De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Colijn-retoriek

Economische debatten worden niet beslist door argumentatie of bewijsvoering. Zoveel hebben de afgelopen jaren wel uitgewezen. Het intellectueel fundament onder de bezuinigingspolitiek is al lang en breed afgebrokkeld, maar vrolijk stampt men door in het macabere metrum van de besparingsmars. Nee, wat de bezuinigingscoalitie nu nog over heeft is retoriek, de kracht van woorden. En opmerkelijk genoeg is dit vaak dezelfde schuld-en-boete-retoriek die in de verguisde jaren dertig werd gebezigd.

De regeringen-Colijn (1933-1939) zagen het als ‘onafwijsbaar noodzakelijk’ om de overheidsuitgaven te saneren. De toenmalige premier en ARP-politicus Hendrikus Colijn was een man van geïnspireerd besparingsproza, met in zijn betogen niet het onsmakelijke optimisme van een tweedehands autoverkoper, maar een diep calvinistische zwaarmoedigheid.

Toen Colijn in de miljoenennota van 1935 een nieuw pakket van uitkeringsverlagende, salariskortende en belastingverhogende maatregelen uit de doeken deed, vroeg hij Nederlanders om toch vooral te berusten in hun lot. ‘De tegenspoed die alle volken te dragen hebben, en waarvan het Nederlandsche volk ditmaal zijn deel ruim heeft gedragen, zullen met dat geduld, met die bezonnenheid en met dat zelfvertrouwen moeten worden aanvaard, die datzelfde volk in vroegere generaties onder nog heel wat ernstiger omstandigheden heeft getoond te bezitten.’

In het colijnistische geloof dat pijn op de een of andere manier economisch heilzaam moet zijn, is weinig verandering gekomen. ‘Neem de crisis op de kin’, zo suggereerde NRC Handelsblad in een hoofdredactioneel commentaar. ‘Een crisis valt te ontwijken’, zo gaf de krant toe. ‘Maar dan wacht altijd de volgende klap.’ Hoe? Waarom? Wanneer? Deze vragen werden niet beantwoord. Maar gewichtig klonk het wel. Zoals elke economische verhandeling betaamt, werd een moeizaam dilemma tussen twee pijnlijke alternatieven geschetst.

De puurste vorm van jaren-dertigdefaitisme is te vinden in de retoriek van het voldongen feit. ‘De Nederlandse economie heeft in de jaren negentig op de pof geleefd’, zo constateerde Xander van Uffelen, chef economie van de Volkskrant, onlangs. ‘Een simpele uitweg uit deze neergang is eigenlijk onhaalbaar.’ Goede tijden kunnen niet duren, zuur moet volgen op zoet. Periodiek moeten er honderdduizenden mensen baanloos worden. Bij de verkiezingen vorig jaar stelde Van Uffelen daarom al dat er maar beter niet gediscussieerd kan worden over de vraag ‘of’, maar enkel ‘waarop’ bezuinigd moet worden.

Ook Van Uffelen werkt in de retorische traditie van Colijn. ‘Maar al te lang is van sommigen zijden gesproken van een voorbijgaande crisis en veel te weinig is gerealiseerd dat men rekening moet houden met het neerploffen op een veel lager stabilisatie-vlak’, zei Colijn in 1934. ‘Hoe eerder men zich realiseert, dat men weer op eigen beenen moet staan, hoe beter het voor ons volk en zeker voor ons volkskarakter zal zijn.’ Dat er pijnloze oplossingen waren, ontkende Colijn.

Pijnloze oplossingen zijn voor populisten. De populist is iemand die niet snapt dat economische politiek bestaat uit keuzes tussen het onaangename en het rampzalige. ‘Slechts een opmerkelijk gebrek aan inzicht of wel een verachtelijke demagogie kunnen er toe drijven enige Nederlandse regeerder te verwijten, dat de toestand niet snel genoeg verbetert’, aldus Colijn.

Colijns crisis was echter geen voldongen feit, geen kwestie van schuld en boete, en zijn opposanten waren geen populisten. De overheid had wel degelijk iets kunnen doen aan de depressie. Zelfs in zijn eigen antirevolutionaire partij werd na de oorlog met weinig liefde teruggekeken op de gevoerde bezuinigingspolitiek. ‘Een economische crisis was niet meer iets zoals vroeger een longontsteking, dat je maar moest afwachten of de patiënt herstelde of bezweek, neen, de economische penicilline was ontdekt’, schreef ARP-partijleider Jelle Zijlstra in zijn memoires over de nieuwe naoorlogse inzichten over conjunctuurpolitiek.

Premier Rutte draaide vorige week tijdens de H.J. Schoo-lezing deze medicijnmetafoor weer om. Mensen die waarschuwen tegen bezuinigingen deden Rutte denken aan een arts die eerst uitgebreid de bijwerkingen doorneemt voor hij een ernstig zieke patiënt medicijnen toedient. ‘Natuurlijk zijn die bijwerkingen er, maar die bestrijd je als dat kan en sommige accepteer je ook om beter te worden.’

Het medicijn is niet, zoals Zijlstra nog geloofde, een overheid die als andere sectoren op de rem staan het gaspedaal intrapt. Nee, de overheid moet vrolijk mee gaan remmen. Als de economie daarmee piepend en krakend tot stilstand komt: het zij zo. Alternatieven zijn er niet.

En zo zijn we terug bij Colijns voldongen feiten en de retoriek van het defaitisme. Teleurstellend, want deze crisis is, net als die van Colijn, niet noodzakelijk.