Colijn hield niet van schommelkonten

J. de Bruijn, H. J. Langeveld (red.), Colijn: Bouwstenen voor een biografie. Uitgeverij Kok, Kampen, 368 blz., f45,-
IN DE JAREN dertig hield het fascisme de gemoederen flink bezig. Het ging toen niet om een handjevol extremisten die hier en daar een parlementszetel veroverden; in het ene land na het andere kwam er een autoritair regime en ook in Nederland waren er zorgelijke ontwikkelingen. Niet alleen leek de NSB begonnen aan een krachtige opmars, ook het optreden van de regering werd met wantrouwen bekeken. De vraag of Colijn - sinds mei 1933 minister-president - de Nederlandse Mussolini was, hield velen bezig.

In een artikel in het onafhankelijk-linkse maandblad Het Fundament schreef de jonge sociaal-democratische sociologe Hilda Verwey-Jonker in 1934 een artikel over de verhouding tussen conservatisme en fascisme. Hoewel ze er op wees dat de NSB vooral aanhang vond onder mensen die los waren geraakt van kerkelijke bindingen - met name het Avro-publiek en de Telegraaf-lezers - moest ze toch constateren dat het fascisme al zoveel verschillende vormen had aangenomen dat het best denkbaar was dat het zich ‘ditmaal eens vertoonde in de zwarte jas van een calvinistische ouderling’.
Na de oorlog was de linkse visie op Colijn er niet positiever op geworden. In Van het kleine koude front (1962) vergeleek J. B. Charles Colijns verrichtingen als beroepsmilitair in Nederlands-Indie met het optreden van Duitse en Japanse oorlogsmisdadigers. Volgens Jan Rogier was Colijn, 'een koloniaal heerser en een platte geldmaker met grove manieren’, veel te reactionair om fascist te worden. Ook Lou de Jong tekende hem met veel reserves, en wees erop dat Colijn in 1925 in de ministerraad had opgemerkt dat hij slechts een sergeant en drie soldaten nodig zou hebben om dat hele zootje parlementariers aan de dijk te zetten.
Wat Colijn vooral werd verweten, was de verkeerde economische politiek die onder zijn verantwoordelijkheid zou zijn gevoerd; een beleid dat in sociaal opzicht onrechtvaardig en hardvochtig was geweest; zijn weinig democratische houding; zijn koloniale optreden en zijn 'defaitistische’ houding in de zomer van 1940.
IN DE ZOJUIST verschenen bundel Colijn: Bouwstenen voor een biografie citeert Colijn-kenner G. Puchinger de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer: 'Er zijn vermaarde mannen die bij hun leven wellicht te hoog en daarna te laag geschat zijn.’ Of dit ook geldt voor Colijn, die in de jaren dertig ook ver buiten de eigen kring een ongehoorde populariteit genoot, is een vraag die alleen te beantwoorden is door middel van een zeer uitgebreide biografie. Puchingers drie vuistdikke banden omvattende Colijn en het einde van de coalitie bevat natuurlijk erg veel materiaal, maar is geen biografie in de eigenlijke zin van het woord. Ook de door De Bruijn en Langeveld geredigeerde bundel Colijn: Bouwstenen voor een biografie heeft niet die pretentie - de bundel biedt inderdaad voornamelijk bouwmateriaal voor zo'n biografie.
De auteurs zijn vrijwel allemaal (oud-)VU-historici. Hebben we hier dus te maken met een veredelde hagiografie van Colijn, die immers lange tijd directeur was van de Vrije Universiteit? Voor wie het nog niet weet: de VU is al heel lang niet meer de VU van Kuyper en Colijn - een flink deel van de auteurs heeft nooit behoord tot het antirevolutionaire volksdeel en staat in politiek opzicht links van het midden. Deze bundel biedt een uiterst genuanceerd beeld van Colijn, gebaseerd op grotendeels nog ongebruikt archiefmateriaal.
NA ZIJN DOOD is vooral het economisch beleid van Colijn onder een spervuur van kritiek komen te liggen. Vooral zijn rigide vasthouden aan de 'gave gulden’ - met als gevolg dat Nederland zijn munt pas in 1936 devalueerde - zou een van de belangrijkste oorzaken zijn geweest dat de crisis in Nederland ongehoord ernstig en langdurig was. Nu is er over dit en andere aspecten van Colijns economische politiek al heel wat geschreven, maar deze bundel bevat een drietal artikelen die ons een veel beter inzicht geven in Colijns economische beleid.
E. S. A. Bloemen laat zien hoe Colijn als fervent voorstander van vrijhandel zich in 1933 genoodzaakt zag deze politiek op te geven en te kiezen voor protectionistische maatregelen. De beruchte 'aanpassingspolitiek’ van de kabinetten- Colijn komt aan de orde in het artikel van H. de Vries, die overigens opmerkelijke overeenkomsten ziet tussen Colijn en Lubbers.
