John Maxwell Coetzee, Elizabeth Costello: Eight Lessons

Coetzee op zijn wenken bediend

Als literatuur bijgeloof wordt, doet het er niet meer toe wat iemand schrijft, als de beroemde schrijver maar aan de eredienst meedoet.

Zouden ze vorige maand in Stockholm geweten hebben dat John Maxwell Coetzee zijn lezers al jaren voor het lapje houdt? Een grap van Coetzee is natuurlijk ook een serieuze grap. Het is allemaal begonnen toen hij in 1997 in Princeton werd uitgenodigd om de Tanner-lecture te houden. Tot verwarring van mensen die een discussie met hem wilden, las hij twee verhalen voor over een oudere Australische schrijfster die lezingen houdt, over dieren. Hij liet haar de stelling lanceren dat er tussen de genocide in de vernietigingskampen en de dagelijkse holocaust in de slachthuizen geen wezenlijk verschil is; ook nu miljoenen zwijgende medeplichtigen. In de Nederlandse uitgave Dierenleven (2001) werd niet eens meer vermeld dat Coetzee de lezingen zelf had gehouden. Dat gebeurt ook niet in Elizabeth Costello: Eight Lessons, waarin nog zes andere «lezingen» staan. De Australische schrijfster is geen stand-in, ook geen alter ego, eerder een handpop of proefkonijn. «Wat is volgens u uw belangrijkste boodschap?» vraagt een interviewster aan Elizabeth Costello. Wat is haar mening over het neoliberalisme, de vrouwenbeweging, de hedendaagse Australische roman, enzovoort? Coetzee zelf moet zulke vragen spuugzat zijn geweest.
Aan de hand van Costello demonstreert hij hoe moeilijk het is zich meningen te vormen én ze publiekelijk te formuleren. Ze stuntelt, hakkelt, schmiert, verkoopt halve of hele onzin en probeert telkens zo snel mogelijk weg te komen. Wat is nu de grap? Dat overal op de verhalen van Coetzee gereageerd wordt alsof door Costello over belangrijke onderwerpen ook belangrijke ideeën geformuleerd worden. Ik wil niet zeggen dat Coetzee een bedrieger is, integendeel, hij heeft willen laten zien dat ook een schrijver niet zomaar meningen over alles heeft. Elke lezing is bovendien een gedachte- experiment: hoe ziet de discussie eruit als je begint met een stelling als bijvoorbeeld de vergelijking vernietigingskamp-genocide, of de stelling dat een onderwerp (geweld) schrijver en lezer besmet? Wat laat het boek zien? Dat literatuurliefhebbers als ze ergens in geloven bereid zijn álles te geloven.
Met sardonisch genoegen, mag je aannemen, ziet Coetzee toe hoe sinds zijn heiligverklaring alles van hem wordt gepikt. Hij legt nota bene zijn kaarten open op tafel. Het verbod op het afbeelden van geweld spreekt Costello uit tijdens een lezing in Amsterdam. Steen des aanstoots was voor haar de roman The Very Rich Hours of Count von Stauffenberg van Paul West. Waarom heeft niemand eens gekeken of de weergave van Costello wel klopt? West beschrijft de terechtstelling van de mannen die een aanslag op Hitler pleegden. Costello noemt die scène obsceen, dat doet West zelf ook. Zij vertelt er niet bij dat alles verteld wordt door Stauffenberg, die op dat moment al dood is. Ze heeft het over stumpers van oude mannen die hun broek moeten ophouden terwijl ze vernederd worden door de beul. In de roman zijn het jonge officieren die trots hun eer hoog houden; er is één oudere militair met een afzakkende broek. In tegenstelling tot wat Costello zegt is het geen goed boek, het is ook niet bijzonder sadistisch of gewelddadig.
Een pikant detail was dat volgens de weergave van Costello de beul bloed van een week oud onder zijn nagels had. De handen krijgen bij West speciale aandacht, ze ruiken zelfs naar carbolzeep, zwarte nagels maar geen kitscherig oud bloed. Waarom heeft Coetzee een bestaande roman misbruikt? Hij zal gedacht hebben: als lezers zulk bedrog accepteren, moeten ze me niet meer met vragen over ideeën aankomen. Inderdaad, als literatuur bijgeloof wordt, doet het er niet meer toe wat iemand schrijft, als de beroemde schrijver maar aan de eredienst meedoet. In de Londen Review of Books werd de roman onlangs een hoog religieus boek genoemd. De grap is dus geslaagd.