de groei in ons gebruik van fossiele brandstoffen keren, en Rusland zal de export naar het Oosten aanzienlijk vergroten. (Eerder dit jaar sloot Rusland inderdaad een belangrijke overeenkomst om gas te gaan leveren aan China.)

‘Als we minder staal en aluminium zelf maken, zullen we die moeten importeren. Je verlegt je afhankelijkheid dan’

De Europese Commissie heeft in antwoord op de crisis in Oekraïne de strategische uitgangspunten nog eens op papier gezet. De leidende gedachte is helder: ‘In the long term, the Union’s energy security is inseparable from and significantly fostered by its need to move to a competitive, low-carbon economy which reduces the use of imported fossil fuels.’ De Commissie wil dus meer eigen productie van duurzame energie, meer energiebesparing, en vooral ook meer interne samenwerking. Europese elektriciteits- en gasnetten zijn de afgelopen twintig jaar meer met elkaar verknoopt, maar van een gedroomd ‘supernetwerk’ is nog geen sprake. De Europese pijpleidingen zijn bijvoorbeeld nog niet geschikt om gas van west naar oost te vervoeren. Die mogelijkheid moet er nu snel komen, zodat energie in geval van nood direct naar de lidstaten kan stromen die het het hardst nodig hebben, met name Oost-Europese landen die voor tachtig procent of meer van hun gas van Rusland afhankelijk zijn.

Rooijers verwacht overigens niet dat Europa zonder gas komt te zitten: ‘De hele discussie wordt gevoerd vanuit de emotie. De feiten zijn veel minder hard. Rusland kan zijn gas op korte termijn niet zo maar ergens anders kwijt. Als je kijkt naar de landen die gas aan Europa leveren, dan is daar al een aardige diversificatie. En zelfs als het zo ver mocht komen, dan zouden we een eventueel tekort aan Russisch gas kunnen opvangen.’ Bovendien: afhankelijkheid is voor Europa een fact of life – het is altijd zo geweest en hoeft helemaal geen probleem te zijn zolang er genoeg verschillende aanbieders zijn. ‘Er zijn nog heel veel fossiele brandstoffen op de wereld.’

Vooralsnog wijst dan ook alles op business as usual. Bij het World Petroleum Congress half juni in Moskou maakten Amerikaanse en Europese olie- en gasbedrijven duidelijk dat ze volop kansen zien in Rusland. Vorige week liet ExxonMobil weten dat de jongste sancties geen invloed hebben op proefboringen die het bedrijf van plan is uit te voeren in Russische wateren.

We zitten sowieso nog wel even aan Rusland vast. Europese lidstaten hebben in groten getale bilaterale overeenkomsten gesloten voor de afname van Russisch gas: Polen heeft getekend tot 2022, Frankrijk tot 2031, Duitsland en Italië tot 2035. Als er één land goede banden heeft opgebouwd met Gazprom, dan is het Nederland: onze gassector werkt al jaren nauw samen met Rusland om een ‘gasrotonde’ te ontwikkelen, een Nederlands knooppunt voor internationale gasstromen. Tijdens een diner van de Nederlandse gastop, half juni in een hotel in Huizen, overheerste zelfs een dag nadat Rusland de gasleveranties aan Oekraïne had stopgezet in een conflict over de gasprijzen een sfeer van gemoedelijkheid. Tijdens het eten liep de woordvoerder van het gashandelsbedrijf GasTerra mopperend weg omdat hij weer werd opgebeld door journalisten die graag ‘een paniekerige quote willen scoren’.

Dat de gasleveranties niet direct in het geding zijn, is voor Kerkhoven geen reden om stil te zitten: ‘Het punt bij energie is: je hebt jaren nodig om je energievoorziening om te bouwen. Niemand kan voorspellen wat fossiele brandstoffen over twintig jaar zullen kosten, maar we weten wel dat we met extreme afhankelijkheid ook extreem gevoelig zijn voor prijsstijgingen. Het scenario is bedoeld als stip aan de horizon. We moeten met elkaar op weg gaan om te kijken hoe ver we kunnen komen.’

Iedereen is het erover eens dat energiebesparing de beste optie is om het gasgebruik te beperken. De energievraag van de gebouwde omgeving, waar een derde van Europa’s gas naartoe gaat, kan met drie kwart omlaag. ‘Als je je energie-afhankelijkheid wil verkleinen, kun je beter investeren in energiebesparing dan in duurzame energie’, zegt Rooijers. ‘De ervaring leert dat dat heel langzaam gaat. Maar het mooie van energiebesparing is: als je het eenmaal doet, blijkt dat het geld oplevert.’

Of het Russische gas nu blijft komen of niet, vanuit klimaatoogpunt is meer duurzaamheid en energiebesparing sowieso een goed idee. Energiebesparing kan tot 2050 zelfs voor bijna veertig procent van de nodige mondiale CO2-reductie zorgen.

Als Europa in ieder geval één ding moet doen, zegt Coby van der Linde, is het aan de klimaatambities vasthouden. ‘Op de lange termijn gaat het echt om die CO2-reductie om wille van het klimaatprobleem. Dat is een doel waar we het in Europa over eens zijn geworden. Daar zijn er niet zo gek veel van, dus die moet je koesteren.’


Voor de scenario’s van Quintel, zie energietransitiemodel.nl


Beeld: Heerhugowaard, Stad van de Zon, een wijk die geheel CO2-emissieneutraal is. Marco Hillen/HH