Die aanpassingspolitiek bestond enerzijds uit het verlagen van lonen en prijzen, waarmee Nederland zich voegde naar de internationale concurrentieverhoudingen, en anderzijds uit structurele maatregelen. Vooral op het eerste is altijd veel kritiek geleverd. Om te beginnen wees men daarbij op het harde lot van de werklozen en bovendien stond de 'aanpassingspolitiek’ volgens de critici haaks op de lange tijd onfeilbaar geachte denkbeelden van Keynes. Door zijn starre en dogmatische liberale opvattingen zou Colijn geen oog hebben gehad voor economische alternatieven. De Vries toont hier, niet voor de eerste keer overigens, aan dat Colijns denkbeelden helemaal niet zo star waren, maar dat er eenvoudig weinig alternatieven waren. In zijn ogen verdient het structuurbeleid van Colijn veel meer waardering dan dat het tot nog toe heeft gehad.
COLIJN POSEERDE graag als de sterke man, en toen hij in 1923 werd gevraagd De Geer op te volgen als minister van Financien, stelde hij een aantal ononderhandelbare voorwaarden. Er zou rigoureus moeten worden bezuinigd, anders begon hij er niet aan. Wantje Fritschy onderzocht in haar bijdrage of Colijn op Financien inderdaad zo'n sterke man was, en of er in Nederland dezelfde trend aanwezig was als in de meeste andere westerse landen, waar het parlement op economisch gebied steeds minder te zeggen kreeg en de invloed van het bedrijfsleven sterk toenam. Haar oordeel is dat het allemaal nogal meeviel. Van Colijns eisen kwam niet zoveel terecht en de keren dat Colijn echt buiten het parlement om optrad als 'sterke man’, ging dat lijnrecht in tegen de uitgangspunten van zijn eigen bezuinigingsbeleid.
Het boek biedt voorts nog artikelen over Colijns carriere bij de 'Koninklijke’; zijn keuze tussen een loopbaan in het koloniale bestuur, het bedrijfsleven en de politiek; zijn bemoeienissen met de Vrije Universiteit, en zijn wisselende verhouding tot Duitsland.
In een zeer boeiende bijdrage beschrijft J. de Bruijn, directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, Colijn als leider van de ARP. Hoewel een heel ander figuur dan Abraham Kuyper, wiens profetenmantel hij min of meer tegen zijn zin om de schouders kreeg gehangen, bezat ook Colijn onmiskenbaar charisma. Colijn was niet alleen een sterke persoonlijkheid, met wie de kleine luyden zich graag identificeerden, ook wist hij vele niet-gereformeerden aan te spreken en te bezielen. In de jaren dertig raakten vooral de liberalen, die over het algemeen weinig sympathie hadden gekoesterd voor Kuyper, in de ban van Colijn.
Het meest onderhoudende artikel is in mijn ogen dat van Gjalt Zondergeld, over Colijn als beroepssoldaat in Nederlands-Indie. De boerenzoon uit de Haarlemmermeer kwam in 1893 op vierentwintigjarige leeftijd aan in Indie. Na in 1894 te hebben deelgenomen aan de expeditie tegen het nog onafhankelijke Lombok, waarvoor hij werd onderscheiden met de Militaire Willemsorde 4e klas, liet hij zich overplaatsen naar het sinds jaar en dag onrustige Atjeh. Naar eigen zeggen vooral om financiele redenen, maar vermoedelijk ook omdat de strijd hem meer trok dan het duffe garnizoensleven.
Colijn nam actief deel aan de terreurcampagnes die waren bedoeld om het verzet der Atjehers voorgoed te breken. Nadat hij door een collega-officier was beschuldigd van het gebruik van (verboden) dum-dumkogels; het afbeulen van dwangarbeiders; het neerschieten van krijgsgevangenen, vrouwen en kinderen; het nodeloos in brand steken van huizen en nog zo het een en ander, verweerde Colijn zich met de mededeling dat dit echt niet anders kon. 'Men eindige nu toch eens met die hemeltergende onzinnige tegenstelling van humaan oorlogvoeren.’
Tijdens de bloedige en wrede 'pacificatie’ van Atjeh, reeds in 1969 meesterlijk beschreven in De Atjeh-oorlog van wijlen Paul van ’t Veer, bleek Colijn niet alleen een fanatiek ijzervreter maar tevens een bijzonder getalenteerd bestuurder. In luttele jaren klom hij op van tweede luitenant tot rechterhand van gouverneur-generaal Van Heutz. Hier legde de godvruchtige doch allesbehalve teerhartige Colijn tevens de basis voor zijn carriere in het bedrijfsleven en voor zijn politieke loopbaan.
Wat het artikel van Zondergeld bijzonder leesbaar maakt, zijn de vele citaten uit de brieven van Colijn aan zijn vrouw. Zo beschrijft hij zonder enige preutsheid hoe hij en zijn manschappen in het land van de Pakpak Batakkers, volgens hem 'zeer goedmoedige kannibalen’, baden tussen de naakte inlandse vrouwen. Vooral het feit dat deze dames staande en met een boog urineerden bezorgde de latere premier veel schik. Tijdens de veelal bloederige expedities schreef hij opbeurende en geruststellende brieven aan zijn dierbare vrouw. Zij behoefde zich geen zorgen te maken over zijn gezondheid, of over haar lijn: 'Ik vind dikke schommelkonten niet mooi, maar als jij zoo wordt, heusch, lieveling daardoor zou mijn liefde niet verminderen.’ Als deze citaten representatief zijn voor Colijns brieven, dan dienen die onverwijld te worden uitgegeven.